De identiteitspolitiek van de Democraten, met sociale voorzieningen en programma's die ten goede moesten komen aan verschillende minderheidsgroepen en aan vrouwen, zou wel eens de doorslag gegeven kunnen hebben bij Trumps overwinningen. Laat het een les zijn voor Nederland: doelgroepenbeleid kan mensen tegen elkaar opzetten. Kies daarom zo veel mogelijk voor universele regelingen en voorzieningen die iedereen ten goede komen. Die pakken bovendien vaak sterk herverdelend uit.

Bo Rothstein 
Hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Göteborg

De kritiek op Donald Trump en het optreden van zijn regering sinds zijn aantreden is op z’n zachtst gezegd intens. Trumps agressieve gedrag jegens Volodymyr Zelensky, zijn herhaalde leugens over wie de oorlog in Oekraïne is begonnen, de gratieverlening aan gewelddadige criminelen die veroordeeld zijn voor de aanval op het Congres in januari 2021, beweringen dat hij als president boven de wet staat, dreigementen aan het adres van Denemarken en Canada, en het ontmantelen van langdurige Amerikaanse humanitaire hulp: dit alles — en meer — is internationaal scherp veroordeeld. Kritiek die overigens zowel volkomen terecht als nodig is.

Toch ontbreekt er in de bredere discussie één cruciale vraag: wat heeft de progressieve, democratische en cultureel geëngageerde elite van Amerika precies gedaan om zulke diepe woede – of zelfs regelrechte haat – op te wekken bij grote delen van de overwegend witte lagere inkomensklassen, en hen zo in de armen van een politicus als Donald Trump te drijven? Het is verbazingwekkend als je bedenkt dat Barack Obama nog niet zo lang geleden (in 2012) herkozen werd als president. Het roept de vraag op wat er in de tussenliggende jaren gebeurd moet zijn om zo’n sterke ommekeer in de Amerikaanse politiek teweeg te brengen.

Veelgenoemde verklaringen voor de opkomst van Trump zijn economische ongelijkheid en tegenspoed. Dit kan zijn aantrekkingskracht echter niet volledig verklaren, aangezien Obama slechts vier jaar na de wereldwijde financiële crisis nog werd herkozen. Ook racisme, hoewel diepgeworteld in de Amerikaanse samenleving, is geen nieuw verschijnsel. Een andere veelgenoemde factor is immigratie, maar Amerika is altijd al een land van nieuwkomers geweest. Hoewel al deze factoren zeker hebben bijgedragen, moet er nog een andere, doorslaggevende factor zijn geweest die Trump in staat stelde te winnen, niet eenmaal maar tweemaal – zelfs na het orkestreren van een illegale aanval op het Amerikaanse Congres.

Om deze verschuiving goed te begrijpen, moeten we terug naar de presidentsverkiezingen van 2016. Vroeg in de campagne beschouwden de meeste goed geïnformeerde commentatoren Trump niet als een haalbare Republikeinse kandidaat. Hij miste steun van de partijtop, had nooit een politiek ambt bekleed en beschikte niet over de aanzienlijke financiële middelen die nodig zijn voor een succesvolle presidentscampagne. Eén persoon doorzag Trumps potentieel wél al vroeg: Jim Clifton, destijds directeur van Gallup, een Amerikaans onderzoeksbureau en opiniepeiler.

Al in januari 2016, elf maanden vóór de verkiezingen, wees Clifton op een zeer verontrustende bevinding uit een Gallup-enquête: 75% van de Amerikaanse kiezers was het eens met de stelling: ‘Corruptie is wijdverbreid binnen de regering van dit land.’ Hij noemde deze perceptie een ‘grote, donkere wolk’ die boven de Amerikaanse vooruitgang hing en opperde dat dit de opkomst van een ‘niet-traditionele‘ kandidaat zoals Trump zou kunnen aanwakkeren.[1] Achteraf gezien was Cliftons inzicht opmerkelijk accuraat. Beschuldigingen van corruptie tegen de politieke elite van Washington en andere vermeend ‘elitaire’ groeperingen werden centrale thema's in Trumps succesvolle campagne van 2016, net als bij zijn kandidatuur in 2024.

Corruptie gaat volgens het grote publiek verder dan alleen omkoping. Veel Amerikanen hanteren een ruimere definitie die ook verschillende vormen van vriendjespolitiek omvat, met name binnen de publieke sector. Denk aan het aanwenden van persoonlijke connecties om je kind toegelaten te krijgen tot een populaire openbare school of een baan in de publieke sector bemachtigen terwijl je niet de meest gekwalificeerde kandidaat bent. Amerikanen zijn er in brede kring van overtuigd dat beslissingen in het publieke domein gekenmerkt moeten worden door onpartijdigheid en gelijke behandeling.[2]

Mijn stelling is dat die ervaren corruptie in de vorm van onterechte bevoordeling mogelijk doorslaggevend is geweest bij de verkiezingsoverwinning van Donald Trump in zowel 2016 als 2024. Deze visie wordt ondersteund door het veelgeprezen boek Vreemdelingen in hun eigen land. Een reis door rechts Amerika (AUP, 2017) van socioloog Arlie Hochschild.

Hochschild bracht vijf jaar door in witte arbeidersgemeenschappen in het zuiden van de Verenigde Staten. Hij ontdekte dat velen van hen vonden dat zij nu wel lang genoeg geduldig in de rij stonden te wachten op de ‘Amerikaanse droom’ – in de verwachting dat hun economische omstandigheden zouden verbeteren. Dat ze hierin keer op keer teleurgesteld werden, schreven ze toe aan uiteenlopende regelingen van de Democraten die specifiek waren gericht op het ondersteunen van minderheidsgroepen. Volgens de witte arbeidersgemeenschap die Hochschild voor zijn onderzoek sprak, konden mensen die aanspraak maakten op een minderheidsstatus feitelijk ‘voordringen’. Positieve discriminatie kwam volgens hen neer op etnische bevoordeling in plaats van selectie op basis van verdienste.

Uit enquêtes blijkt ook dat een meerderheid van de witte Amerikanen van mening is dat zij als groep zwaarder gediscrimineerd worden dan zwarte Amerikanen.[3] Hoewel deze perceptie mijns inziens losstaat van de realiteit, beïnvloedt ze niettemin het stemgedrag: kiezers baseren hun beslissingen immers niet op de objectieve werkelijkheid maar op percepties.

Hoe is deze perceptie zo wijdverspreid geworden? Een cruciale factor is dat de Democraten, met name vanuit de linkerflank, sterk leunen op identiteitspolitiek. In de praktijk heeft dit geleid tot het optuigen van speciale sociale voorzieningen of programma's die ten goede moeten komen aan verschillende minderheidsgroepen en soms aan vrouwen.

Hochschilds onderzoek laat zien dat deze op specifieke doelgroepen gerichte voorzieningen door witte arbeiders vaak worden gezien als het opleggen van oneerlijke quota voor gewilde banen of opleidingsmogelijkheden. Het heeft ertoe geleid dat veel bedrijven, universiteiten en publieke instellingen een gespecialiseerde afdeling hebben opgericht die zich toelegt op diversiteit, gelijkheid en inclusie (DEI). Het is veelzeggend dat een van Trumps eerste maatregelen na zijn terugkeer in het Witte Huis het ontmantelen van het DEI-beleid binnen de Amerikaanse federale overheid was.

De Democraten hadden er beter aan gedaan universele sociale voorzieningen in te voeren die brede lagen van de samenleving ten goede zouden komen. Nu hebben zij onbedoeld het beeld gecreëerd onder witte kiezers uit de werkende klassen dat minderheidsgroepen worden bevoordeeld – een beleidsaanpak die velen als een vorm van corruptie zien. Gerichte voorzieningen voor bepaalde doelgroepen wekken vaak argwaan op vanwege de complexe en subjectieve afwegingen om te bepalen wie ervoor in aanmerking komt: wie geldt er als ‘wit', 'zwart' of iets daartussenin?[4] En hoe bepaal je wie de voorkeur verdient?

Neem bijvoorbeeld een jonge zwarte universiteitskandidaat wiens ouders beiden hoogleraar zijn, tegenover een jonge witte kandidaat met een alleenstaande moeder die de kost verdient als schoonmaakster. Zulke dilemma's laten zien welke moeilijkheden en mogelijke legitimiteitsproblemen gepaard gaan met gerichte regelingen en positieve discriminatie. Universele regelingen daarentegen ondervinden dit soort problemen zelden, omdat ze geen grote discretionaire bevoegdheden of forse bureaucratie vereisen.[5]

Daarnaast zijn universele sociale voorzieningen, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, doorgaans juist zeer herverdelend.[6] De uitkering of toeslag is over het algemeen voor iedereen gelijk, terwijl de belastingheffing progressief of proportioneel blijft. Daardoor betalen mensen met een hoger inkomen meer dan ze ontvangen, terwijl werkende armen meer profiteren dan ze bijdragen. Dit fenomeen, ook bekend als de herverdelingsparadox, verklaart waarom landen met universele regelingen gewoonlijk méér herverdelen dan landen die uitdrukkelijk armoede willen bestrijden door de rijken zwaarder te belasten ten bate van de armen. Bovendien leveren programma's die uitsluitend op armen zijn gericht vaak kwalitatief slechtere diensten.

Het fundamentele probleem met identiteitspolitiek zit hem daarom niet in mobiliseren van mensen rond ‘identiteit’ – Europese sociaal-democratische partijen deden vroeger immers ook vaak een beroep op de identiteit van de werkende klasse – maar in de uitvoering ervan. Identiteitspolitiek zaait verdeeldheid door groepen tegenover elkaar te plaatsen, en dat ondermijnt het algemeen vertrouwen en de maatschappelijke solidariteit. In de kern draait identiteitspolitiek simpelweg om groepsbelang: ‘meer voor ons’. Het druist ook in tegen progressieve kernwaarden zoals gelijke behandeling en creëert een voedingsbodem voor verdenkingen van corruptie en oneerlijkheid. 

Hoewel het breed gevoerde protest tegen bruut politiegeweld in de Verenigde Staten volkomen terecht was, heeft het framen van dit protest als ‘zwarte levens zijn waardevol’ (‘Black Lives Matter’) in plaats van ‘elk leven is even waardevol‘ mogelijk onbedoeld de perceptie van etnische verdeeldheid versterkt. En zo zijn er veel meer voorbeelden van etnisch geladen politieke misstappen.

Het risico nu is dat de broodnodige kritiek op de regering-Trump de net zo belangrijke behoefte aan kritische zelfreflectie binnen de politieke groeperingen die een verkiezingsnederlaag hebben geleden, overschaduwt. Dat er fouten zijn gemaakt staat buiten kijf als zoveel witte kiezers uit de lagere inkomensklassen zich geroepen voelen een openlijk illiberale figuur als Donald Trump te steunen. En progressieve kringen in Europa doen er goed aan hier lering uit te trekken — als Europa weigert te leren van de Amerikaanse ervaring zou het weleens eenzelfde troebel pad in kunnen slaan.

Dit essay verscheen eerder op Social Europa onder de titel ‘Why Trump Keeps Winning: The Truth No One Admits’. Vertaling: Asaf Lahat.

Noten

[1] Robert Klitgaard (2016). Corruption and the Rise of Donald Trump.
[2] Bo Rothstein (2121). Controlling corruption. The Social Contract Approach.
[3] CNN (31 maart 2016). It’s time to talk about ‘black privilege’.
[4] Bo Rothstein en Eric Uslaner (2005). All for One: Equality, Corruption, and Social Trust.
[5] Bo Rothstein (1998). Just Institutions Matter: The Moral and Political Logic of the Universal Welfare State. Cambridge University Pres.
[6] Korpi, W., & Palme, J. (1998). The paradox of redistribution and strategies of equality: Welfare state institutions, inequality, and poverty in the Western countries. American Sociological Review, 63(5), 661–687. 

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.