Het eerste kwart van deze eeuw leek de Nederlandse bevolking collectief bevangen door zwaarmoedigheid en zwartgalligheid. ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’, zo vatte oud-SCP-directeur Paul Schnabel deze gemoedstoestand ooit treffend samen. Sinds Pim Fortuins ‘puinhopen van paars’ hebben politieke partijen die op de breed levende onvrede inspelen, veel electoraal succes geboekt.
Vooral de overheid moet het daarbij ontgelden. De slepende kwesties van de toeslagenaffaire en de afwikkeling van de aardbevingsschade in Groningen hebben het beeld versterkt dat de overheid voortdurend faalt.
Buitenlanders hebben vaak moeite om het Nederlandse onbehagen te begrijpen. Immers, op veel lijstjes die de prestaties van landen vergelijken, staat Nederland in de top. Of het nu gaat om ons welvaartsniveau, de werkgelegenheid, de democratie of het geluk, Nederland blijft een van de beste landen om in te leven.
Dat betekent natuurlijk niet dat er geen problemen zijn. Maar vergeleken met de meeste landen, zijn die in zekere zin luxeproblemen. Bovendien vaak problemen die we zelf hebben gecreëerd. Soms zelfs uit angst om het in de toekomst slechter te krijgen. Om slechts één voorbeeld te noemen: al bijna een halve eeuw zijn we bezig de verzorgingsstaat te ‘hervormen’ omdat we denken dat die op de lange termijn, vooral vanwege de vergrijzing van de bevolking, niet houdbaar is. Het resultaat van die hervormingen is geweest dat we nu (in verhouding tot het bbp) bijna de helft minder uitgeven aan sociale zekerheid dan in 1983! Maar ook dat de inkomenszekerheid van de meest kwetsbare groepen in de samenleving aanzienlijk is afgenomen. En toch maken we ons nog steeds zorgen over de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in de toekomst.
De overheid mag dan soms opzichtig falen – en terecht wordt dat aan de kaak gesteld –laten we niet vergeten dat het leven zonder de overheid voor veruit de meeste mensen veel slechter zou zijn. Van onderwijs tot gezondheidszorg, van het openbaar vervoer tot welzijnswerk – in landen waar deze voorzieningen aan de markt worden overgelaten, zijn ze doorgaans slechter, duurder en minder toegankelijk.
In dit licht is het een verademing dat Nederland nu een nieuwe politieke partij kent die juist gelooft in vooruitgang, die perspectief wil bieden op een betere en socialere toekomst. Ik moet bekennen dat ik niet onmiddellijk stond te juichen toen ik de naam hoorde van de fusiepartij GroenLinks-PvdA. ‘Progressief’ is toch een wat holle en sleetse aanduiding. Alle partijen beloven hun kiezers vooruitgang. Maar als andere partijen dat vooral doen door een nostalgisch beeld van het vroegere Nederland te schetsen of door de overheid als grootste belemmering voor vooruitgang te bestempelen, is het verfrissend als een partij met overtuiging uitdraagt dat we in een welvarend land als Nederland het leven van gewone burgers beter kunnen maken als we solidariteit centraal stellen. Nu alleen nog de kiezer ervan overtuigen dat een stem op deze partij echt vooruitgang zal brengen.