Ideologische verschillen moet je niet willen overbruggen, daarvan profiteren populisten en splinterpartijen. Paul Tang pleit voor een verhaal over sociale rechtvaardigheid met harde aanvallen op populisme en een fel pleidooi voor Europa. 

‘Ik had de PvdA van harte een andere uitslag toegewenst.’ Met die troostende woorden van Mark Rutte kon Lodewijk Asscher het doen. Hierbij een terugblik op een aangekondigde nederlaag, waarvan de oorzaken veel verder teruggaan dan drie maanden campagne.

De zaterdag voor de verkiezingen toonde de documentaire U kijkt zo lief fragmenten uit het verkiezingsdebat van 1998. We zien dat Wim Kok en liberale uitdager Frits Bolkestein elkaar na vier jaar ́Paars vooral sparen. De zittende premier Kok laat zich zelfs verleiden tot een verkapt stemadvies op junior-coalitiepartner D66: ‘De inbreng van D66 in het kabinetsbeleid is groot geweest. Het zou zonde zijn als we niet met zijn drieën verder kunnen.’ 

De les uit Paars is dat wanneer de tegenstellingen uit de politiek verdwijnen, het populisme opkomt. Pim Fortuyn spreekt vier jaar later van de puinhopen van Paars. Zijn voor Nederland ongekend rechtse geluid heeft de tegenstelling en het debat in de politiek terug kunnen brengen. De les uit Rutte-Asscher is dat de coalitiepartners verliezen, met name met name de PvdA, en dat een veelvoud aan (splinter)partijen wint: PVV, 50+, Denk, FvD en PvdD. Omgekeerd, in 2012 is er een felle politieke strijd tussen links en rechts te gezien geweest, waar de flanken het moeilijk hebben gehad.

De samenwerking met de VVD heeft opnieuw een hypotheek op onze partij gelegd. Al in 2012 had duidelijk moeten zijn dat de coalitie een uitzondering op de regel was dat de PvdA niet met de VVD samenwerkt. De PvdA-architecten van het kabinet – Wouter Bos, Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem – hebben de puinhopen van Paars van dichtbij meegemaakt, maar bieden geen duidelijke les hoe die puinhopen dit keer te voorkomen.

In elk geval was de situatie in 2015 of 2016 zeker niet hetzelfde als in 2012: de noodzaak voor samenwerking met de VVD was verdwenen en er ontstond ruimte voor een scherpere ideologische koers. Van deze last hadden we ons eerder kunnen en moeten bevrijden. Dat had op verschillende manieren gekund. Dat kon door te breken met het kabinet. Dat kon ook door een vrijwillig terugtreden van Diederik Samsom die verantwoordelijk was voor moeilijke keuzes die op dat moment te verdedigen waren, maar die had moeten aan- voelen dat een nieuwe periode om een nieuwe partijleider vroeg.

In plaats daarvan zocht de partij een nieuwe impuls in een lijsttrekkersverkiezing. Die impuls werd duidelijk niet gevonden; de peilingen bleven gedurende en ook na de raadpleging onbewogen. Twee kandidaten bleek te weinig voor een echte ideeënstrijd. De inhoudelijk scherpere koers, bijvoorbeeld door de aanvullende punten van Asscher en het verkiezingsprogramma zelf – dat spreekt van 100.000 extra publieke banen – was welkom maar kwam te laat en was te onzichtbaar.

Het is daardoor tijdens de campagne niet helder geworden waarvoor de partij staat en kiest: een links alternatief voor de zittende premier zoals in 2012 of een pleitbezorger van het kabinetsbeleid zoals in 1998. GroenLinks heeft zich wél kunnen opwerpen als een authentiek links geluid en heeft met Jesse Klaver de positie van linkse verbinder kunnen innemen. Het is die positie die de PvdA door de coalitie met de VVD heeft laten openvallen.

De verkiezingsuitslag stemt tot inkeer en vraagt om een ommekeer

De eerste conclusie is dat het nemen van verantwoordelijkheid zich niet uitbetaalt, mogelijk anders dan in de tijd van Den Uyl en Kok. Populaire en/of kundige bewindspersonen hebben ons electoraal niets opgeleverd; een groeiende economie en dalende werkloosheid hebben de kiezers niet gunstig gestemd, omdat die kiezers het niet op het conto van het impopulaire kabinet schrijven. Ook Mark Rutte heeft de gebruikelijke premierbonus slechts ternauwernood weten te incasseren. Het resultaat voor hem en de VVD lijkt haast net meer te maken met een gedecideerd ogend optreden in de Turkije-rel dan met het beleid van de vier jaar ervoor. Partijen in de oppositie – constructief of niet – zijn beloond.

Het is een ontwikkeling die we in heel Europa zien, de nieuwkomer profiteert. Francois Hollande en Sigmar Gabriel durfden zich niet kandidaat te stellen en Manuel Valls, de premier, durfde het wel maar faalde jammerlijk in de voorstrijd van de Franse socialisten. Emmanuel Macron heeft zo’n twee jaar geleden het Elysée verlaten om een nieuwe beweging te starten. Hij is nu plots een serieuze kandidaat voor de verwachte tweestrijd met Le Pen. Martin Schulz is relatief onbekend in Duitsland en weet juist daardoor de strijd tussen de sociaal- en christendemocratie nieuw leven in te blazen. De flanken worden daarmee weggedrukt, en met name Alternative für Deutschland daalt in de peilingen.

De tweede conclusie is dat politieke partijen hun identiteit - vormgegeven door idealen, gedachtengoed, geschiedenis en tradities – goed moeten bewaken. Het spectrum van politieke partijen versplintert en de loyaliteit van kiezers is minder vanzelfsprekend dan ooit. Juist door die identiteit kan een politieke partij zich onderscheiden en kiezers aan zich binden. Een coalitie maakt deze identiteit diffuus en ongrijpbaar, waardoor de kiezer de partij niet langer herkent en gelooft. Dat is vele partijen al overkomen, bijvoorbeeld D66 in 2006, het CDA in 2012 en nu de PvdA. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat de traditionele partijen moeten inzetten op een meerderheidscoalitie. Een minderheidsregering biedt meer mogelijkheden om de eigen kleur te behouden, zowel voor regeringspartij als oppositiepartij. De traditionele politieke partijen moeten voorkomen dat ze door een coalitie van vier of vijf partijen voor de kiezer allemaal één pot nat worden. De PvdA moet daarom, nu en in de toekomst, geen rechtse coalitie aan een meerderheid helpen. Het zal alleen de populisten tegemoetkomen.

De derde vaststelling is dat de PvdA de eigen positie niet tegen het licht heeft durven houden en zich heeft laten verleiden tot tijdelijke successen. Nog steeds lonkt het idee van een linkse, brede en verbindende volkspartij die staat voor de belofte dat het niet alleen beter wordt, maar dat het beter wordt voor iedereen. Tegelijkertijd staat het idee onder druk, zeker nu de Nederlandse samenleving minder hecht lijkt te worden en het aanbod van politieke partijen verder versplintert. Angstvallig heeft de PvdA vermeden om de consequenties van deze ontwikkelingen te willen doordenken, een partij waar nota bene doctorandussen de arbeiders hebben verdrongen. In 2009 is een poging tot deze ‘opdracht tot pessimisme’ nog verketterd.1

Maar bovenal, beloftes zijn niet ingelost. Bernhard ter Haar beweert dat er de laatste jaren vooral maatregelen zijn genomen die polarisatie door ongelijkheid en onzekerheid tussen groepen in de samenleving vergroten.2 De ‘onzekere werkenden’ en ‘de achterblijvers’ hebben al weinig vertrouwen in de politiek en hebben veel maatregelen gezien die de onzekerheid eerder vergroten dan verkleinen. Volgens Ter Haar is er gekozen voor een grote hoeveelheid maatregelen die polariserend werken. Denk aan de afbouw van de WSW en de Wajong, de invoering van een studieleenstelsel, de invoering van een verhuurdersheffing en bezuinigingen op de zorg. Het begrotingsoverschot is daarentegen gevierd, en niet herkend als een signaal dat er ruimte geweest is om de negatieve effecten van deze maatregelen te compenseren. Het idee ontstaat dat mensen er alleen voor staan. De moestuin na pensionering onderstreept dat beeld. Het is niet voor niets dat mensen in de loop der jaren, tijdens en voor dit kabinet, mij op de schouders hebben getikt met de woorden dat de partij ze ‘in de steek gelaten heeft’. Bij doorvragen is er zelden een concreet moment of beleidsvoorstel, hoewel de samenwerking met de VVD de afgelopen jaren veel is genoemd. Maar het gevoel is reëel.

Met alleen vooruitgangsoptimisme redden we het niet

Een vooruitgangsoptimisme is wel noodzakelijk, maar onvoldoende om de opdracht van een brede, verbindende partij opnieuw in vervulling te brengen. In een nieuw narratief voor links moet ook een activistische overheid centraal staan, die een sterke verzorgingsstaat eigentijds weet in te vullen en de gelijkheid van werknemers tegenover werkgevers weet te verbeteren. Het is niet alleen de opdracht de positie van arbeid te versterken, maar ook – en dat is even cruciaal – het kapitaal te beteugelen. Dat laatste klinkt misschien een tikje ouderwets. Maar onze traditionele opdracht – de strijd tussen arbeid en kapitaal – is actueler dan ooit. Door globalisering en technische vooruitgang kan kapitaal zich over de wereld verplaatsen: daar waar winst voor aandeelhouders snel en makkelijk te behalen is en daar waar het gunstigste belastingregime is. Dat ondermijnt de positie van werknemers. Het is bijvoorbeeld schokkend hoe snel de Angelsaksische bonuscultuur voor bestuur- ders ook bij ons geïmporteerd is, hoe sterk de macht van aandeelhouders is geworden, hoe zeer het aandeel van arbeid in de productie (de AIQ) is gedaald en hoe gewoon flexwerk is geworden. Links heeft daarop te lauw gereageerd; het bepleit wel de bescherming van arbeid, maar niet de beteugeling van het kapitaal.

Het huiswerk is wel gedaan, maar is niet ingeleverd: dus toch een dikke onvoldoende. De analyse is er de laatste jaren namelijk wel geweest, zie bijvoorbeeld het rapport De Bakens verzetten van de commissie-Melkert en het project Van Waarde, maar de partij heeft er niet of niet genoeg naar gehandeld. We moeten dan ook verder gaan dan onze waarden met de mond te belijden. We moeten onze waarden toepassen op de uitdagingen van deze tijd: polarisatie door ongelijkheid en onzekerheid, de veranderende positie van werk, de omslag naar een schone economie. Dat vraagt om een breuk met oude gewoonten. Het interessante is dat Martin Schulz met een authentiek verhaal de linkse kiezers doet opleven. Hij verbindt sociale rechtvaardigheid met harde aanvallen op populisten, een fel pleidooi voor Europa, en scherpe kritiek op de Hartz-hervormingen van een voorganger Gerhard Schröder. Zonder authentiek verhaal verliest de PvdA zichzelf én de kiezers.

  • 1. www.waterlandstichting.nl/?p=artikelen&s=bekijken& id=1666
  • 2. www.socialevraagstukken.nl/sociale-polarisatie-wat-doen- we-eraan/

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl