De term klassenjustitie klinkt ouderwets, maar is uiterst actueel. Het bestrijden van klassenjustitie zou voor PRO een belangrijk speerpunt moeten zijn in haar politieke handelen. 

Merel van Rooy, auteur van De Boetefabriek, Van Gennep 2024

Klassenjustitie. Het woord roept beelden op van rond 1900: hartstochtelijke, soms wat verongelijkte socialisten die het onrecht van de heersende klasse aan de kaak stellen. Zoals Domela Nieuwenhuis, die vond het beeld van Vrouwe Justitia wel iets aangepast moest worden. Namelijk zo dat zij met één oog geblinddoekt zou zijn, namelijk het oog dat zich zou richten ‘naar de bezitters, terwijl het andere oog openblijft, om met alle scherpte te zien, zelfs de kleine verzuimen en misbruiken, die aan den kant der niet-bezittenden gemaakt worden.’[1] 

Tegenwoordig gebruiken de linkse partijen – behalve de SP - het woord nauwelijks meer, maar waarom eigenlijk niet? Uiteindelijk geldt: the proof of the pudding is in the eating. Biedt het begrip nog steeds een actueel verklarend kader voor de fenomenen die we vandaag zien? Klassenjustitie biedt, mits zorgvuldig gedefinieerd, een waardevol ideologisch kader. 

Over de term

Eerst een nadere blik op de terughoudendheid om de term te gebruiken. De eerste is dat de sociaal-democratie vertrouwen heeft in de democratische weg en ons rechtstatelijk bestel. Klassenjustitie wordt soms misbruikt door populisten. In september 2016 noemde Geert Wilders het ‘klassenjustitie’ dat hij vervolgd werd voor zijn ‘minder-minder’-uitspraak. 

Klassenjustitie op deze manier misbruiken, ondermijnt daarmee het vertrouwen in de rechtsstaat en reduceert het fenomeen tot een aanval op de rechtsstaat zelf. Dit misbruik is geen reden om de term dan maar in het verdomhoekje te zetten. Daarvoor heeft het te veel te bieden. 

Klassenjustitie biedt een klassen- en machtsanalyse van het recht vanuit een historisch-economisch perspectief. Groningse criminoloog R.W. Jongman maakte een onderscheid tussen klassenrecht en klassenjustitie.[2] Klassenrecht gaat over de inhoud van het recht, dus welke maatschappelijke belangen historisch in het recht dominant zijn en welke niet. Het gaat om de structurele inbedding van machtsverhoudingen in wetgeving en dus expliciet niet om een complot of een bewust bevooroordeeld wetgevingsproces. 

Neem bijvoorbeeld de dominante positie van het eigendomsrecht. De kraakbeweging bevroeg en bevocht deze dominante positie door leegstaande panden te gebruiken. Uiteindelijk is kraken weer strafbaar gemaakt. Het klassenrechtperspectief bevraagt zo’n strafbaarstelling: die is niet neutraal, maar beschermt specifiek de belangen van de bezitter ten opzichte van de belangen van mensen zonder huis. 

Klassenrecht legt ook bloot dat juridische werkelijkheden die vaak als vanzelfsprekend doorgaan, niet neutraal zijn. Zo hebben bedrijven een volledige rechtspersoonlijkheid en kunnen ze natuurlijke personen aanklagen, terwijl de meeste huisdieren en veedieren alleen een positie in het recht hebben als eigendom van een bedrijf of persoon, en hebben bossen, lucht, water, bergen en vlinders een nog schamelere juridische positie. 

Critici zullen inbrengen dat onze rechten, wetten en procedures de uitkomst zijn van een democratische ideeënstrijd. Kennelijk is de huidige rechtsorde wat we met elkaar hebben gewild en dat bevragen is in zekere zin antidemocratisch. Het klassenrecht-perspectief zet daartegenover dat de ‘ideeënstrijd’ niet plaatsvindt in een neutrale arena. Het is een thuiswedstrijd voor de conservatieven door de erfenis uit het verleden.

De voorbeelden zijn legio. Het wetboek van strafrecht kwam uit 1886 – toen alleen de witte mannelijke elite nog kon stemmen – en is pas vorig jaar herzien. De strafbaarheid van abortus komt uit een wet van 1913, toen er nog steeds geen algemeen stemrecht was. 

Dan klassenjustitie. Dat gaat over de tenuitvoerlegging van de straf. Onderzoek van het WODC, het onderzoekscentrum van het ministerie van Justitie, definieert het als volgt. ‘Klassenjustitie is selectieve rechtspleging die iemand illegitiem benadeelt wanneer die persoon niet tot de heersende klasse behoort en illegitiem bevoordeelt wanneer die persoon wel tot de heersende klasse behoort. Deze vormen van benadeling of bevoordeling kunnen illegitiem zijn op grond van het recht en/of door burgers als illegitiem worden ervaren.’ 

Deze definitie neemt alle stappen in de rechtspleging mee: strafbaarstelling, handhavingsbeleid, vervolgingsbeslissing, strafoplegging en tenuitvoerlegging. Nadat het thema zo’n dertig jaar nauwelijks aandacht heeft gekregen, trekt het onderzoek naar klassenjustitie de laatste jaren weer aan. 

Het WODC heeft recent een onderzoekslijn naar ‘selectiviteit’ in het strafrecht naar sociaaleconomische positie en etnische herkomst gestart. Onderzoekers concludeerden onlangs dat mensen met een zwakke sociaaleconomische positie structureel een ongunstigere positie hebben. Ze krijgen bijvoorbeeld vaker gevangenisstraffen opgelegd terwijl mensen met een sterke positie hun straf kunnen afkopen in de vorm van een boete of strafbeschikking. 

Hoewel migratieachtergrond een kleinere rol speelt dan sociaaleconomische achtergrond, hebben zelfs tweede generatie migranten een hogere kans op berechting door de rechter en op zwaardere straffen, ook als gecorrigeerd wordt voor sociaaleconomische positie. 

Het strafrecht pakt structureel slechter uit voor mensen van kleur en lage inkomens, zij worden vaker vervolgd en krijgen vaker vrijheidsstraffen. Ook mensen met een verstandelijke beperking zijn oververtegenwoordigd, zo heeft maar liefst 45% van de gedetineerden een licht verstandelijke beperking.[3]

Het is verbazingwekkend dat er weinig maatschappelijke ophef is over deze klassenjustitie. Vergelijk het met institutioneel seksisme. Het is inmiddels gemeengoed dat als een organisatie een volledig mannelijke raad van bestuur heeft en die zegt ‘dat komt omdat dat de beste zijn’, kritiek krijgt. Er is dan iets aan de hand met de definitie van wat ‘de beste’ is, met een bias voor mannen. De mensen in die organisatie zijn wellicht geen expliciete seksisten, maar er is wel institutioneel seksisme. We beoordelen – terecht - op uitkomsten en nemen impliciete selectiemechanismen mee. Maar als we de uitkomsten van de rechtspleging zien – de gevangenispopulatie – dan blijft ophef uit.

Jaïr Schalkwijk en Dionne Abdoelhafiezkhan laten in dit nummer van S&D zien dat dit onterecht is. Het vertrekpunt van beoordelen op uitkomsten is valide om ons strafrechtsysteem te beoordelen. Daarmee zouden we het internationaal voorbeeld van het Expert Mechanism van de Verenigde Naties volgen. Op welke manieren ons rechtssysteem impliciet de niet-heersende klasse benadeelt, laat professor criminologie Marloes van Noorloos zien in haar bijdrage aan dit nummer. 

Moderniseren van klassenjustitie

Klassenrecht en klassenjustitie bieden dus een aantrekkelijk conceptueel kader omdat het onderbelichte – en niet goed op andere wijze verklaarbare – uitkomsten verklaart. Ze bieden systeemkritiek die we serieus moeten nemen en niet zomaar kunnen negeren. Het is tijd is voor een update.
Klassenjustitie focust van oudsher op het strafrecht - onderzoeken naar het fenomeen van het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie uit 1999 en de recentere uit 2021 kiezen ook voor deze afbakening. Begrijpelijk, maar het is te smal. Klassenjustitie is een machtsanalyse, en de macht wordt allang niet meer alleen uitgeoefend via het strafrecht.

Tot de jaren tachtig was de straffende Staat alleen een zaak van het strafrecht. Alles, van verkeersovertredingen tot milieuovertredingen tot te weinig in de parkeermeter hebben gegooid, was strafrecht. Sinds de jaren negentig is het bestraffend bestuur opgekomen. Honderden instanties – van gemeenten tot inspecties - kregen boetebevoegdheden. Het strafrecht is het sluitstuk geworden van de straffende overheid. 

De repressieve verzorgingsstaat — met straffen als bijstandskortingen, automatische boetes en verhoogde premies bij wanbetaling — treft vooral mensen met weinig middelen. Zelfs als het strafrecht morgen perfect gelijk zou functioneren, zou klassenjustitie blijven bestaan zolang de ongelijkheden in het bestuursrecht en civielrecht voortduren. 

Toen de verkeersovertredingen werden overgeheveld van het strafrecht naar het bestuursrecht, ontstond er in de praktijk steeds meer benadeling van mensen zonder geld. Zo werden boetes telkens verhoogd voor de schatkist. Mensen moesten ze in één keer betalen, betalen in termijnen was van 1990 tot 2015 onmogelijk. Vandaag de dag verdrievoudigen onbetaalde verkeersboetes in twee stappen, het zijn de hoogste verhogingen van Nederland. Het niet-betalen van een boete wordt dus twee keer zo zwaar gestraft als de overtreding zelf. Van 1998 tot 2018 zijn voor 94.000 boetes mensen ‘gegijzeld’: gevangengezet om ze te dwingen de boete te betalen. 

Dat overkwam bijvoorbeeld een ondernemer uit Meppel. Hij was failliet gegaan en zat in de schulden. Hij had een boete gekregen omdat hij zijn autoverzekering van vierhonderd euro niet had betaald. Hij had niet meer in zijn auto gereden, maar de overtreding werd administratief gehandhaafd via het kenteken- en verzekeringsregister. Die boete was verdrievoudigd naar twaalfhonderd euro en hij had er nog één gekregen. Terwijl zijn kleindochter bij hem logeerde werd hij om half zes ’s ochtends van zijn bed gelicht, naar het politiebureau gebracht en in de arrestantencel gestopt. ‘Het was best een grote cel, ik zat achterin. Het ergste vond ik dat er een zakje brood zo naar binnen werd gegooid. Alsof ik een hond was.’ 

Hij werd later naar Lelystad overgebracht totdat zijn vrouw contant het geld kwam brengen, geld dat ze moesten lenen. Hij had geen rechter en ook geen advocaat gezien. Die had hij ook niet kunnen betalen. Vanaf 2014 was het niet meer mogelijk om een sociaal advocaat te krijgen voor gijzelingszaken. Een bezuinigingsmaatregel, omdat er te veel gebruik van gemaakt werd.

De praktijk van bovenstaande zaak was allemaal wettelijk geregeld, maar is dat het waard als de uitkomst is dat iemand gevangen wordt gezet zonder serieus proces voor het niet-betalen van een verzekering? Mensen met geld op hun rekening gebeurde dit niet. Bij hen werd het geld gewoon geïnd en daar stopte het proces. 

Gelukkig is sinds 2015 betalen in termijnen mogelijk en is er door protest van de kantonrechters een einde gekomen aan dit grootschalige gijzelen. Maar er zijn nooit excuses aangeboden of grootschalige onderzoeken gedaan naar (de consequenties van) deze wijdverbreide, systematische praktijk van disproportioneel staatsgeweld. Het is wat mij betreft een evident voorbeeld van klassenjustitie. Dit zijn grote woorden, maar het waren ook grote daden. 

Hoe het net kan sluiten rondom een burger, weten sociaal advocaten als geen ander. ‘De zwaardmacht van de overheid klieft in recordtempo en gecoördineerd ongenadig hard door het bestaansrecht van deze vrouw en haar twee kinderen op verschillende rechtsterreinen.’ Dat schrijft sociaal advocaat en voorzitter van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) Reinier Feiner in zijn artikel over rechtsbijstand in dit nummer van S&D. Zijn cliënt werd gepakt met een strafbaar feit, maar voordat haar zaak diende was zij al haar huis kwijt, werden haar kinderen mogelijk uit huis geplaatst en werd haar uitkering stopgezet. Allemaal terwijl haar schuld nog niet eens vaststond. Dat in Nederland ‘iedereen zijn recht kan halen’ een mythe is, laat Feiner in dit artikel glashelder zien.

Klassenjustitie alleen beperken tot het strafrecht doet dus geen recht aan de praktijk. De progressieve beweging zou zich als een bezetene moet verzetten tegen het de decennialange trend om te knibbelen aan een adequate verdediging voor mensen die de overheid tegenover zich treffen. De beweging zou solidair moeten zijn met de mensen die als ‘schuldige’ worden weggezet en worden geconfronteerd met disproportionele overheidsmacht. Klassenjustitie is een begrip dat daarbij de weg kan wijzen. 

Nog één heilig huisje 

Noch GroenLinks, noch PvdA, hebben een grote rol gespeeld in het aankaarten van het toeslagenschandaal. Een grote misser en blinde vlek van partijen die toch zeggen op te komen voor een rechtvaardige samenleving. Een beweging die vanuit klassenjustitie-perspectief opereert zou dat niet zijn overkomen. Er is nog één heilig huisje dat in de weg staat van het omarmen van dit perspectief. Dat is het geloof dat de overheid inherent goed is. 

Het is goed dat de progressieve beweging ernaar streeft dat de overheid ‘naast je staat, en niet tegenover je’ zoals PRO-wethouder Esmah Lahlah dat verwoordde, of zoals in het PRO-beginselenprogramma staat: ‘De overheid is van ons allemaal. Ze ondersteunt mensen, beschermt rechten, en zorgt ervoor dat publieke belangen voorop staan.’ 

Dat is een streven om te koesteren en een ambitie om waar te maken. Maar ondertussen moeten we niet vergeten dat hoe machtiger de overheid wordt, hoe belangrijker het wordt die macht te beperken. Niet alleen door pal te staan voor tegenmacht zoals het demonstratie- en stakingsrecht, maar ook door de overheidsmacht te begrenzen. 

Daar hebben we te lang te makkelijk over gedacht. Zo is meer dan twee eeuwen toegestaan dan de minister van Justitie het openbaar ministerie kon verplichten iemand te vervolgen. Deze aanwijzingsbevoegdheid die D66-Kamerlid Joost Sneller aan probeert te passen, heeft zijn wortels in 1826 – toen despoot Koning Willem I het voor het zeggen had. Er was toentertijd al verzet tegen maar het is er toch doorgekomen en slechts ten dele afgezwakt. Tweehonderd jaar later staan we op het punt om deze structurele zwakte uit ons rechtssysteem te halen, omdat in de woorden van Sneller, ‘de huidige tijden erom vragen’. 
De straffende overheid oefent een monopolie op geweld uit en – waar het gaat om boetes en transacties – verdient er nog aan ook. Dat verdient een kritische blik of dat wel eerlijk gebeurt. Er zijn stevige aanwijzingen dat dit niet het geval is: dat, populair gezegd, de kleine vissen gevangen worden terwijl de grote vrijuit gaan. 

Het bestrijden van klassenjustitie sluit naadloos aan bij de diverse ideologische wortels van PRO. De historisch‑economische analyse laat zien dat het recht nog altijd de vermogenden beter beschermt dan de arbeiders, wat de communisten al lang ontmaskeren. De pacifisten herinneren ons eraan dat een overheid die snel naar straf grijpt altijd gewantrouwd moet worden, omdat staatsmacht uiteindelijk op geweld rust. De groenen wijzen op de absurditeit dat bedrijven wél advocaten hebben, terwijl dieren, rivieren en ecosystemen niet voor hun rechten kunnen opkomen. En de sociaal-democraten brengen de overtuiging in dat dit geen natuurwet is: het recht kan veranderen en de democratische manier is de manier om dat te doen. Samen maken deze perspectieven duidelijk dat klassenjustitie geen ouderwets begrip is, maar een belangrijke ideologische bril kan vormen voor PRO.

Noten

[1] Tweede Kamer (1889). Vaststelling staatsbegroting voor het dienstjaar 1890
[2] Rovers, Ben (1999). Klassenjustitie in Nederland. WODC. 
[3] Sociaal web (2020). Re-integratie na detentie: Goed op weg uit de bajes. PONT Zorg&Sociaal.

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.