Vlak na de zomer zal de Eerste Kamer debatteren over een initiatiefwetsvoorstel van D66 om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid te schrappen. Als het wordt aangenomen dan kan de minister zich niet langer bemoeien met individuele strafzaken. 

Joost Sneller is Tweede-Kamerlid voor D66

In Nederland beschikt de minister van Justitie en Veiligheid over de mogelijkheid om instructies te geven in individuele strafzaken. Dat kan de minister doen op grond van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid het Openbaar Ministerie. En daarmee kan een politieke ambtsdrager, naar de letter van de wet, invloed uitoefenen op de beslissing om een burger wel of niet strafrechtelijk te vervolgen. 

Die bevoegdheid staat op gespannen voet met het uitgangspunt van machtenspreiding en brengt het risico met zich mee dat het strafrecht voor politieke doeleinden wordt ingezet. Dat risico hebben we in meerdere landen werkelijkheid zien worden de afgelopen tijd. Om de democratische rechtsstaat weerbaarder te maken heb ik daarom een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat deze kwetsbaarheid wegneemt door de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid te schrappen. De Tweede Kamer heeft inmiddels met het voorstel ingestemd, binnenkort vindt de plenaire behandeling in de Eerste Kamer plaats.

In het kader van dit themanummer van S&D over klassenjustitie en de vraag hoe die kan worden tegengegaan, ga ik graag nader in op dit voorstel. Eerst schets ik de geschiedenis van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarna bespreek ik de huidige wettelijke regeling van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. Vervolgens ga ik in op de gevaren die deze bevoegdheid met zich meebrengt, in het bijzonder het risico dat politieke macht kan doordringen tot individuele vervolgingsbeslissingen. Tot slot licht ik toe waarom afschaffing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid de democratische rechtsstaat weerbaarder maakt.

Geschiedenis van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid

In het pas gestichte Koninkrijk der Nederlanden dienden de constitutionele verhoudingen, die deels waren geërfd uit de Franse tijd, vastgelegd te worden in Nederlandse wetboeken. Zo werd in 1826 een nieuwe Wet op de Rechterlijke Organisatie ontworpen (Wet RO).[i] De positie van het Openbaar Ministerie ten opzichte van de uitvoerende macht was een groot punt van discussie bij de totstandkoming en de behandeling van die wet in de Tweede Kamer. 

In het bijzonder was er kritiek op het voorgestelde artikel dat een bevelsbevoegdheid regelde waardoor de leden van het Openbaar Ministerie verplicht zouden zijn de bevelen van de koning na te komen: ‘De ambtenaren bij het openbaar ministerie zijn verpligt de bevelen na te komen, welke hun in hunne ambtsbetrekking, door de daartoe bevoegde magt, van wege den Koning zullen worden gegeven.’[ii] 

Tegenstanders van deze bepaling vonden dat het OM op onafhankelijke wijze de wet diende toe te passen. De ambtenaren van het OM diende volgens hen geen ‘gens du roi’ (dienaren van de koning) te zijn, maar ‘gens de la loi’ (dienaren van de wet).[iii] Ondanks de kritiek werd het wetsvoorstel, met de omstreden bevelsbevoegdheid in artikel 5 Wet RO, aangenomen in 1827. De leden van het Openbaar Ministerie waren voortaan ondergeschikt aan de koning. 

De grondwetsherziening van 1848 bracht een aanzienlijke verandering in de verhouding tussen de minister van Justitie en OM. De afhankelijke positie van het OM werd verder tot uitdrukking gebracht in de Grondwet door de leden van het OM niet langer voor het leven te benoemen. De belangrijkste wijziging in die Grondwetsherziening was het invoeren van de ministeriële verantwoordelijkheid. 

De minister die verantwoordelijk was voor het OM, was voortaan ook verantwoordelijk jegens de Staten-Generaal. Hierdoor werd parlementaire controle op het OM mogelijk gemaakt en konden de Tweede en Eerste Kamer de minister van Justitie ter verantwoording roepen over het doen en laten van het OM. Dankzij de bevelsbepaling in artikel 5 Wet RO dus ook over het handelen in individuele strafzaken. 

Tot 1999 was dit het wettelijk kader. Bij de herziening van de Wet RO vlak voor de eeuwwisseling werd er opnieuw intensief gediscussieerd over het bestaan van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid en kwam de huidige regeling tot stand. 

Huidige regeling bijzondere aanwijzingsbevoegdheid

Het aanwijzingsartikel in artikel 5 Wet RO zoals dat was geformuleerd in 1827, werd in 1999 vervangen door de artikelen 127 en 128 Wet RO. In artikel 127 werd een onderscheid aangebracht tussen de algemene en bijzondere aanwijzingsbevoegdheid: ‘Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.’ 

Bij algemene aanwijzingen gaat het om beleidskwesties en de prestaties van het OM. Voorbeelden hiervan zijn het algemene strafvorderingsbeleid en aanwijzingen over uiteenlopende onderwerpen, zoals de Aanwijzing voor de opsporing, waarin bijvoorbeeld is neergelegd welke zaken via de zogenaamde ZSM-werkwijze (zorgvuldig, snel en op maat) moeten worden afgedaan. 

Een bijzondere aanwijzing houdt in dat de minister in een concrete strafzaak een aanwijzing kan geven. Hier vallen vele soorten aanwijzingen onder en de reikwijdte ervan is, naar de letter van de wet, onbeperkt.[iv] Het kan dan gaan om een aanwijzing tot vervolging of juist tot niet (verdere) vervolging. Ook kan de minister een aanwijzing geven ten aanzien van de inhoud van het requisitoir of de strafeis van de officier van justitie. 

In artikel 128 zijn enkele procedurele waarborgen neergelegd. Zo moet het college van procureurs-generaal in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze kenbaar te maken voordat de minister in een concreet geval een aanwijzing geeft.[v] De aanwijzing in een concreet geval moet bovendien schriftelijk gedaan worden.[vi] Ook moet de aanwijzing tot vervolging in een concreet geval worden gevoegd bij de processtukken.[vii] 

Wanneer het gaat om een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen moet de minister de beide Kamers der Staten-Generaal in kennis stellen van de aanwijzing.[viii] De ratio achter deze laatste bepaling is dat bij een aanwijzing tot vervolging het procesdossier uiteindelijk door een rechter getoetst wordt. Bij het niet of niet verder vervolgen zal er doorgaans[ix] geen rechterlijke controle meer plaatsvinden zodat controle door het parlement gewenst is, zo was de gedachte van de wetgever. 

Met de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid hangt de zogenaamde inlichtingenplicht samen. Die bepaalt dwingend dat het college van procureurs-generaals, het hoofd van het OM, aan de minister de inlichtingen verstrekt die deze nodig heeft.[x] Hiermee wordt de afhankelijke positie van het OM jegens de minister nog eens bevestigd. 

Gevaren van de huidige regeling

Een van de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat is dat de macht niet bij één actor wordt belegd, maar dat deze juist wordt gespreid. De ervaring leert namelijk dat mensen met macht geneigd zijn die te misbruiken. ‘Power tends to corrupt and absolute power corrupts absolutely’ is het bekende adagium van Lord Acton.[xi] Door het spreiden van de staatsmachten en het aanbrengen van checks and balances onderling wordt machtsconcentratie en het gevaar van machtsmisbruik voorkomen. De bevoegdheid van de uitvoerende macht, in dit geval de minister van Justitie en Veiligheid, om invloed uit te oefenen op strafrechtelijke vervolging tegen individuele personen past niet in een systeem van machtenspreiding.

Tot nu toe is vanwege dit constitutionele uitgangspunt met deze bevoegdheid grote terughoudendheid betracht. Er zijn enkele gevallen bekend waarin de bevoegdheid in het verleden is ingezet. Zo gaf minister Sorgdrager in 1994 aanwijzingen in zaken waar het ging om euthanasie bij zwaar gehandicapte pasgeboren baby’s. 

Euthanasie is in principe slechts toegestaan wanneer de patiënt daartoe zelf om verzoekt maar dat is bij baby’s niet mogelijk. De minister gaf daarom een aanwijzing tot vervolging omdat zij jurisprudentie wilde uitlokken over euthanasie bij wilsonbekwamen. De betreffende officier volgde deze aanwijzing echter niet op, wat hem is komen te staan op rechtspositionele maatregelen.[xii] 

Dezelfde officier van justitie had al eerder een mondelinge aanwijzing gekregen, namelijk in een zaak die ging over een psychiater die een zwaar depressieve patiënte op haar verzoek assisteerde bij zelfdoding. Namens minister Hirsch Ballin werd hem geïnstrueerd om in die zaak een schuldigverklaring te eisen.[xiii] 

Sinds de herziening van de Wet RO in 1999 is dit, voor zover publiek bekend, echter niet meer voorgekomen. Die terughoudendheid is geen harde rechtsstatelijke garantie, maar berust vooral op politieke cultuur en constitutionele opvattingen. En juist daarin schuilt het gevaar. Een rechtsstaat moet niet alleen functioneren zolang bewindspersonen zich fatsoenlijk en rolvast gedragen, zij moet ook bestand zijn tegen bewindspersonen die dat niet doen.

Het is niet moeilijk voorstelbaar dat een toekomstige minister het minder nauw neemt met het constitutionele uitgangspunt van machtenspreiding. In het kader van klassenjustitie, waar deze uitgave van S&D aan is gewijd, is dat risico bijzonder problematisch. De bijzondere aanwijzingsbevoegdheid kan immers worden misbruikt om vrienden te beschermen en tegenstanders te treffen. 

Een minister kan de vervolging van een politiek bondgenoot, partijgenoot, bestuurder, donateur of bevriende ondernemer doen stoppen of afzwakken. Omgekeerd kan het strafrecht worden ingezet als machtsinstrument tegen politieke opponenten, activisten, journalisten, klokkenluiders, donateurs van oppositiepartijen of andere personen die de macht onwelgevallig zijn. 

Wanneer de minister een bijzondere aanwijzing daartoe geeft, kan de minister een persoon (letterlijk) verdacht(e) maken. Het strafrecht is dan niet langer een instrument van rechtshandhaving, maar verworden tot een politiek wapen.

Ook zonder dat dit instrument daadwerkelijk wordt ingezet, kan de minister informele druk op het OM hiermee uitoefenen. De inzet van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid hangt immers als een zwaard van Damocles boven het hoofd van het OM. Op die wijze kan de minister in de informele gesprekken met het OM beslissingen afdwingen, met de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid als dreigement. Op die informele gesprekken vindt immers geen rechterlijke of parlementaire controle plaats. 

Internationale context 

De risico’s van politieke invloed op strafrechtelijke vervolging zijn niet enkel hypothetisch. In landen zoals Rusland en Belarus worden politieke tegenstanders door politiek gemotiveerde strafrechtelijke vervolging monddood gemaakt. Dit gebeurde bijvoorbeeld met oppositieleider Alksej Navalny. 

Maar ook in landen waar dergelijke antirechtstatelijk optreden voorheen ondenkbaar was - omdat gedacht werd dat er voldoende waarborgen waren om dit te voorkomen - kan strafrechtelijke vervolging worden ingegeven door politieke motieven. Zo heeft President Donald Trump meerdere pogingen gedaan om een politiek tegenstander, voormalig FBI-directeur James Comey, strafrechtelijk te laten vervolgen door het ministerie van Justitie. 

Nadat Comey jarenlang publiekelijk door president Trump was aangevallen, werd hij in september 2025 door het ministerie van Justitie aangeklaagd wegens het afleggen van een valse verklaring aan het Congres en obstructie van het Congres. De zaak riep direct vragen op over politieke beïnvloeding, mede omdat de aanklacht volgde nadat een eerdere openbaar aanklager geen vervolging wilde instellen en een door Trump benoemde loyale aanklager de zaak alsnog voorlegde aan een grand jury. 

Deze buitenlandse voorbeelden tonen aan dat, indien politieke actoren invloed kunnen uitoefenen op individuele vervolgingsbeslissingen, het strafrecht kan worden ingezet als instrument tegen politieke tegenstanders. In de internationale context wordt het Nederlandse OM dan ook niet als onafhankelijk bestempeld, vanwege het bestaan van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. 

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie komt naar voren dat het uitvaardigen en uitvoeren van Europese aanhoudings- of arrestatiebevelen niet door een OM kan worden gedaan dat in een individueel geval rechtstreeks kan worden aangestuurd door de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie. Omdat een dergelijk OM het risico loopt om te worden beïnvloed door de uitvoerende macht bij de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, kan dat OM niet voldoen aan de vereisten om te kunnen worden aangemerkt als ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ - in het bijzonder aan het vereiste dat zij kan garanderen onafhankelijk te handelen wanneer zij een dergelijk aanhoudingsbevel uitvaardigt.[xiv] 

Het Nederlandse OM kan vanwege het bestaan van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid daarom ook niet voldoen aan deze onafhankelijkheidseis en derhalve niet worden aangemerkt als ‘rechterlijke autoriteit’.[xv] In het rapport van de Venetië Commissie over Nederland komt deze waarschuwing ook terug: ‘Whilst such informal norms supported by the transparency requirements in Article 128 of the Judicial Act may be effective under normal political conditions in the Netherlands, they do not render illegal politically motivated prosecutions or non-prosecutions.’[xvi]

Het is natuurlijk maar zeer de vraag hoe ‘normaal’ die politieke omstandigheden de komende decennia zullen zijn. De Venetië Commissie heeft dan ook de aanbeveling gedaan om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid te schrappen.[xvii]

Het is van belang om te benoemen dat steeds meer landen die voorheen een bijzondere aanwijzingsbevoegdheid kenden, deze inmiddels hebben afgeschaft. Uit de EU Justice scoreboard monitor blijkt dat in 2020 er nog een bijzondere aanwijzingsbevoegdheid voor de minister van Justitie en Veiligheid bestond in Luxemburg, Nederland, Denemarken, België, Duitsland, Oostenrijk en Polen.[xviii] Inmiddels heeft Luxemburg in 2023 de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid afgeschaft.[xix] Ook in Duitsland speelt de discussie om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid af te schaffen.[xx]

De noodzaak om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid te schrappen is mede ingegeven door antirechtsstatelijke ontwikkelingen waarvan we in Nederland ook al de eerste tekenen hebben gezien. Zo was het kabinet-Schoof voornemens om de noodtoestand uit te roepen om op die manier het parlement te omzeilen en strenge asielmaatregelen door te voeren. 

De PVV riep de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de burgemeester van Amsterdam te ontslaan, omdat zij een voor die partij onwelgevallige demonstratie had toegestaan. Dit is strijdig met de geest van de wet, maar niet met de letter van de wet. Politieke terughoudendheid ten aanzien van lopende strafzaken is ook in Nederland steeds minder vanzelfsprekend. Zo waarschuwt de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak voor de toegenomen bemoeienis van de politiek met individuele strafzaken die zich nog onder de rechter bevinden.[xxi]

De Tweede Kamerleden Wilders en Van Haga hebben de minister expliciet gevraagd om de strafrechtelijke vervolging van Richard de Mos te stoppen middels een bijzondere aanwijzing.[xxii] Deze voorbeelden laten zien dat afhankelijk van wie er aan de macht is de overheid gemakkelijk kan overgaan tot machtsmisbruik en willekeur als er onvoldoende waarborgen in het systeem zijn gebouwd. 

Naar een onafhankelijk Openbaar Ministerie 

In 2022 diende ik een wetsvoorstel in om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de minister van Justitie en Veiligheid te laten vervallen.[xxiii] Daarmee wordt uitgesloten dat de minister, al dan niet onder druk van of op verzoek van de Kamer, kan ingrijpen in individuele strafzaken die nog niet onherroepelijk zijn afgedaan. 

Wanneer een strafzaak onherroepelijk is afgerond, kan de minister daarover verantwoording afleggen aan de Kamer, voor zover het gaat om het algemene functioneren van het OM en de lessen die daaruit voor de toekomst kunnen worden getrokken. De minister behoudt de algemene aanwijzingsbevoegdheid. Daarmee kan hij blijven sturen op het algemene vervolgingsbeleid van het OM en blijft hij politiek verantwoordelijk voor het algemene functioneren van het OM. 

Met het wetsvoorstel vervalt ook de algemene inlichtingenplicht in individuele zaken. Dat ligt in het verlengde van het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid: als de minister niet langer kan ingrijpen in een individuele strafzaak, hoeft hij daarover ook niet langer verplicht te worden geïnformeerd. Wel blijft het mogelijk dat het OM de minister informeert wanneer het dat zelf wenselijk acht. Op die manier wordt de positie van het OM ten opzichte van de minister en de politiek versterkt. Daarmee wordt een extra rechtsstatelijke waarborg ingebouwd, die bijdraagt aan de machtenspreiding en aan de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat.

Ondanks verzet van de minister van Justitie en Veiligheid is het voorstel op 25 november 2025 met een meerderheid van 84 stemmen ‘voor’ aangenomen door de Tweede Kamer.[xxiv] Op het moment van schrijven zijn er twee schriftelijke rondes in de Eerste Kamer geweest. De plenaire behandeling in de Senaat zal naar verwachting spoedig na het zomerreces plaatsvinden. 

Als de senatoren hetzelfde zouden stemmen als hun partijgenoten in de Tweede Kamer zou het voorstel ook daar kunnen rekenen op een nipte meerderheid. Op basis van de schriftelijk gestelde vragen en eerdere ervaringen met kwesties waar verschillende constitutionele belangen tegen elkaar dienen te worden afgewogen (hier: democratische legitimatie en verantwoording enerzijds en magistratelijke onafhankelijkheid anderzijds) valt echter een eigenstandige afweging door de Eerste Kamer te verwachten. 

Mocht het voorstel worden aangenomen, dan wordt een kwetsbaarheid in ons staatsbestel weggenomen. Daarmee wordt de democratische rechtsstaat beter beschermd tegen politieke druk op het strafrecht en tegen autocratische krachten die het strafrecht zouden willen inzetten als politiek instrument. 

Het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid is een belangrijke stap in de juiste richting, maar daarmee zijn we er nog niet. De weerbaarheid van de democratische rechtsstaat vraagt om permanent onderhoud en in het huidige tijdsgewricht naar mijn stellige overtuiging om aanvullende waarborgen. Daarom schreef ik Project 2026, een democratisch offensief om ons weerbaarder te maken.[xxv] Dat plan bevat naast dit voorstel onder meer de verplichting voor politieke partijen om intern democratisch georganiseerd te zijn, de mogelijkheid om wetten aan de Grondwet te laten toetsen door de rechter, betere toegang tot het recht en een onafhankelijkere benoemingsprocedure voor leden van de Raad van de Rechtspraak.

De ervaringen in Polen en Hongarije laten zien dat na een periode waarin rechtsstatelijke normen zijn geschonden snel en effectief herstel van de rechtsstaat ondoenlijk is, zonder zelf de grenzen van de rechtsstaat te overschrijden. Hoe maak je immers een rechterlijke macht weer onafhankelijk na een reeks politieke benoemingen van rechters ‘voor het leven’ als je deze rechters niet vanuit de politiek weer wilt ontslaan? 

Het is onmogelijk om geklutste eieren te ontklutsen en dat is des te meer reden om een democratisch voorzorgsbeginsel te hanteren. Daarom geldt: wie bescherming van de democratische rechtsstaat serieus neemt, versterkt haar instituties vóórdat zij onder druk komen te staan.

Noten

[i] Eerdere pogingen om een wet op de rechterlijke organisatie vast te stellen werden verworpen door de Tweede Kamer.
[ii] Handelingen II 1826-1827, Bijlagen p. 455. 
[iii] Handelingen II 1826-1827, p. 266 e.v.
[iv] Kamerstukken II 1996/97, 25 392, nr. 3, p. 22.
[v] Artikel 128, eerste lid, Wet RO. 
[vi] Artikel 128, derde lid, Wet RO. Indien de aanwijzing in verband niet met de vereiste spoed niet schriftelijk kan worden gegeven, kan zij mondeling worden gegeven. In dat geval wordt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een week daarna op schrift gesteld, zo volgt uit artikel 128, vierde lid, Wet RO. 
[vii] Artikel 128, vijfde lid, Wet RO. 
[viii] Artikel 128, zesde lid, Wet RO. 
[ix] Middels een artikel 12-procedure kan in dergelijke gevallen alsnog rechterlijke toetsing worden afgedwongen. Wanneer het OM afziet van (verdere) vervolging dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover beklag doen bij het gerechtshof. Indien het gerechtshof van oordeel is dat (verdere) vervolging had moeten plaatsvinden, beveelt het gerechtshof tot die (verdere) vervolging. 
[x] Artikel 129, eerste lid. Wet RO.
[xi] Letter to Bishop Mandell Creighton, April 5, 1887 Afschrift uit Historical Essays and Studies, edited by J. N. Figgis and R. V. Laurence (London: Macmillan, 1907)
[xii] Zie M. de Meijer, «De ministeriële aanwijzingsbevoegdheid jegens de Nationale Politie en het OM nader beschouwd in het kader van de strafrechtelijke rechtshandhaving», in: Onbegrensd strafrecht, Liber Amicorum Hans de Doelder, Wolf Legal Publishers, pp. 335–347. 
[xiii] Zie M.E. Verburg, De minister de baas. Minister van Justitie en openbaar ministerie. Grepen uit de historie van de aanwijzingsbevoegdheid, Den Haag: Sdu Uitgevers 2004, p. 241.
[xiv] HvJ EU 27 mei 2019, gevoegde zaken C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456, punt 88.
[xv] HvJ EU 24 november 2020, ECLI:EU:C:2020:953.
[xvi] The Netherlands - Joint opinion of the Venice Commission and Directorate General of Human Rights and Rule or Law (DGI) of the Council of Europe on the legal safeguards of the independence of the judiciary from the executive power, adopted by the Venice Commission at its 136th Plenary Session (Venice, 6-7 October 2023), p. 18.
[xvii] Idem, p. 19. 
[xviii] The 2020 EU Justice Scoreboard, COM(2020) 306, p. 52.
[xix] CCPE, Thematic study of the CCPE on management practices of prosecution services in member states in connection with prosecutorial independence and impartiality, p. 10.
[xx] Die Zeit, ‘Richterbund fordert von neuer Regierung besseren Schutz der Justiz’, Susanne Ködel, 4 mei 2025.
[xxi] Reactie van de Wetenschappelijke Commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak op het initiatiefwetsvoorstel van D66 inzake de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Justitie en Veiligheid in de richting van het OM en de inlichtingenplicht in individuele zaken (art. 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie e.v.) in het perspectief van internationaalrechtelijke ontwikkelingen en the rule of law, 3 juni 2021.
[xxii] Aanhangsel Handelingen II 2012/23, nr. 2929.
[xxiii] Het wetsvoorstel was eerder ingediend door Maarten Groothuizen (D66), maar is komen te vervallen toen hij de Tweede Kamer verliet.
[xxiv] Voor stemden: SP, PRO, PvdD, DENK, Volt, D66, ChristenUnie, CDA en FVD. Tegen stemden: 50PLUS, SGP, VVD, BBB, JA21 en PVV.
[xxv] Joost Sneller, “Project 2026; een democratisch offensief,” 25 september 2025, https://d66.nl/wp-content/uploads/2025/09/Project-2026-Joost-Sneller.pdf

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.