Het artikel Lotsverbondenheid en solidariteit van Hans Harbers en Gerard de Vries is een van de vele reacties die binnenkwamen na het verschijnen van Tijd voor solidariteit, afgelopen juni. De afgelopen maanden hebben we al deze reacties doorgesproken met ons schrijfteam (naast ikzelf zitten daar Noortje Thijssen, Hans Rodenburg, Arjan Reurink en Yourik Malet in). We zijn iedereen die de moeite heeft genomen op het stuk te reageren ontzettend dankbaar, vooral degenen die de moeite hebben genomen zo uitgebreid te reageren.
Dit is niet de plek om inhoudelijk op alle punten van Harbers en De Vries in te gaan, maar op een paar opmerkingen die ook door anderen zijn gemaakt, reageer ik graag kort. Harbers en De Vries wijzen op een paar belangrijke punten, die we in de nieuwe versie van het beginselprogramma verbeterd hebben. Eén daarvan is de definitie van solidariteit. Die is beter uitgewerkt. Solidariteit is niet alleen het ‘samen sterk staan’ (een manier om verandering af te dwingen door massa te maken, de basis van de internationale arbeidersbeweging), maar houdt ook lotsverbondenheid in (ook in de zin van een leefbare natuur en klimaat). Solidariteit is in het belang van ons allemaal, ook in ons eigen belang dus, want daarmee kunnen we een samenleving creëren waar vertrouwen en zorg voor elkaar de plaats innemen van wantrouwen en onderlinge strijd.
In de nieuwe versie van het concept-beginselprogramma hebben we ook duidelijker gemaakt dat ‘solidariteit’ niet alleen een voorwaarde is om de rechtvaardige samenleving waar wij naar streven te realiseren, maar dat zij ook een ideaal op zich is, naast gelijkwaardigheid, een gezonde planeet en vrijheid. Ook de beschrijving van het ideaal vrijheid hebben we aangescherpt, want die was inderdaad wat warrig. In de nieuwe versie zijn negatieve vrijheid (en hoe we die begrenzen), positieve vrijheid en collectieve vrijheid in aparte paragrafen uitgewerkt, en niet meer kriskras door elkaar.
Zullen Harbers en De Vries dan helemaal blij zijn met het nieuwe concept? Ik hoop het grotendeels. Taaldingen blijven natuurlijk een kwestie van smaak (denk aan het gebruik van ‘we’). En over de vraag of de huidige klassenverschillen problematisch zijn of dat die wel meevallen (ze verwijzen naar Spookkloven[1] van Jan Willem Duyvendak) verschillen we van inzicht. Wij baseren ons – naast bijvoorbeeld het werk van onder andere oud-WBS-directeur Tim ’S Jongers - ook op de SCP-studie Eigentijdse ongelijkheid.[2] Voor ons telt daarnaast sterk mee dat het aandeel arbeid in de economie gedaald is (en blijft dalen). Ook belangrijk in dit licht is de studie van Heike Vethaak en Egbert Jongen die aantonen dat vooral mannen met laagbetaald werk de afgelopen veertig jaar gemiddeld minder zijn gaan verdienen, minder vaak werk hebben en minder vaak een vast contract hebben. Dit is lang onopgemerkt gebleven doordat vrouwen in deze periode meer zijn gaan verdienen en doordat huishoudens kleiner werden en er dus minder monden gevoed hoefden te worden.[3] Of het meevalt met die kloven in de samenleving is dus een kwestie van perspectief en definitie. Wij achten die scheidslijnen en toenemende ongelijkheid een van de drie kernproblemen van deze tijd.
Een nieuwe versie van het concept-Beginselprogramma is ondertussen gepubliceerd. Ook hierop kan weer gereageerd worden.
Noten
[1] Jan Willem Duyvendak (2025). Spookkloven. Waarom Nederland minder gepolariseerd is dan we denken. Thomas Rap.
[2] SCP (2023). Eigentijdse ongelijkheid.
[3] Heike Vethaak & Egbert Jongen (2024). Wat is er met onze mannen aan de hand? S&D 2024/4.