De verzorgingsstaat moet weer nieuw leven ingeblazen. Maar dan moet er wel heel wat veranderen. Nu wordt de verzorgingsstaat het minst vertrouwd door de mensen die hem het meest nodig hebben. 

Monique Kremer
Bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap UvA en voorzitter van de Adviesraad Migratie. Brandbrief aan onze verzorgingsstaat, Van Gennep 2025.

Beste verzorgingsstaat,

‘Dit is het verhevenste, het grootste werk, wat ooit in Nederland tot stand is gekomen… U zult ten eeuwige dage in al de harten gegrift staan, van de Oude[n] van Dagen’, schreef meneer Van Hooff uit Eindhoven in een dankbriefje aan premier Drees, een van jouw founding fathers. Meneer Raap uit Amsterdam was zo erkentelijk voor zijn pensioen dat hij een ‘klein extraatje’ stuurde in de vorm van een tabaksbon. En zuster Jenkens, non te Amersfoort, schreef hoe bevrijd ze zich voelde ‘dat wij op onze oudere leeftijd nog zoo’n mooie oude dag hebben’.[i]

Een halve eeuw later schrijft niemand meer dankbrieven over jou. Daarom stuur ik je dit bericht. Ik wil je graag hartelijk bedanken voor alles wat je voor me hebt gedaan. Wat zou ik geworden zijn zonder jou? Op alle cruciale momenten in mijn leven was je er. Bij mijn geboorte stuurde je een kraamvrouw om mij in bad te doen. Ik ging naar school en tijdens mijn studie kreeg ik een basisbeurs, zes jaar lang. En toen ik werkloos raakte – hoogzwanger en ten einde raad – sloeg jij je bijstandsarm om me heen. Wat had ik dat nodig!

Daarna hielp je me met het betalen van de kinderopvang, verzorgde je me in het ziekenhuis en stuurde je thuiszorg naar mijn zieke zus. Over een aantal jaren mag ik vast ook nog eens met pensioen. Van wieg tot graf – wat heb ik veel aan je te danken. En niet alleen ik. We leven allemaal in redelijke rust dankzij jou.

Hoe komt het dan toch dat je mailbox alleen gevuld is met gevloek en getier? Waarom word je nog zo weinig gewaardeerd? Dankbaarheid is het nieuwe buzzword, las ik laatst in de Volkskrant: het is ‘de kortste weg naar geluk’. Er zijn dankbaarheidscursussen, dankbaarheidsrituelen en dankbaarheidsdagboeken. Die gaan alleen zelden over jou. Hoe komt dat toch? Misschien kennen ze je ware aard niet, niet zoals ik die ken.

Dat begint al op school. In het geschiedenisboek van mijn zoon staat onder de paragraaf met jouw naam een gortdroge opsomming van wetten en afkortingen: de Kinderwet van Van Houten, 1874; de AO, de Ongevallenwet, 1901; de AOW, de Algemene Ouderdomswet, 1957; de Algemene Bijstandswet, 1965. Er wordt geen enkele zin gewijd aan het hart van je zaak, aan je missie: de verzorgingsstaat als vorm van medemenselijkheid, als de beste manier om onderlinge solidariteit te regelen. Iedereen betaalt mee, omdat armoede, ziekte of ouderdom ons allemaal kan overkomen.

Tegenwoordig sturen mensen eerder een bedankje naar zichzelf dan naar jou. Ze denken dat wat ze hebben bereikt enkel te danken is aan hun hoge IQ, en aan hun eigen prestaties. In het boek The Class Ceiling van de sociologen Friedman en Laurison wordt de welgestelde klasse geïnterviewd over de reden van hun succesvolle leven.[ii] ‘Ik heb er hard voor gewerkt’, zeggen ze allemaal. Voor het gemak ‘vergeten’ ze hun veelal rijke ouders, de universiteit en de vangnetten van de overheid. De vis ziet niet het water waarin hij zwemt; de geslaagde burger ziet niet de verzorgingsstaat die hem voortduwt.

Ik ben zo bang, verzorgingsstaat, dat als mensen niet meer zien hoe belangrijk je voor iederéén bent, ze niet meer met je willen meedoen, niet meer willen meebetalen. En dat niet alleen de mensen uit de hogere klasse maar ook die uit de middenklasse denken: de verzorgingsstaat is er enkel voor arme sloebers. Wat heb ík eraan? Ik kan het allemaal best zelf. Wij weten wel dat dit niet waar is. Juist de mensen waar het goed mee gaat, zoals ik, hebben zo veel profijt van jou: wij gaan het langst naar school, wij krijgen zelfs geld toe als we een huis kopen. Als de welvarende klasse niet meer solidair is, ben je ten dode opgeschreven. Dan verschrompel je, verkruimel je, dan is het met je gedaan, lieve verzorgingsstaat.

Maar je moet allereerst zelf beter je best doen. Er gaat de laatste tijd wel erg veel mis, nietwaar. Je bent zo wantrouwend geworden – al die papieren die we bij je moeten inleveren, die websites waarop we moeten inloggen, en altijd dat wachten, wachten. Hopen op goede hulp. Wij hebben een competente, slagvaardige en betrouwbare overheid nodig om weer vertrouwen te krijgen. Nu hebben mensen te veel instantiekapitaal[iii] nodig om goede hulp te krijgen: begrijpen wat moet worden ingevuld, de weg kennen in de wirwar van verzekeringen en voorzieningen, en daarbij ook nog eens de juiste taal spreken en de juiste houding tonen.

En dat instantiekapitaal is daarbij ongelijk verdeeld. Je behandelt bovendien niet iedereen meer hetzelfde. Monique of Maryam, dat maakt blijkbaar verschil. Dat toeslagenschandaal – dat had ik echt niet achter je gezocht. Soms is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen mensen, vooral als je individuele hulp biedt, zoals thuiszorg of begeleiding naar werk – dan moet het juist. Toch dient maatwerk wel binnen professionele en morele kaders plaats te vinden. Het mag niet afhangen van wie je toevallig treft.

En je bent ook zo versnipperd, zo vermarkt geraakt. Al die verschillende wetten. Als je thuiszorg nodig hebt voor je zieke moeder, waar ga je dan naartoe? Naar de huisarts, de gemeente, de tientallen thuiszorgorganisaties in de stad? Je verstopt je achter digitale portalen. Waar is al je grondpersoneel gebleven? Je hebt zo veel mensen in dienst – klantbegeleiders, zorgcoördinatoren, sociaal werkers. Waar zijn ze? Ik zie ze niet.

Ze hebben zich verscholen achter computers. De verzorgingsstaat is een doorverwijsfabriek geworden. Zo’n trouwe fan als ik herkent je vaak niet meer. De mensen die je het meest nodig hebben, kunnen niet goed bij je terecht. Ze liggen ’s nachts wakker van jou.

Mensen gaan weer van je houden en je vertrouwen als je goede hulp biedt, en dan aan iedereen die dat nodig heeft: erkenning – beter luisteren – en competenties – beter handelen – vormen de basis van vertrouwen. En ze gaan vast weer van je houden als er minder ongelijkheid ontstaat door jou.

Mag ik je daarom advies geven? Dat betekent dat je eerst moet zorgen voor een voorspelbaarder en simpeler bureaucratie. Alle commissies die zich over onderdelen van jou hebben gebogen, schrijven dat. De Fraudecommissie,[iv] de Commissie Sociaal Minimum, et cetera: keep it simple! Blijkbaar durf je het niet aan. Er gebeurt bar weinig. Waarom niet? Ben je te bang geworden voor je burgers?

Simpeler betekent inderdaad dat het sommige mensen pijn doet (sommige medicijnen niet meer vergoeden, sommige jeugdzorg niet meer aanbieden, sommige financiële compensaties niet meer bieden). En dat regels universeler worden en vergoedingen of uitkeringen automatischer worden toegekend, met als gevolg dat mensen soms iets krijgen wat ze niet nodig hebben. En ja, dat kost geld. Tegelijkertijd hebben mensen dan minder instantiekapitaal nodig, en zo ontstaat er meer gelijkheid en vertrouwen. Hoe dan ook betekent een simpeler systeem dat er flink moet worden ingegrepen.

Het is echt nodig om de wirwar-verzorgingsstaat te ontvlechten. Niet alleen in de sociale zekerheid, ook in de zorg, waar veel minder aandacht voor de wirwar is. Begrijp jij het zelf allemaal nog wel? Zorg dat er veel minder uitvoerderspartijen komen. Al die samenwerkingen lijken vooral tot meer onduidelijkheid te leiden.

Iedereen is vooral bezig met elkaar. En als organisaties toch met elkaar samenwerken, zorg dan dat burgers daar niets van hoeven te merken. Ik pleit voor een verbod op doorverwijzen. Dat je gewoon overal kunt aankloppen voor hulp. Dat elk loket het juiste loket is.

Al die marktpartijen die het systeem efficiënter zouden maken, hebben vooral geleid tot enorme versnippering. Marktwerking geeft burgers bovendien het gevoel van onbetrouwbaarheid. Zijn die verzekeraars betrouwbaar? En al die thuiszorgorganisaties? Als professionals en organisaties het uit winstbejag doen, verdwijnt het vertrouwen van burgers. Dat begrijp je toch wel?

Gemeenten zijn één groot inkoopbureau geworden. Laat de overheid het gewoon weer zelf doen of spreek af dat er een beperkt aantal aanbieders mag zijn voor bijvoorbeeld re-integratie of inburgering. En waarom kan er in de wijk niet worden gewerkt met één zorg- of welzijnsorganisatie?

De toeslagen-rondpompmachine wordt echt minder als je je nu eens wat harder opstelt tegen de markt in plaats van erachteraan te rennen. Als er fatsoenlijke huren zijn, hoef jij niet meer te compenseren met huurtoeslagen. Als er fatsoenlijke lonen zijn, hoef je niet zo veel bij te plussen. En als de kinderopvang en onze gezondheidszorg niet meer gebaseerd zijn op marktwerking, wordt het stelsel doorzichtiger en krijgen we minder consumenten en meer burgers. Ik raad je echt aan om flink in te grijpen in de nieuwe markt van instantiekapitaal, waar welvarenden kennis en verzorgingsstaatkunde inkopen.

En zorg voor regels die niet zo snoeihard zijn voor burgers – het zijn mensen. Treed mensen met meer vertrouwen tegemoet, dan zullen ze jou ook meer vertrouwen. Ook al wilden ze zelf graag dat je strenger werd: nu ben je doorgeslagen. Dat vindt iedereen.[v]

Gelukkig laat je sinds kort wat vaker je menselijke gezicht zien, al wil ik je op het hart drukken: sla alsjeblieft niet opnieuw door – van al dat pendulebeleid wordt niemand beter.[vi] We hoeven niet helemaal terug naar de jaren tachtig: handhaving hoort heus in je takenpakket. En als jij mensen iets biedt – inkomen of werk – dan mag je best iets terugvragen van burgers. Dat is het principe van wederkerigheid.

Je bent overeind gebleven ondanks bezuinigingen, kritiek, nieuwe taken, consumentistische burgers, door doormodderen (muddling through), zoals dat in de wetenschap heet. Je maakt al een paar goede stappen, bijvoorbeeld door de kinderopvangtoeslag te hervormen.

Nu is het tijd voor een plan om helder en simpel te worden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid schrijft dat mensen meer grip krijgen als ze niet het zoveelste ‘grote verhaal’ horen, maar een echt plan, aansprekend en solide.[vii] Met als uitgangspunten: een simpeler, betrouwbaarder, wederkeriger verzorgingsstaat waarin professionals meer – ingekaderde – ruimte krijgen en burgers en overheid samen verantwoordelijk zijn.

Ik las net nog even terug wat ik gisteren heb geschreven, en het valt me op dat mijn dankbrief steeds meer een brandbrief wordt. Ik ben echt bezorgd. Daarom wil ik je nog graag op het hart drukken: voor een betrouwbare verzorgingsstaat zijn je frontliniewerkers doorslaggevend – koester die. Er zijn miljoenen mensen die voor je werken.

Iedereen heeft de mond vol van het belang van de uitvoering, en bij die woorden blijft het vaak. Er komt nooit boter bij de vis. Die uitvoering kan echt beter, anders bijt je in je eigen staart. Zoals Herman Tjeenk Willink schrijft: ‘De kwaliteit van de uitvoering bepaalt de geloofwaardigheid van de overheid.’[viii]

Anders gezegd: professionals hebben de sleutel in handen van een betere vertrouwensband en minder ongelijkheid in de verzorgingsstaat. Zij beoordelen of mensen daadwerkelijk hulp krijgen, al zijn er regels en wettelijke kaders waaraan zij behoren te voldoen. En zij geven uiteindelijk de hulp en de steun. Zij zijn aan zet om te laten zien dat je wél competent bent. Hoe zij handelen, is wezenlijk in het leven van veel burgers. Om vertrouwen te herwinnen, moeten de medewerkers van de verzorgingsstaat een relatie opbouwen met burgers, moeten zij kunnen laten zien dat zij verschil kunnen maken, actie kunnen ondernemen.

Dat weet je vast, en toch schrijf ik het je nog een keer. Continuïteit is cruciaal: bij iedere warme overdracht wordt het een stukje kouder. Er is te veel wisselend personeel – er kwam elke dag een andere thuiszorgmedewerker aan het ziekbed van mijn zusje, weet je nog? Dat komt door al die flexibele arbeidscontracten en door de slechte werkomstandigheden – het werken met mensen is zwaar. En het heeft ook te maken met de slechte organisatie van de verzorgingsstaat, waar mensen die bijstand nodig hebben te maken krijgen met 28 overdrachtsmomenten en talloze verschillende professionals[ix] – steeds weer het ongemak van first dates. Zorg dat mensen weer een relatie kunnen opbouwen met de handlangers van de verzorgingsstaat, dan hebben burgers minder instantiekapitaal nodig, dan leren burgers en professionals elkaar kennen.

Meer discretionaire ruimte voor sociaal professionals is nodig, want burgers moeten veel makkelijker en sneller geholpen worden. Nu is er sprake van georganiseerde hulpeloosheid van medewerkers – ze kunnen zelden zélf helpen. Hun handen zijn door strenge regels achter hun rug gebonden.

Toch moet je er dan wel voor zorgen dat mensen zich niet voortdurend geïnspecteerd en gecontroleerd voelen. Geef ruimte aan verschillen tussen burgers – de verzorgingsstaat is er niet alleen voor de ‘gemiddelde burger’. Zorg er vooral voor dat professionals niet enkel vanuit zichzelf redeneren. Natuurlijk kunnen zij goed uit hun levenservaringen putten om hun werk te verbeteren, maar dat mag niet leidend zijn voor wie de beste hulp krijgt. Dat je harder gaat lopen voor een alleenstaande moeder omdat je hetzelfde hebt meegemaakt.

Zorg ook dat medewerkers niet steeds hun eigen levensverhaal vertellen aan de cliënt. Wie zit daarop te wachten? Laat je eigen shit thuis, zeggen jongeren in de hulpverlening.[x] Professionals moeten wel naar de persoon kijken, maar het niet persoonlijk maken. ‘Afstandelijke warmte’ zou je dat kunnen noemen.

Anders gezegd: professionals horen niet alleen beter hun best te doen als er een ‘klik’ is of als ze vinden dat mensen het verdienen omdat ze hun tranen de vrije loop laten of juist superpositief zijn. Of als hun cliënten op hen lijken. Ze zijn er voor iedereen. Dus pas op, beste verzorgingsstaat: die hernieuwde professionele bevoegdheden moeten wel onder voorwaarden plaatsvinden. De ruimte van de professional is immers de onvoorspelbaarheid voor de burger: er zijn nog te grote verschillen of mensen wel of niet goed geholpen worden.

Goede, heldere beleidsregels – voor de thuiszorg, de Wmo en de nieuwe Participatiewet – waarmee burgers en professionals uit de voeten kunnen, zijn noodzakelijk. En alleen als die niet passen, dienen professionals met elkaar tot heldere morele afwegingen te komen, noem het ‘professioneel beraad’. Zoals we bij verkiezingen onze stem geven aan politici, delegeren wij op eenzelfde manier onze stem aan het grondpersoneel van de verzorgingsstaat. Zij behoren ‘geholpen en gedekt’ door professionele intervisie te kunnen afwijken en maatwerk te bieden.

Maar er is nog een tweede voorwaarde bij het vergroten van de professionele ruimte. Het gaat immers niet zozeer om individuele keuzes van professionals, het zijn maatschappelijke keuzes. Professionals zouden daarom geholpen zijn bij een beter en preciezer maatschappelijk en moreel debat over wanneer en welke hulp mensen van hen krijgen. De ‘boodschappenaffaire’ in de bijstand, waar een mevrouw lange tijd boodschappen kreeg van haar moeder en dit niet had gemeld, maakte de tongen los.

Dat is goed! Het zou prachtig zijn als het werk van al die frontliniewerkers – en al hun afwegingen – beter in beeld komen van een groter publiek. Kijk bijvoorbeeld naar het tv-programma 100 dagen in de vergeten wijk. Heb je dat zelf eigenlijk al gezien, beste verzorgingsstaat?

Waak er alleen wel voor dat sociaal professionals niet steeds nieuwe beroepsgroepen (coaches, coördinatoren, cliëntondersteuners) in het leven roepen: zo dragen ze zelf bij aan de wirwar-verzorgingsstaat. Kun je dat niet proberen te voorkomen? Uitvoeringsorganisaties moeten bovendien meer pluralisme toelaten, zowel in visies als in mensen. Als ik dat zo teruglees, klinkt het misschien abstract.

Wat ik ermee bedoel, is dat zowel contact met burgers als onderlinge gesprekken tussen medewerkers beter worden als zij verschillende ideeën, ervaringen en achtergronden hebben.[xi] Meer diversiteit in afkomst is noodzakelijk om de middenklassennorm in de verzorgingsstaat-praktijken ter discussie te stellen.

Het verminderen van de noodzaak om over instantiekapitaal te beschikken, is dus je belangrijkste opdracht. Toch zal dat altijd nodig blijven. De ongeschreven regels bespreken en soms beter uitleggen, is daarom net zo goed een cruciale taak van professionals in de verzorgingsstaat. Dus duidelijk maken waarom de kopjes niet altijd worden afgewassen als de thuiszorg over de vloer komt. Of uitleggen waarom een training wél nodig is voor een uitkeringsgerechtigde.

Een van de thuiszorgorganisaties waar ik meeliep, zag het daarom als haar taak om aan burgers de kaders van de verzorgingsstaat en de regels van de zorgverzekeringswetten aan te geven. ‘Want mensen proberen steeds de grenzen op te zoeken.’ Daar heb je wat aan, nietwaar?

Het wordt wel een lange brief, merk ik. Misschien overval ik je, maar als je zo blijft doorkwakkelen, zie ik het somber in. Ik heb het al even gehad over de principes van de verzorgingsstaat en de professionals die je moet koesteren. Nu wil ik het nog met je hebben over de burgers – ik ga mijn brief echt bijna afronden. Ik denk dat je enorm baat zou hebben bij burgers die met je meedenken en meepraten en die goed begrijpen dat de verzorgingsstaat geen optelsom is van enkel ‘eng gedefinieerde persoonlijke belangen’. Dat de verzorgingsstaat vooral het publieke belang dient.

Burgerschap gaat toch niet enkel over rechten en plichten? Het gaat toch ook over gedeelde verantwoordelijkheid? En over een overheid die daadwerkelijk openstaat voor kritische kanttekeningen en alternatieven die burgers aandragen? De verzorgingsstaat is dus gebaat bij een levendige democratie, zegt de Franse socioloog Pierre Rosanvallon over jou.[xii]

Dat betekent dat je best iets mag vragen van burgers; hier geldt evenzeer de noodzaak van ‘kritisch’ vertrouwen. Burgers moeten goed meekrijgen wat ook alweer de bedoeling ervan is. Dat geldt voor scholieren die op school informatie behoren te krijgen over de regels (‘wat moet ik doen als ik 18 word?’) en daarnaast inzicht vergaren over de achterliggende waarden, zoals solidariteit en wederkerigheid.

Datzelfde geldt voor nieuwkomers. Burgers dient dus altijd instantiekapitaal te worden aangeleerd, waarbij zowel de regels en rechten als de plichten en achterliggende gedachten van de verzorgingsstaat centraal staan. Met andere woorden: voor meer vertrouwen in de relatie tussen overheid en burger is kennisoverdracht en training over solidariteit en de verzorgingsstaat nodig.

Rosanvallon zegt dat een levendige democratie meer sociale kennis vereist. Oftewel: sociologische training voor iedereen! Dat betekent eveneens dat burgers uit de individualistische klem moeten komen. Niet leven naar de letter maar naar de geest van de verzorgingsstaat. Jij bent verstrikt in twee toxische ontwikkelingen: continue schaarste – pogingen om de uitgaven te beperken – in combinatie met een steeds verfijnder gelijkheidsstreven. Omdat je steeds selectiever en preciezer bent geworden om te zorgen dat mensen exact krijgen wat ze nodig hebben – niet minder en vooral niet meer – hebben we steeds meer regels, afbakeningen en procedures nodig en dat vraagt steeds meer verzorgingsstaat-personeel.

Als burgers zich minder zouden vergelijken met anderen, zou dit al veel rust brengen in het stelsel. Bovendien: reductie van complexiteit betekent dat er meer algemene regels komen, en die kunnen pijnlijk uitvallen voor wie er net buiten valt. Maar grenzen zijn nu eenmaal nodig om solidariteit te kunnen organiseren. Anders ruilen we de overvraagde burger in voor de overvraagde verzorgingsstaat.

Dat betekent dat burgers niet het onmogelijke moeten verlangen, namelijk dat je alle risico’s van het leven dekt en iedereen altijd exact hetzelfde krijgt. Het stelsel is er niet alleen voor henzelf, die ene persoon. Dat kun je als verzorgingsstaat best zelf wat meer uitstralen. Dus stop met die website www.mijnoverheid.nl: heb het vaker over ‘onze verzorgingsstaat’.

Misschien herinner je je de socioloog Kees Schuyt[xiii] die vaak over je heeft geschreven? Hij noemde je ‘een tragische held’; je richt jezelf te gronde doordat je door jezelf opgeroepen verwachtingen niet meer kunt vervullen. Dat moet je echt voorkomen. Je kunt niet meer beloven dat je voor alles en iedereen kunt zorgen, alleen dat als je iets belooft, je dat ook goed doet. En dat je degene die je steun het meest nodig hebben, goed helpt. Je schiet juist tekort voor de lager opgeleiden en mensen uit de lagere middenklasse. Het is evengoed tragisch als je zelfs mensen niet goed meer kunt helpen waarvoor je ooit bent ontstaan.

Beste verzorgingsstaat, ik zal nooit vergeten wat je allemaal voor me hebt gedaan. Daarom stuur ik je deze dankbetuiging zwart op wit (en ik zend maar geen sigaren mee – ik neem aan dat je niet meer rookt). Prik hem op Insta, film het voor TikTok: doe er iets mee. Of begin een actie: #ookikbengesteunddoordeverzorgingsstaat. Probeer jezelf te herpakken, je te reorganiseren. Toon je van je goede kant: iedereen eerlijk behandelen, de ongelijkheid tegengaan en vaker je menselijke gezicht laten zien.

Herstel ook de wederkerige relatie met burgers. Door waar te geven voor je geld. En burgers, op hun beurt, zullen dan vaker tevreden moeten zijn, het stelsel van solidariteit omarmen en meer begrip tonen. Want anders – vrees ik – ben je ten dode opgeschreven. Wie houdt er dan nog van je?

Ik hoop dat ik je met mijn brief heb geholpen om de juiste zetten te doen, want wij zijn samen de verzorgingsstaat.

Ik wens je veel wijsheid en daadkracht toe,

Monique Kremer,
Den Haag, 10 februari 2025

Deze brief vormt het afsluitende hoofdstuk van ‘Brandbrief aan onze verzorgingsstaat’ dat dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Van Gennep.

Noten

[i] Vrooman, C. (2016). Meedoen in onzekerheid. Verwachtingen over participatie en protectie. Oratie. Universiteit Utrecht.
[ii] Friedman, S. & D. Laurison (2019). The Class Ceiling: Why it Pays to be Privileged. Bristol: Policy Press.
[iii] ‘Instantiekapitaal is het vermogen om met instanties te dealen; dat wil zeggen dat je voldoende bureaucratische vaardigheden hebt, de weg kunt vinden en de juiste houding etaleert’, legt Monique Kremer uit aan het begin van Brandbrief aan onze verzorgingsstaat.
[iv] Parlementaire enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (2024). Blind voor mens en recht. Den Haag: Tweede Kamer; Commissie Sociaal Minimum (2023). Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
[v] Hoewel in 2023 dat percentage nog steeds royaal is maar aanzienlijk minder hoog (63%), vindt driekwart inmiddels ook dat mensen niet automatisch bestraft moeten worden met een boete. Roosma, F. (2023). Publieke opinie over de sociale zekerheid in Nederland. Trends en determinanten. Tilburg: Tilburg University.
[vi] Trappenburg, M. (2022). Pendulebeleid: veranderdrift in sociaal domein. Sociale Vraagstukken.
[vii] WRR (2023). Grip: Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
[viii] Tjeenk Willink, H. (2018). Groter denken, kleiner doen (p. 67). Amsterdam: Prometheus.
[ix] Geerling, Ray (2024). Presentatie congres Bestaanszekerheid als prioriteit. Binnenlands Bestuur en Movisie, 7 november 2024.
[x] Steenvoorde, Josine, Mark van Dijk, Lilian Linders (14 april 2020). Hulpverleners, laat je eigen shit thuis. Sociale Vraagstukken.
[xi] Zacka, B. (2017). When the State Meets the Street: Public Service and Moral Agency. Harvard University Press.
[xii] Mesters, Bas (2019, 13 november). ‘Zoek naar de onzichtbaren’. Politiek denker Pierre Rosanvallon. De Groene Amsterdammer.
[xiii] Schuyt, C.J.M. (1983). Tussen macht en moraal. Over de plaats van het recht in verzorgingsstaat en democartie. Artikelen en lezingen uit de periode 1970-1982. Alphen aan den Rijn: Samson.

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.