Niets is zo funest voor de samenhang in onze samenleving als de neiging mensen altijd maar weer in te delen op basis van ‘culturen’. Daar tegenin gaan is niet makkelijk; zeker niet voor de PvdA die verheerlijking van de multiculturele samenleving wordt verweten. Toch is dat wat er moet gebeuren.
Vooral in verkiezingstijd hoor je het. Kreten als ‘Onze nationale identiteit is in gevaar’ en ‘We worden geïslamiseerd’. In feite is dit soort retoriek erop gericht ons zelfbeeld te versterken en anderen buiten te sluiten. Dat steeds opnieuw duidelijk maken is belangrijk. Want over welke nationaliteit hebben we het? En over welk gevaar?
Máxima, toen nog prinses, had groot gelijk toen ze bij de presentatie van een WRR-rapport in 2007 zei: ‘Dé Nederlander bestaat niet.’ Er ontstond een enorme commotie over dat zinnetje. Maar wat de Nederlandse identiteit dan wel is, kwam niet duidelijk naar voren in de landelijke discussie die volgde.
Onze historie bekijkend zou onze nationale identiteit weleens kunnen zijn: het omgaan met diversiteit.
Flip van Dyke – in de media bekend als factchecker van migratiecijfers - heeft onderzoek gedaan naar de immigranten die in het buitenland geboren zijn en die ten minste één ouder hebben die ook in het buitenland geboren is. Dus naar de eerste generatie ‘allochtonen’ onder de immigranten – om de formulering autochtoon/allochtoon nog maar even te gebruiken. Niet naar de autochtonen (zelf en beide ouders in Nederland geboren). En ook niet naar de tweedegeneratieallochtonen (in Nederland geboren en ten minste één ouder in het buitenland geboren) die eerder zijn geëmigreerd en terugkeren naar ons land. Om aan te geven hoe belangrijk dit onderscheid is: in 2015 waren 30.000 van de 200.000 immigranten in Nederland geboren. Als je kijkt naar de aantallen immigranten (eerstegeneratieallochtonen) uitgesplitst naar geloof, zie je het volgende. In de periode 1996-2015 kwamen er in totaal 2.133.000 eerstegeneratieallochtonen naar Nederland. Hieronder waren 1.162.000 (54%) christenen en 546.000 (26%) moslims. Deze cijfers zijn dus ontleend aan het werk van Flip van Dyke.
Steeds opnieuw duiken afschrikwekkende verhalen op over de eeuwenlange strijd tussen christenen en moslims. Genoemd worden dan altijd de slag bij Poitiers tussen moslimtroepen en Karel Martel (in 732) en de belegering van Wenen door de Ottomanen (in 1529 en 1683). Maar zowel bij Poitiers als in Wenen was sprake van een geopolitieke machtsstrijd, niet van een religieuze strijd.
Bij al die verhalen over de strijd tussen moslims en christenen is het ook goed om enige kennis te hebben van de periode dat, onder moslimbewind, moslims, christenen en joden vreedzaam samenleefden in Andalusië, ofwel Spanje (circa 750-1492). En vooral ook van wat er daarna gebeurde toen de christenen weer aan de macht kwamen: de massale verdrijving van joden en moslims. Ook de manier van samenleven van geloofsgroepen in het Ottomaanse Rijk wordt weleens vertekend beschreven. Een feit is bijvoorbeeld dat veel joden na de Andalusische tijd naar het Ottomaanse Rijk vluchtten.
Cultuurdenken
Niets is zo funest voor de samenhang in onze samenleving als het huidige cultuurdenken. Er is enige moed voor nodig om je als politieke partij hierover duidelijk uit te spreken. Het is namelijk ‘ingebakken’ in onze samenleving. Toch moet onze partij hierin het voortouw nemen.
Bij cultuurdenken wordt uitgegaan van de verouderde visie op cultuur (onveranderlijk en allesbepalend). Vervolgens worden personen ingedeeld op basis van culturele kenmerken en op geloofskenmerken. Waarbij ‘onze cultuur’ als superieur en die van de ‘anderen’ als ‘minder ver’ worden gekarakteriseerd. Het gevolg is dat mensen als groep worden aangesproken. En omdat onze Nederlandse cultuur in het cultuurdenken superieur is, wordt de groep ‘anderen’ beschreven als er (nog) niet bij horend. Eerst moeten zij ‘worden zoals wij’. Bij alles wat er fout gaat, is de reden het ‘niet geïntegreerd zijn’. Het aanspreken als groep leidt tot een enorme stigmatisering, tot het op afstand zetten van migranten en migrantenkinderen van de rest van de samenleving.
Met een eigen geluid over integratie kan de PvdA ingaan tegen het idee dat de ‘cultuur van mensen’ onveranderlijk en allesbepalend is. De mens is niet eendimensionaal. Mensen hebben wedijverende identiteiten, bepaald door hun verblijfplaats, geografische oorsprong, geslacht, sociale status, opleiding, politieke kleur, hobby’s en, ja, ook door religie.
Het heersende idee is dat integratie staat voor sociaal-culturele integratie. Twintig jaar geleden kwam deze ‘integratie nieuwe stijl’ tot stand. Sociaal-culturele integratie houdt in dat nieuwkomers zich moeten identificeren met Nederland en zich volledig moeten aanpassen aan de zogenaamde Nederlandse cultuur.
Laat het duidelijk zijn dat je vermeende identiteitsverschillen tussen groepen niet kunt opheffen door één groep (de nieuwkomers) te dwingen om te assimileren, om ‘echte Nederlander’ te worden. Zelfs als je dat zou willen, is het onmogelijk mensen tot assimilatie te dwingen. Het streven naar assimilatie heeft, net als stigmatisering op basis van cultuurdenken, een fataal effect op de wederzijdse acceptatie van mensen. De samenleving tot een goed functionerend geheel maken is de verantwoordelijkheid van iedereen. Maar een samenleving die ‘een geheel’ vormt, betekent zeker geen samenleving bestaande uit personen die allemaal ‘hetzelfde’ zijn qua idealen, zeden en gewoonten. Om succesvol te kunnen samenleven is het wel nodig dat ook nieuwkomers het gevoel krijgen erbij te horen; ze moeten de ruimte krijgen voor hun aanpassing, ook in de publieke ruimte. Ze moeten als individu benaderd worden, niet als groep. En de discussie over de maatschappelijke problematiek moet gevoerd worden op basis van kennis van zaken.
De mythe van de multiculturele samenleving
De beschuldiging dat de PvdA de ‘multiculturele’ samenleving heeft verheerlijkt, is maar heel zwak weersproken. Duidelijk is hier sprake van een discours waarin het verleden met opzet onjuist beschreven wordt - een counterdiscours - met als doel stemmenwinst van andere partijen. Om te beginnen wordt met het begrip ‘cultuur’ in ‘multicultureel’ uitgegaan van de verouderde, essentialistische interpretatie van cultuur: culturen zijn onveranderlijk en alles van A tot Z bepalend. Het is de aanname dat alles wat iemand doet een gevolg is van zijn of haar cultuur of geloof. Deze visie op cultuur staat tegenover de constructivistische visie: culturen worden door mensen gemaakt en zijn door en door veranderlijk. Iedere dag ontstaan nieuwe (meng)culturen. De laatste visie is wetenschappelijk aanvaard.
In het counterdiscours staat een ‘multiculturele samenleving’ dus voor een samenleving bestaande uit groepen met een onveranderlijke, allesbepalende cultuur. Onmogelijk! Ook in de hoogtijdagen van de verzuiling zat onze samenleving niet zo in elkaar. Interessant is dat men vroeger (eind vorige eeuw) wat dit betreft veel minder suggestief was dan nu. In integratiestukken is de term multicultureel nauwelijks gebruikt, zeker niet in de huidige verdraaide betekenis. En als hij gebruikt werd, stond hij meestal voor multi-etnisch.
Meestal wordt als ‘bewijs’ voor het streven naar een multiculturele (in de onmogelijke betekenis) samenleving het beleid van ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ aangevoerd. Ook daar leert bestudering van de integratiegeschiedenis iets anders dan gesuggereerd wordt. In de jaren zeventig werd ‘behoud van eigen identiteit’ toegepast op de gastarbeiders omdat de gedachte was dat het inderdaad ‘gastarbeiders’ waren. Ze zouden terugkeren naar hun geboorteland. Begin jaren tachtig wordt meestal aangegeven als de periode waarin voor migranten die in Nederland zouden blijven de ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ hoogtij vierde.
Maar al in 1979 werd in het WRR-rapport Etnische minderheden afscheid genomen van deze manier van denken: ‘Tot op heden werd de slogan “integratie met behoud van eigen identiteit” gehanteerd, maar we hebben gezien dat een dergelijk vage middenweg in de praktijk moeilijk te hanteren valt; in een perspectief van lang of permanent verblijf bijten de twee begrippen elkaar.’
Tweede voorbeeld. In de Minderhedennota die het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1983 publiceerde, staat het volgende: ‘Wanneer waarden en normen van minderheidsgroepen uit de eigen oorspronkelijke cultuur strijden met die van de gevestigde normen van onze pluriforme samenleving en deze voor de Nederlandse samenleving als fundamenteel worden beschouwd, zullen degelijke aanpassingen nauwelijks mogelijk zijn. […] De cultuur van de meerderheid ligt immers verankerd in de Nederlandse samenleving.’
Derde voorbeeld. Op 19 januari 2004 presenteerde de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid onder voorzitterschap van Stef Blok, haar eindrapport over het integratiebeleid in Nederland van de afgelopen dertig jaar. Tegenover de commissie-Blok merkte voormalig beleidsambtenaar Koolen (Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden, ministerie van Binnenlandse Zaken/ministerie van Justitie) op dat al in de Ontwerp-Minderhedennota van 1981 was geschreven dat de slogan ‘behoud van eigen identiteit’ bepaald niet loepzuiver is. In die Ontwerp-Minderhedennota stond dat cultuur zich ontwikkelt en dat integratie met respect voor de ontwikkeling van de cultuur nog zou kunnen, maar die slogan niet.
Vaak worden de jaren tachtig getypeerd als een periode van cultuurrelativisme, als een verwijt aan links. Het idee dat alle culturen als gelijkwaardig werden gezien. De integratiearchieven wijzen uit dat dit weer zo’n kreet uit het counterdiscours is. Een rol kan gespeeld hebben dat in die periode kritiek op de ‘cultuur van anderen’ geïnterpreteerd kon worden als racisme. Het was de tijd dat de Centrumpartij een zetel in de Tweede Kamer haalde.
De zorg om politiek racisme was ook de oorzaak van de kortdurende omslag in de houding van de PvdA ten opzichte van ‘eigen organisaties van migranten’, in 1984. In Standpuntfolder 4 over ‘De PvdA en de buitenlanders’ staat dat de PvdA ervan overtuigd is ‘dat integratie van de verschillende etnische groepen in onze samenleving het best kan plaatsvinden via de weg van de emancipatie’. Omdat ‘ervaringen met emancipatieprocessen van andere groepen in de maatschappij hebben geleerd dat behoud van de eigen identiteit hierbij zeer belangrijk is’.
In een PvdA-rapport van Rombouts (1992) en vooral dat van de Tweede Kamerfractie van de PvdA onder leiding van Thanasis Apostolou (1993) is de benadering alweer totaal anders.
De PvdA bleef in deze periode vaak sterker dan de VVD en D66 vasthouden aan het collectieve element van emancipatie. ‘Belangenorganisaties’ blijven nodig om ‘toegeschreven stereotypen af te breken’ en om ‘een plaats voor migranten te bevechten in alle maatschappelijke verbanden en op alle niveaus’.
Naast de slogan ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ wordt vaak het onderwijs in de eigen taal en cultuur als ‘pamperingspunt’ genoemd. Twee opmerkingen hierover. Het onderwijs in eigen taal en cultuur kreeg pas echt gestalte onder VVD-minister Pais (Onderwijs, 1977-1981). Bovendien nam het een marginale positie in vanwege de beperkte omvang. Surinamers en Antillianen waren namelijk uitgesloten. Het onderwijs in eigen taal en cultuur kon alleen gegeven worden als er meer dan tien leerlingen van één taalgroep op een school zaten. Ook het aantal beschikbare uren was gering: maximaal 2,5 uur per week.
Het uitgetrokken bedrag was bovendien lang niet voldoende. Er werd weinig gecontroleerd op inhoud en niveau. Het werd niet echt serieus genomen door het ministerie van Onderwijs. Dat blijkt ook uit het feit dat een grote groep kinderen van Berberafkomst geen onderwijs in de moedertaal kreeg. Zij kregen les in het Arabisch, voor hen een tweede vreemde taal.
De meeste verwijten die de PvdA gemaakt worden als het over integratie gaat, slaan op de periode begin jaren tachtig. Boeiend is dat juist in die periode een PvdA-rapport verscheen waarin heel verstandige, moderne (in de goede betekenis van het woord) denkbeelden verwoord werden. Ik doel op het rapport Meer voor minder van de Kommissie Kulturele Minderheden, onder leiding van Henk Molleman. Eén rapport hoeft natuurlijk niet de mening van alle PvdA’ers weer te geven. Maar het was een richtinggevend rapport - de verkiezingsprogramma’s van 1981 en 1982 waren erop gebaseerd – en het vertolkte een duidelijk eigen geluid. Het zou goed zijn als huidige PvdA-politici dit rapport zouden lezen om beter op de beschuldigingen van ‘aanbidding van de multiculturele samenleving’ en ‘cultuurrelativisme’ te kunnen reageren.
Allochtonen en autochtonen moeten zich volgens Meer voor minder ‘kunnen ontplooien op hun eigen wijze, zonder zich af te zetten tegen of af te sluiten voor andere groepen’. De oprichting van ‘eigen (strijd)organisaties’ wordt bevorderlijk geacht voor de ‘emancipatiestrijd’.
‘Aan de andere kant moeten we er ons van bewust zijn dat aan zulke eigen organisaties ook bezwaren kleven. Ze kunnen ertoe bijdragen, met name als de nadruk eenzijdig valt op de culturele eigenheid, dat groepen zich van de Nederlandse samenleving isoleren, terwijl de leden van die groep hun bijdrage toch aan de ontwikkeling van die samenleving moeten leveren. Het kan gebeuren - en daarvan zijn voorbeelden - dat dergelijke organisaties eng-nationalistische en/of ondemocratische doelstellingen hebben of dienen. Is dat het geval, dan verdienen zij geen steun.’ (p. 7)
De Kommissie Kulturele Minderheden was uiterst modern in haar opvatting van het cultuurbegrip, zij gaat duidelijk uit van een dynamische opvatting van identiteit en cultuur:
‘In noodsituaties wordt i.h.a. vaak teruggegrepen op oude waarden en normen uit religie en cultuur, en zo zullen ook etnische minderheden, ter wille van het beleven van de eigen identiteit, terug willen grijpen op oude gewoonten en gebruiken die veelal haaks zullen staan op de oudsher in Nederland geldende normen en waarden. De begrijpelijke en gerechtvaardigde eis tot behoud van eigen identiteit - nodig om zich een zelfstandige plaats in de Nederlandse samenleving te veroveren -, kan op die manier tegelijkertijd de bron van nieuwe moeilijkheden worden. […] Nu omvat het begrip “beleven van de eigen identiteit” meer dan het koesteren van oude normen en waarden uit cultuur en religie. De “eigen identiteit” is immers geen statisch gegeven, maar ontwikkelt zich voortdurend in een proces van ervaren en verwerken - zowel individueel als groepsgewijs - van nieuwe sociale, economische, culturele, religieuze en historische achtergronden, impulsen en verworvenheden. […] Wil dat proces van wederzijdse beïnvloeding zich echter daadwerkelijk gaan afspelen, dan dient voldaan te zijn aan twee noodzakelijke voorwaarden: de Nederlandse samenleving moet zich open stellen voor een voortdurende dialoog met de etnische minderheden, en zal daartoe aan hen van het begin af aan de ruimte moeten geven tot het beleven van de eigen cultuur en religie.’ (p. 21)
Het rapport verwoordt op een eigentijdse manier de gevolgen van de uitbreiding in het PvdA Beginselprogramma van de traditionele strijd als arbeiderspartij, tot een strijd voor allen:
‘[Het uitbreiden van die strijd] maakt het verbeteren van de positie van de etnische minderheden tot een logische, hoge prioriteit. De praktische uitwerking van een beleid gericht op het verbeteren van die positie, moet wel voortdurend getoetst worden aan de ideologische uitgangspunten en op negatieve bij-effecten, voor de minderheden zelf en voor achtergebleven kansarme groepen van de oorspronkelijke Nederlandse bevolking. De aanwezigheid van de etnische minderheden heeft immers de problematiek van Nederlandse sociaal zwakke groepen nog eens extra onderstreept. Die groepen voelen de komst van de vreemdelingen als een bedreiging. Ze zien hen als concurrenten, op het terrein van werk, huisvesting of onderwijs en door hun aanwezigheid verandert het karakter van de eigen wijk of buurt drastisch door de vreemde gewoonten en gebruiken. Er moet dan ook een actief kansarmenbeleid worden ontwikkeld voor etnische minderheden en hun “buren”.’ (p. 71)
Vaak komt in teksten van de partij een zinsnede voor met de strekking dat zij voorstander is van ‘een algemeen achterstandsbeleid omdat daarmee wordt voorkomen dat mensen die in een moeilijke positie zitten tegen elkaar worden opgezet’.
Het respecteren van gelijke rechten op ontplooiing van vrouwen en jongeren wordt verder van groot belang geacht. ‘Tot de cultuur van de meeste etnische minderheden behoort het autoritaire gezag van de man over de vrouw, van ouderen over jongeren en van ouders over hun kinderen. Met name op dit punt kunnen de eigen normen op den duur bezwaarlijk geheel gehandhaafd worden, zoals de oorspronkelijke samenleving - waarin dergelijke normen ook bestonden of nog bestaan - eveneens ervaart. Er zou voor de jongeren een veel te groot verschil ontstaan tussen de verhoudingen thuis en daarbuiten en dat kan tot aanzienlijke spanningen leiden. Strakke handhaving van de eigen normen op dit gebied betekent voor grote groepen onder de minderheden de praktische onmogelijkheid om te emanciperen’.
Tot slot nog een opmerking over de actieve regeringsdeelname van de PvdA in de tijd van ‘multiculturalisme’. Het kabinet-Den Uyl (1973-1977) lag vóór de tijd van de minderhedenpolitiek. PvdA zat één jaar in kabinet Van Agt II (1981-1982). Daarna ging zij pas in 1989 weer regeren, in het derde kabinet-Lubbers. Ook vanuit dat oogpunt is het merkwaardig dat vooral de PvdA verantwoordelijk wordt
gehouden voor het integratiebeleid van de jaren tachtig.
Inburgeringsbeleid
Januari 2017 bracht de Algemene Rekenkamer het alarmerende Rapport Inburgering uit. Het was de eerste evaluatie van de aantallen inburgeringsexamens die sinds 2013 zijn afgelegd, toen de Wet inburgering 2013 werd ingevoerd. De standaardtermijn om aan de inburgeringsplicht te voldoen is drie jaar.
Van de groep migranten die in het eerste halfjaar van 2013 inburgeringsplichtig werd, is anno 2016 33% binnen de inburgeringstermijn geslaagd, 50% moet nog aan die plicht voldoen, 17% hoeft geen inburgeringsexamen te doen, 2% is niet meer inburgeringsplichtig, 3% heeft ontheffing en 12% is vrijgesteld. Van de geslaagden heeft 98% het examen op het minimale verplichte taalniveau A2 gehaald en dus maar 2% op een hoger niveau.
Tamar de Waal, gepromoveerd op deze materie, schetst hoe de eerste inburgeringsverplichtingen,
die dateren van 1998, in 2003 werden aangescherpt.
Sinds 2013 moeten alle inburgeringsplichtigen zelf taal- en inburgeringslessen bij private organisaties regelen en ook zelf betalen.
In 2017 kwam hier ook nog de participatieverklaring bij, die verplicht moet worden ondertekend.
Niet tekenen leidt tot boetes variërend van € 340 tot € 1250.
- De overlap tussen de participatieverklaring en bestaande inburgeringsvereisten.
- De dwang om te tekenen, of nu echt ingestemd wordt of niet.
- Er wordt later niet gemeten of de migranten zich echt ‘inzetten voor de maatschappij’ (daar hebben ze voor getekend). Dus er is sprake van een ‘tandeloze tijger’ en symboolpolitiek.
En zij constateert de volgende principiële bezwaren:
- De participatieverklaring is in strijd met fundamentele waarden, namelijk met de vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst en de vrijheid van meningsuiting.
- De participatieverklaring tast gelijkwaardig burgerschap aan. Personen met een migratieachtergrond moeten ideale burgers zijn voordat zij hun Nederlanderschap verdienen. Dat principe geldt niet voor
- personen zonder migratieachtergrond.
- Er zijn voor het Rijk kosten aan verbonden. Per asielmigrant is hiervoor € 2370 uitgetrokken. Dit kan veel beter worden geïnvesteerd in structurele integratie, zoals het opheffen van de kwalijke effecten van privatisering, van de eis van ‘zelf regelen’ aan inburgeraars.
‘Flows and closures’
In het Engels hebben ze een duidelijke karakteristiek voor de tijd waarin wij nu leven: ’flows and closures’. Een stroom van veranderingen (flows) met als gevolg uitsluitingen (closures).
In de geïndividualiseerde samenleving heeft in de gedachten van velen een (denkbeeldige) groepsvorming plaatsgevonden, met een groep geëmancipeerden en een groep ongeëmancipeerden. De geëmancipeerde ‘wijgroep’ zijn de Nederlanders die zichzelf als vrij, zelfstandig, ruimdenkend, ontzuild, vaak seculier, modern, individualistisch beschouwen. De zij-groep zijn de ongeëmancipeerde migranten (en hun nakomelingen).
We kunnen weer uit het diepe dal klauteren waar we in zitten, door onze nationale identiteit waar te maken: het omgaan met diversiteit. Belangrijk is het besef dat indelingen niet nieuw zijn. Een voorbeeld van een eerdere ‘indeling’ in de maatschappij zijn de ‘onmaatschappelijken’ aan het begin van de negentiende eeuw. Veel Nederlanders die toen naar de Verenigde Staten emigreerden, deden dat vanwege het verlangen niet meer als tweederangsburger te worden gezien.
Sociaal-democraten kunnen niet toestaan dat nieuwkomers in ons land worden misbruikt om ons eigen zelfbeeld te bevestigen en te versterken. Uiteraard moet iedereen zich aan de wet houden en aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Geen misverstand over het feit dat het rijtje van vier heilig is: rechten van de vrouw; rechten van homo’s en lesbiennes; scheiding van kerk en staat; vrijheid van meningsuiting. Dat behoeft geen betoog.
Doorbraakpartij
De PvdA is begonnen als doorbraakpartij, en dat zou ze nog steeds moeten willen zijn. Alle maatschappelijke groeperingen zijn van oudsher welkom in de partij. Hopelijk is dat nu nog steeds zo. De opkomst van een partij als DENK mag ons best tot nadenken aanzetten. Die heeft duidelijk gemaakt dat we geen echte doorbraakpartij meer zijn. We zijn een groot deel van onze gelovige kiezerspopulatie kwijtgeraakt. Zoals we vroeger de confessionele werkgroepen (de Werkgemeenschappen) hadden, moeten ook nu geloofsgroepen hun ‘thuis’ in onze partij kunnen vinden.
We moeten weer een partij worden waarin de sociaal-democratische beginselen aantrekkelijk zijn voor iedereen in de samenleving. Al of niet met migratieachtergrond. Dat betekent niet dat we als doorbraakpartij niet seculier zouden zijn. Onze partij wordt niet beïnvloed door een kerk of geloof.
Angst voor stemmenverlies mag nooit reden zijn mee te deinen met de holle kreten over cultuur en identiteit. Juist in deze tijd van polarisatie is het zinvol terug te denken aan de begintijd van de partij. De PvdA kwam op 9 februari 1946 tot stand door een fusie van SDAP, VDB (Vrijzinnig Democratische Bond) en CDU (Christen-Democratische Unie). Een belangrijke groep, verenigd in de NVB (Nederlandse Volksbeweging), sloot zich aan.
Om te laten zien dat de PvdA zeker geen gelovigen uitsloot, en ook heden ten dage niet moet uitsluiten, een paar zinsneden uit Program en toelichting van de Nederlandse Volksbeweging uit 1945. Dit program was natuurlijk geen PvdA-programma, maar hierin komen de ideeën van Banning en Schermerhorn wel goed tot uiting. Een belangrijk punt van zorg voor Banning was de ‘geestelijke verwildering’ ten gevolge van de oorlog en de bezetting, die vooral de jeugd bedreigde. De bestrijding hiervan moest vooral uitgaan van de kerken:
‘Terecht zullen overtuigde christenen opmerken, dat het overwinnen van de geestelijke crisis in de wereld een te zware taak is voor mensen; dat de werking van Gods Heiligen Geest hier de beslissende factor zal zijn. […] Volgens Evangelische opvatting immers zijn de zedelijke normen eisen Gods, aan mens en mensheid gesteld. […] Deze erkenning is voor den gelovige eenvoudige eis van dankbaarheid en gehoorzaamheid. Wij weten echter, dat zij staan naast anderen in ons volk, die de noodzaak van geestelijke vernieuwing en eendrachtige samenwerking evenzeer gevoelen en normen van waarheid, barmhartigheid, gerechtigheid, goede trouw, evenzeer als volstrekt erkennen, deze echter op andere wijze funderen, b.v. in een humanistische overtuiging of in de Joodsche godsdienst. Wij zien deze beide groepen, christenen of niet-christenen, als geheel volwaardige medewerkers in de taak, die we ons stellen.’
Banning voerde het personalistisch socialisme in. De gemeenschap, nodig voor het functioneren van de enkeling, moest aan eisen voldoen. En anderzijds had de enkeling plichten ten opzichte van de gemeenschap. Anders kon het individu geen rechten laten gelden.
waarbij tegengegaan wordt dat bepaalde groepen worden buitengesloten.
Literatuur
- Commissie-Blok, Bruggen bouwen (2004). Rapport van de Tweede Kamercommissie-Blok. Onderzoek integratiebeleid. Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28689, nr. 9.
- Duyvendak, J.W. , Pels, T. & Rijkschroeff, R. (2005), A Multicultural paradise? The cultural factor in Dutch integration policy. Paper presented at the 3rd ECPR Conference- Budapest, 8-10 september 2005.
- Duyvendak, J.W. & P.W.A. Scholten (2011), ‘Beyond the Dutch “Multicultural Model”. The Coproduction of Integration Policy Frames in the Netherlands’. International Migration & Integration; 2011, nr. 12, pp. 345, 346.
- Duyvendak, J.W. & P.W.A. Scholten (2012), ‘Deconstructing the Dutch multicultural model: a frame perspective on Dutch immigrant integration policymaking’. Comparative European Politics, Vo. 10, 3, pp. 266-282.
- Etnische minderheden (1979). WRR-rapport.
- Fermin, A.M.E (1997), Nederlandse politieke partijen over minderhedenbeleid: 1977-1995. Proefschrift Universiteit Utrecht.
- Hellebrekers, I. (2008), De moeizame omgang van de PvdA met het integratievraagstuk (1980-2006). MA scriptie.Universiteit Utrecht.
- Lucassen, L. & Köbben, A.J.F. (1992), Het partiële gelijk. Controverses over het onderwijs in de eigen taal en cultuur en de rol daarbij van beleid en wetenschap (1951-1991). A’dam/Lisse.
- Lucassen, L. (2010), ‘Feit en fictie over migratie en integratie’. Uitwerking van de lezing uitgesproken bij de lancering van de website ‘Vijfeeuwenmigratie.nl’ op 28 november 2010 in het Spoorwegmuseum in Utrecht.
- Lucassen, L. & Lucassen, J. (2011), Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie. Amsterdam.
- Meer voor minder (1980), KKM rapport (Kommissie Kulturele Minderheden; PvdA).
- Minderhedennota (1983). Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 16102, nrs. 20-21.
- Prins, B. (red.) (2013), Superdivers! Alledaagse omgangsvormen in de grootstedelijke samenleving. Eburon/De Haagse Hogeschool.
- Scholten, P. (2008), Constructing Immigrant Policies. Research-policy relations and immigrant integration in the Netherlands (1970-2004). Proefschrift, 18 jan. 2008. Universiteit Twente.
- Scholten, P. (2013), ‘The Dutch Multicultural Myth’. In: Raymond Taras (red.) Challenging Multiculturalism. European Models of Diversity.