Meer mensen aan het werk, dat was tot nu toe het voornaamste doel van het arbeidsmarktbeleid. Het is tijd het beleid breder te trekken, en onze pijlen ook te richten op al die mensen die er niet in slagen goed werk met voldoende zekerheden te vinden, en ook om aandacht hebben voor de inhoud van werk. Dat bepaalt in hoge mate immers de kwaliteit van ons leven.

Paul de Beer is redacteur S&D, emeritus hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de UvA, verbonden aan AIAS-HSI

Meer mensen aan het werk is al decennialang een hoofddoel van het Nederlandse sociaaleconomisch beleid. Met succes. Sinds het eerste kabinet-Kok in 1994 aantrad onder het motto ‘werk, werk en nog eens werk’, is het aandeel werkenden in de bevolking van 20-64 jaar gegroeid van 66,4% naar 83,5% in 2024. Meer recent is bovendien het aantal werkenden van 65 jaar en ouder sterk toegenomen. Als gevolg van de vergrijzing zal de beroepsbevolking in de toekomst niet veel meer groeien. ‘Klassieke’ problemen als werkloosheid en onvoldoende kansen op de arbeidsmarkt lijken in de toekomst dan ook plaats te maken voor arbeidsmarktkrapte en personeelstekorten. 

Kunnen we het arbeidsmarktbeleid daarmee langzamerhand als voltooid beschouwen? Dat zou te vroeg gejuicht zijn. Doordat alle aandacht uitging naar verhoging van de arbeidsdeelname, is een aantal hardnekkige ‘oude’ problemen ten onrechte op de achtergrond geraakt. In het bijzonder gaat het om het nog altijd grote aantal mensen dat er niet in slaagt om aan het werk te komen, de toenemende spanning tussen betaald en onbetaald werk en de kwaliteit van het werk. 

Hoewel het woord ‘arbeid’ waarschijnlijk geen deel meer zal uitmaken van de toekomstige naam van fusiepartij GroenLinks-PvdA, blijft aandacht voor werk essentieel voor een progressieve partij. Daarbij dient zij niet alleen te streven naar gelijke kansen op werk voor iedereen, maar ook naar verbetering van de kwaliteit van het werk. Beide zijn essentieel voor het welbevinden van de bevolking. Een partij die sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid als centrale doelen combineert, moet ook een brede visie op werk hebben die aan beide doelen kan bijdragen. Dit themanummer van S&D vormt een pleidooi voor een breder perspectief op werk in de eenentwintigste eeuw door de aandacht te richten op de drie onderbelichte problemen rond werk.

Voorafgaand hieraan schetst Koen Damhuis in vogelvlucht de ontwikkeling in het sociaal-democratische denken over werk sinds de Tweede Wereldoorlog. Hierbij vergelijkt hij de positie van de Partij van de Arbeid met die van zusterpartijen in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. Hij laat zien hoe de sociaal-democratische visie op werk in de loop van de tijd schommelde tussen meer nadruk op collectieve factoren die (goed) werk voor iedereen in de weg staan en op de individuele verantwoordelijkheid om werk te vinden en te behouden.

Ongewild aan de kant

In de rest van het themanummer worden de drie genoemde problemen rond werk besproken. Allereerst zijn er nog altijd veel mensen die ongewild aan de kant staan. Zo’n 1,4 miljoen mensen onder de AOW-leeftijd (13% van de bevolking van 20 tot 67 jaar) is afhankelijk van een sociale uitkering, van wie een aanzienlijk deel in potentie zou kunnen werken. Dat lijkt haaks te staan op de constatering dat steeds meer mensen betaald werk hebben. Maar de groepen waarvan de arbeidsdeelname is gestegen, ontvingen voor die tijd ofwel meestal geen sociale uitkering (met name vrouwen en jongeren) ofwel een uitkering waar geen arbeidsplicht tegenover stond (met name ouderen). 

Het aantal ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering schommelt al 15 jaar tussen 800.000 en 850.000. Er zijn bijna 400.000 bijstandontvangers, 90.000 meer dan 15 jaar geleden. En het aantal werkloosheidsuitkeringen beloopt, ondanks de krappe arbeidsmarkt, ook nog bijna 200.000.[i] Bij elkaar opgeteld zijn dit er iets meer dan 15 jaar geleden. Ondanks de sterke nadruk in de sociale zekerheid op ‘activering’, is er geen echte vooruitgang geboekt. 

Het is dan ook nodig het activeringsbeleid kritisch onder de loep te nemen. Gaat het niet te veel uit van individuele tekortkomingen (opleiding, gezondheid, motivatie) als oorzaak van ‘inactiviteit’ in plaats van maatschappelijke factoren (selectiemechanismen, te weinig geschikt werk)? Hoe zou dit activeringsbeleid kunnen worden aangepast om hiermee rekening te houden? Hoe komt het dat werkgevers, ondanks de personeelstekorten, nog steeds zo streng selecteren dat lang niet iedereen kans op een baan maakt? Moet de druk op werkgevers om mensen met ‘een afstand tot de arbeidsmarkt’ aan te nemen worden vergroot?

Over dit vraagstuk gaan twee artikelen in dit nummer. Sylvie Boermans en Roland Blonk signaleren een aantal zwaktes in de vormgeving van het activeringsbeleid van de afgelopen decennia. Zij pleiten voor een andere benadering, waarin meer aandacht is voor professionalisering van uitvoerenden, waar werkgevers structureel bij worden betrokken en waarin het bieden van waardig werk als een collectieve opdracht wordt gezien. 

Op de rol van werkgevers gaat Hans Bosselaar in zijn bijdrage dieper in. Hij wijst op de ‘vanzelfzwijgendheid’ in selectieprocedures, waardoor bepaalde groepen minder kans maken om te worden aangenomen dan andere. Dat gebeurt vaak niet bewust, maar door standaardprocedures waarvan men zich niet realiseert dat deze ten nadele van bepaalde groepen werken. Ook zijn de mensen in een organisatie die verantwoordelijk zijn voor de werving, vaak geneigd kandidaten te selecteren die op hen lijken en met wie zij een ‘klik’ hebben. Bosselaar vindt dat de overheid de taak heeft om te stimuleren dat deze ‘vanzelfzwijgendheid’ wordt doorbroken, door normen te stellen, transparantie te eisen en individuen te ondersteunen die hieraan kunnen bijdragen. 

Betaald versus onbetaald werk

Een tweede probleem betreft de verhouding tussen betaald en onbetaald werk. Als we constateren dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking sterk is gestegen, lijkt het alsof de nieuwe werkenden voordien niets deden. Dat is in de meeste gevallen natuurlijk niet zo. Zo waren honderdduizenden vrouwen die tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden, vroeger verantwoordelijk voor het onbetaalde werk: huishoudelijk werk, verzorging van kinderen, mantelzorg, vrijwilligerswerk. 

Als we het over werk hebben, gaat het echter bijna altijd over betaald werk. En als we zeggen dat meer mensen werken dan vroeger, vragen we ons maar zelden af wat dit betekent voor het onbetaalde werk. Toch is het onbetaalde werk onmisbaar om de samenleving draaiende te houden. Zonder onbetaald werk komt ook de formele economie knarsend en piepend tot stilstand. Naarmate meer vrouwen en ouderen (die ook veel mantelzorg en vrijwilligerswerk doen) betaald werken, is meer aandacht voor onbetaald werk hard nodig. Mannen nemen maar mondjesmaat meer onbetaald werk op zich nu vrouwen meer betaald werk doen.

Steeds meer werkenden combineren een betaalde baan met onbetaalde zorgtaken. Maar er zijn weinig faciliteiten die dat ondersteunen. Als puntje bij paaltje komt, gaat het betaalde werk voor. Is het niet hoog tijd onbetaald werk – en in het bijzonder onbetaalde zorg – dezelfde waardering te geven als betaald werk? Moeten werkenden niet meer mogelijkheden krijgen om tijdelijk minder uren betaald te werken als de onbetaalde (zorg)taken daarom vragen? Of is het beter, zoals in de Scandinavische landen, om onbetaalde zorg te betalen? 

Lynn Berger schreef hierover een mooi essay. In dit nummer is een interview met haar opgenomen, waarin zij uitlegt waarom volgens haar de belangrijkste strijd van deze tijd de strijd tussen betaald en onbetaald werk is.

Meer aandacht voor kwaliteit van werk

Een derde probleem betreft de kwaliteit van het werk. Veel banen die er de afgelopen decennia zijn bijgekomen, zijn geen goede, waardevolle banen. Een groot deel van de banengroei bestond uit flexibele banen (tijdelijk, oproep, uitzend), terwijl ook het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers), die nauwelijks sociale bescherming hebben, sterk is gegroeid. Ook het aandeel laagbetaalde banen is toegenomen. 

Lange tijd leek het er alleen om te gaan dater banen bijkwamen en leek de kwaliteit er niet toe te doen. De laatste jaren is er terecht meer aandacht gekomen voor de vraag om wat voor werk het gaat. De nadruk ligt daarbij op de arbeidsvoorwaarden – loon, contractvorm, werktijden – en de arbeidsomstandigheden – de fysieke en de psychosociale belasting. Dat zijn inderdaad belangrijke aspecten van goed werk, die meer aandacht verdienen. Maar ze gaan vooral over de opbrengst van het werk en de condities waaronder het wordt verricht. Ze gaan niet over de inhoud van het werk. 

Anders gezegd, ze gaan voorbij aan de vraag of de uren die we op ons werk doorbrengen, ook ‘goede’ uren zijn. Van elke drie uur dat we wakker zijn, werken we er gemiddeld één.[ii] Het lijkt alsof dat er niet toe doet, zolang dat ons maar in staat stelt tot een comfortabel leven in die andere twee uren. Zouden we er niet naar moeten streven ook de gewerkte uren tot een aangenaam deel van de dag te maken? Dan moeten we meer aandacht geven aan de arbeidsinhoud en de verhoudingen tussen collega’s en met leidinggevenden. Is het werk inhoudelijk leuk en uitdagend? Biedt het ontplooiingsmogelijkheden? Is het maatschappelijk zinvol werk? Is de relatie tussen medewerkers onderling goed? Krijgen zij van hun leidinggevende de ruimte om zelf over hun werk te beslissen?

De laatste twee artikelen in dit themablok richten zich op deze aspecten van de kwaliteit van het werk. Peter Oeij, Frank Pot en Gerben Hulsegge concentreren zich op de meer objectieve aspecten, in het bijzonder de verhouding tussen de taakeisen en de regelmogelijkheden in het werk. Zij constateren dat maar een op de zeven werknemers uitdagend werk heeft, dat wil zeggen dat er hoge eisen worden gesteld, maar dat men ook veel regelmogelijkheden heeft. Tegelijkertijd neemt het aandeel werkenden met burnout-klachten toe. 

Ik richt mij zelf op de meer subjectieve dimensie van de kwaliteit van het werk. In het bijzonder ga ik na welke werkaspecten de tevredenheid met het werk en met het leven bepalen. Ik laat zien dat de inhoud van het werk – inhoudelijk leuk werk en ontplooiingsmogelijkheden – en de sociale relaties op het werk hiervoor van groot belang zijn. Wie slecht werk heeft, is gemiddeld minder tevreden met zijn of haar leven dan een werkloze of arbeidsongeschikte. 

Beide artikelen pleiten ervoor om de inhoud van het werk meer centraal te stellen in het arbeidsmarktbeleid. Hoewel dit in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van werkgevers, zou de overheid hen hiertoe meer moeten aansporen. Zo zou het in de arbeidsomstandighedenwet expliciet als een taak van werkgevers kunnen worden opgenomen. 

Bij de vormgeving van het economisch structuurbeleid zouden ook de gevolgen voor de kwaliteit van het werk een belangrijke rol moeten spelen. Nederland zou veel meer moeten aansturen op een ‘high road’ strategie, waarin bedrijven niet primair concurreren op loonkosten, maar op hoogwaardig, productief en waardevol werk.[iii] Zo kan verbetering van de kwaliteit van het werk integraal onderdeel worden van een beleid gericht op duurzame brede welvaart voor iedereen.

Noten

[i] Cijfers van het CBS (Statline).
[ii] Iemand die 8 uur per dag slaapt, is 102 uur per week wakker. Gemiddeld werken betaald werkenden zo’n 32 uur per week, dus bijna een derde daarvan.
[iii] Ruth Milkman (1998). The New American Workplace: High Road or Low Road?

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.