Veel informatie die met publiek geld tot stand komt, is niet toegankelijk voor een breed publiek. Proefschriften, wetenschappelijke artikelen, commentaren op gerechtelijke uitspraken – ze zijn pas in te zien na betaling. Open access komt maar niet van de grond, terwijl eigenlijk iedereen ervoor is. Nodig is een eenmalige investering in onafhankelijke publicatieplatforms en aanpassing van de Auteurswet.

Mensen die werkzaam zijn bij de overheid of bij door de overheid gefinancierde instellingen produceren een grote verscheidenheid aan data en documenten. Deze data komen met publieke middelen tot stand en dienen om die reden publiek toegankelijk te zijn, uitzonderingen daargelaten. Dat deze gang van zaken door vele overheidsorganisaties inmiddels niet meer dan logisch wordt gevonden, blijkt uit de duizenden datasets die via het dataportaal van de Nederlandse overheid beschikbaar worden gesteld.1

Ook officiële publicaties, Kamerstukken, gerechtelijke uitspraken en wetgeving zijn vrij toegankelijk. Dat geldt echter niet voor veel juridische commentaren op deze documenten in de vorm van annotaties, artikelen en proefschriften. En dat terwijl een groot deel van deze commentaren wordt geschreven door mensen die worden betaald met publieke middelen. Ook artikelen en proefschriften geschreven door deskundigen uit niet-juridische disciplines die in (semi-)overheidsdienst werken – denk aan natuurkundigen, biologen, economen, sociologen – zijn zelden of nooit vrij toegankelijk. Dat is vreemd, want het maat schappelijk en wetenschappelijk belang van het vrij toegankelijk zijn van deze stukken – open access – wordt breed gedragen en onderkend.

In wetenschappelijke kringen weet men al jaren dat nieuwe wetenschappelijke ideeën door open access sneller en breder verspreid worden, dat open access bijdraagt aan de kenniseconomie, economische impulsen oplevert en er ook voor zorgt dat recente kennis meteen gebruikt kan worden in het onderwijs.2 Door middel van open access blijft bovendien de regie van het onderzoek, het beheer van data en het publiceren over onderzoek en data in handen van de onderzoekers. Tevens zullen de kosten om over onderzoeksdata en verwante publicaties te kunnen beschikken drastisch omlaaggaan als deze vrij toegankelijk zijn.

Waarom komt open access in wetenschappelijke kringen dan zo moeilijk van de grond? Daarvoor zijn verschillende redenen aan te dragen. Zo moet er nog heel wat gebeuren voordat een nieuwe kennisinfrastructuur is gecreëerd waarin kwalitatief goede stukken onmiddellijk en duurzaam toegankelijk gemaakt kunnen worden. Daar komt bij dat publicaties in gerenommeerde tijdschriften nog steeds het best gewaardeerd worden door collega- wetenschappers. Bovendien: een nieuwe situatie zal een bedreiging vormen voor het huidige lucratieve verdienmodel van uitgevers. En tot slot lijkt ook onduidelijke wetgeving nog drempels op te werpen. 

In dit artikel zal ik de gebrekkige ontwikkeling van open access in de wetenschappelijke wereld schetsen en beschrijf ik de verschillende routes die gekozen worden om open access te bereiken. De vaak gekozen zogenoemde groene en gouden routes3 blijken dure heilloze wegen. Gelukkig is er een alternatief: de instelling van onafhankelijke publicatieplatforms. Hiervoor is wel een financiële investering nodig én maximale medewerking van de onderwijsinstellingen – de hofleveranciers van wetenschappelijke stukken.

Open access

De uitgangspunten van open access staan beschreven in de Verklaring van Berlijn inzake open toegang tot kennis op het gebied van de natuur- en menswetenschappen.4 Eigenlijk verwijzen de woorden ‘open’ en ‘access’ tegelijkertijd naar een beweging en een verdienmodel.5 De open access-beweging streeft naar vrije, online toegang tot wetenschappelijke informatie.6 Als iedereen deze informatie kan lezen, downloaden, kopiëren, distribueren, printen, indexeren, in het onderwijs gebruiken, ernaar en erin zoeken, of anderszins kan
gebruiken binnen geldende afspraken, dan wordt deze informatie ‘open access’ genoemd.

Het ideaalbeeld van de open access-beweging kan alleen bereikt worden als het verdienmodel rond het verspreiden van informatie verandert. Nu worden er jaarlijks miljoenen euro’s betaald aan abonnementskosten om informatie te kunnen inzien, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt hoe deze informatie tot stand is gebracht: met of zonder publieke middelen. Als de met publieke middelen gefinancierde informatie vervolgens gratis verstrekt wordt, zullen veel abonnementen massaal opgezegd worden, stoppen de uitgevers met het werk dat zij doen, en is er uiteindelijk geen informatie meer beschikbaar. Althans, niet op de wijze waaraan veel mensen al jaren gewend zijn. Het produceren, publiceren en beheren van informatie kost nu eenmaal geld en als dat niet betaald wordt, dan houdt het op.

Er moet dus een route uitgestippeld worden die ertoe leidt dat publiek gefinancierde informatie online vrij toegankelijk is, waarbij wél betaald wordt voor het werk dat gedaan moet worden om deze informatie gepubliceerd te krijgen en toegankelijk te maken. Om dit voor elkaar te krijgen worden veelal twee te bewandelen wegen genoemd, de groene route en de gouden route.

Groene route

Bij de groene route wordt de volledige tekst van een artikel of boek na publicatie in de ‘repository’ van een onderwijsinstelling geplaatst – een publiek toegankelijke databank met daarin de publicaties van de medewerkers van die organisatie. Meestal echter mag de volledige gepubliceerde tekst niet onmiddellijk na publicatie in de repository geplaatst worden. Het mag bijvoorbeeld alleen een preprint (conceptpublicatie) zijn of er zit een embargo op – soms van een paar maanden, soms van ruim een jaar.7 Pas na het verstrijken van de termijn wordt de volledige tekst vrij toegankelijk. 

Vanuit het oogpunt van de uitgevers is dit een begrijpelijke route. Teksten worden pas vrijgegeven als deze een groot deel van de actuele en commerciële waarde hebben verloren.

Bezien vanuit de open access-beweging is de groene route suboptimaal. Informatie komt wel vrij beschikbaar, maar dat kan lang duren. Te lang voor de wetenschapper die de (wetenschappelijke) wereld wil laten zien wat zijn visie is op een bepaalde kwestie, te lang voor een overheid, het onderwijs, een bedrijf of een particulier die graag snel kennis zou willen nemen van deze visie. Natuurlijk kan iemand die een stuk graag wil inzien daarvoor betalen, maar dan is er dus geen sprake van een open access-verdienmodel. In feite blijft het uitgeef- en publicatiemodel dan zoals het al jaren is, met het kleine verschil dat op een zeker moment een tekst vrij beschikbaar komt.

Overigens worden teksten soms al eerder, bij publicatie, of kort erna ‘full text’ online gezet. Dit verschilt vaak per discipline.8 Zo zetten veel bètawetenschappers hun (volledige) teksten in de vorm van een preprint al voor publicatie op bijvoorbeeld bioRxiv of arXiv.org, repositories beheerd door respectievelijk Cold Spring Harbor Laboratory en Cornell University.9 Afhankelijk van de afspraken met de uitgevers worden deze na publicatie soms vervangen door de gepubliceerde versie. Om een voorbeeld te geven: een in maart 2018 door de Delftse onderzoeker Hao Zhang en anderen in Nature gepubliceerd artikel over het Majoranadeeltje is sinds begin 2018 al in arXiv te zien.10 

Een nadeel van de groene route is dat het al dan niet (tijdig) in een repository terechtkomen van een publicatie vaak afhankelijk is van de inspanningen van de auteur. Sommige bètawetenschappers zetten hun publicaties snel in bioRxiv of arXiv, van andere wetenschappers komen veel publicaties nooit in een repository terecht of worden alleen de metadata vermeld. Dit probleem is bekend bij de onderwijsinstellingen en men probeert daar ook oplossingen voor te vinden, bijvoorbeeld door het aanstellen van open access-officers die monitoren wat er gepubliceerd wordt op een instelling en die waar nodig voorlichting en assistentie geven over open access. Een goede stap, maar met een enkele acces-functionaris zijn de instellingen er niet. Ik zou denken dat minimaal elke faculteit zo iemand nodig heeft, mede ook gezien de verschillen per discipline.

Om het probleem aan te pakken van de teksten die nooit in repositories terechtkomen, zouden onderwijsbestuurders ook kunnen bepalen dat een publicatie alleen meetelt bij de jaarlijkse beoordeling als deze in de eigen repository beschikbaar is, voorzien van een embargotermijn en het onmiddellijk full text vrijkomen van de publicaties als deze termijn is verstreken. Dit leidt in combinatie met de aanstelling van open access officers wellicht tot beter gevulde repositories. Maar dan nog: ook als dit deel van het proces goed geregeld is, blijft het zo dat de meeste recente ontwikkelingen meestal niet via de repositories te volgen zijn.11 De teksten zijn simpelweg niet actueel genoeg.

Ook blijven de instellingen geconfronteerd worden met immer stijgende prijzen voor de informatieproducten. Daar doet de groene route niets aan af. Net zoals deze route niets verandert aan het feit dat onderwijsinstellingen voor veel geld veel producten moeten inkopen die (deels) door hun eigen personeel geproduceerd zijn. Tenminste, als zij willen dat de wetenschappers snel over de meeste actuele informatie kunnen beschikken. Het ‘vrij toegankelijk’ zijn van publicaties in het geval van de groene route is dus zeker niet gratis. 

Is er dan helemaal niets positiefs te zeggen over de groene route? Toch wel. Een belangrijk voordeel is gelegen in het feit dat de stukken die volledige beschikbaar komen via de repositories reeds beoordeeld zijn door een redactie en-/-of peers. Aan de kwaliteit van de stukken hoeven lezers dus niet te twijfelen. Althans, op voorwaarde dat de redacties en peers hun werk naar behoren hebben gedaan.

Deze route zorgt wel voor een nogal chaotische informatieontsluiting. De repositories zijn informatiegedrochten met losse artikelen, boeken, hoofdstukken en annotaties, waarin weinig of geen verbanden te vinden zijn. Een informatiedeskundige, of liever een heel team, is nodig om orde op zaken te stellen in de repositories.

Gouden route

Een alternatief zou de gouden route kunnen zijn. Hierbij is sprake van een professionele, goed georganiseerde, publiek toegankelijke publicatieomgeving – beheerd door uitgevers. Het probleem van een enigszins warrige infrastructuur van repositories zoals bij de groene route speelt dan niet. Bovendien zijn teksten die via de gouden route gepubliceerd worden onmiddellijk vrij toegankelijk. 

Dat betekent niet dat deze route geen bezwaren kent. Zo zullen ook hier de informatiebudgetten blijven stijgen. Misschien niet in de vorm van abonnementen, maar dan toch zeker wel door de vergoeding die de auteurs en/of hun instellingen moeten betalen om te kunnen publiceren: de zogenaamde ‘article processing charges’ (APC’s). Instel lingen zullen veel geld kwijt zijn aan het toegankelijk maken van de teksten van hun medewerkers.

Een ander nadeel lijkt dat onderzoekers verbonden aan rijke (westerse) instellingen prominenter aanwezig zullen zijn in het wetenschappelijke debat, simpelweg omdat ze meer budget hebben. Onderzoek naar dit fenomeen baart inmiddels de nodige zorgen.12

Nog een bezwaar dat vaak genoemd wordt in het licht van de gouden route is dat er geen kwalitatief goede open access-tijdschriften zijn.13 Deze tijdschriften hebben (nog) geen goede redacties en zeker nog geen reputatie. Het gevolg is dat de keuze van veel auteurs dan toch maar weer valt op de bekende gerenommeerde tijdschriften die al jaren op basis van abonnementen verschijnen. Hiermee bestaat de kans dat de gouden route uiteindelijk doodloopt en de oude route van abonnementen openblijft. 

Maar ook als het wel lukt deze route te realiseren, blijven de (wetenschappelijke) data in de greep van uitgevers. Zij beheren immers de artikelen en onderzoeksdata, en dat is in deze tijd van big data, data-analyses, machine learning en kunstmatige intelligentie niet te prefereren. Het is niet wenselijk dat gegevens geproduceerd door mensen werkzaam bij publieke instellingen in handen zijn van uitgevers. 

Bij een eventuele keuze voor deze manier van organiseren is het dan ook wijs te bedingen dat alle bij uitgevers gestalde data om niet beschikbaar gesteld worden aan de onderwijsinstellingen als zij deze zouden willen gebruiken voor big data-onderzoek, machine learning-toepassingen of kunstmatige intelligentie. Daarbij is het ook van belang te regelen dat de data op nationale of in elk geval op Europese servers beschikbaar zijn en niet op servers terechtkomen waarvan niet zeker is wie daarover de beschikking heeft of kan krijgen. Dat is dan weer een voordeel van de groene route. Dan hebben immers de instellingen beheer en zeggenschap over wat in hun repositories staat en waarvan de embargotermijn is verstreken.

Een probleem dat bij groen én goud niet zal verdwijnen betreft de immer stijgende kosten voor het hergebruik van gepubliceerde teksten in het onderwijs. Zo betalen de universiteiten miljoenen voor (her)gebruik van materiaal dat, zoals gezegd, in veel gevallen door medewerkers van diezelfde universiteiten wordt geschreven. 

De Leidse hoogleraar Dirk Visser rekende voor dat de universiteiten voor zowel korte als langere overnames in readers ruim €-1 miljoen per jaar betalen en bijna €-2 miljoen per jaar voor losse fotokopieën.14 Tel uit de winst als dit materiaal echt vrij beschikbaar is, zonder dat een uitgever een voet tussen de deur heeft. Nu betalen de universiteiten de salarissen van de auteurs, de abonnementen op de tijdschriften waarin de teksten van deze auteurs staan (groene route) of de APC’s van de artikelen die open access gepubliceerd zijn (gouden route), de abonnementen op de databanken waarin de teksten van de auteurs staan, en dan dus ook nog voor delen van deze teksten die worden overgenomen in readers. 

Alternatieve publicatieplatforms

Een alternatief komt van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), die onlangs een Roadmap open access publiceerde.15 De VSNU stelt hierin dat in de periode 2018-2020 de onderhandelingspositie van de universiteiten verbeterd moet worden door minder afhankelijk te worden van de gevestigde uitgevers. En wel door de introductie van alternatieve publicatieplatforms: open kennisinfrastructuren voor open access.

De open infrastructuur die de VSNU voorstelt, wordt dan beheerd door de wetenschappelijke wereld zelf, die deze teksten zo vaak kan analyseren en hergebruiken als men maar wil, zonder dat daar kosten tegenover staan. Om deze open infrastructuren een goede kans te geven is een aantal principes ontwikkeld om ze te beheren, de continuïteit te garanderen en de eigendom te verzekeren.16 Tevens worden Nederlandse voorbeelden van alternatieve platforms (in aanbouw) gegeven: ScholarlyHub en Sci-|-Post.17

ScholarlyHub is een initiatief van Guy Geltner, historicus bij de Universiteit van Amsterdam. In 2020 wil ScholarlyHub het platform zijn voor gevestigde én nieuwe tijdschriften. Het wordt een multidisciplinair platform, een plek om onderzoek en onderwijs te ontwikkelen en data op te slaan.18

Sci-|-Post is een initiatief sinds najaar 2016 van Jean-Sébastien Caux van het Institute of Physics en van de Universiteit van Amsterdam. Sci-|-Post Physics, heeft in ruim een jaar tijd zeventig publicaties gerealiseerd. In 2020 moet het een brede serie tijdschriften kennen, waaronder lecture notes, proceedings en codebases, en zal tevens uitgebreid zijn naar andere disciplines. Sci-|-Post kent zogenaamde supporting partners die delen van de operaties en de infrastructuur financieren. Een veel aantrekkelijkere, goedkopere en duurzamere manier van financiering
dan de APC-modellen, aldus Caux.19 

Niet genoemd in de roadmap van VSNU maar wel in ontwikkeling is het alternatieve juridische open access-platform OpenRecht.20 Dit online platform (in aanbouw) heeft tot doel commentaren op ontwikkelingen in het recht (wetgeving, jurisprudentie) op een gestructureerde wijze te ontsluiten. Het gaat daarbij om (wetenschappelijke) artikelen, annotaties en andere juridische documenten die een relatie hebben met het Nederlands recht. Het platform is een publicatiemedium zoals een papieren tijdschrift dat is. Er is een hoofdredactie en er zijn deelredacties per rechtsgebied (ondernemingsrecht, arbeidsrecht, staats- en bestuursrecht et cetera). Ook is er een bureauredactie.21 

Het platform is een modern publicatiemedium. Publicatie vindt alleen online plaats en gepubliceerde documenten worden waar het kan gekoppeld aan andere relevante stukken. Ook worden van alle documenten statistieken bijgehouden (views, downloads, verwijzingen). Het platform is hiermee onderdeel van een nieuwe juridische kennisinfrastructuur waarin wet- en regelgeving, rechtspraak en commentaren op gestructureerde wijze met
elkaar verbonden zijn. 

Dit soort platforms heeft om verschillende redenen de voorkeur boven de groene of de gouden route. Allereerst wordt (wetenschappelijk) publiceren onafhankelijk gemaakt van de uitgevers. De data in de open infrastructuren zijn en blijven open en in eigendom van de wetenschap, of liever: de maatschappij. Her gebruik, voor welk doel ook, is gratis. De bestaande abonnementen kunnen worden opgezegd en er kan een streep door de repro - rechten. Dat betekent een besparing van vele miljoenen. Natuurlijk, een deel van die miljoenen moet in deze platforms gestopt worden om ze te kunnen exploiteren, maar dat zal een fractie zijn van wat nu aan uitgevers wordt betaald.

Met de overstap naar een platform wordt het keurslijf van het tijdschriftformat verlaten. Een artikel wordt gepubliceerd op een daartoe geschikt onderdeel van het platform wanneer de peers vinden dat het goed is, niet pas als het tijd is voor een volgend nummer. Zo kan een interessant artikel over een recente ontwikkeling snel geplaatst worden, je hoeft niet te wachten tot er genoeg kopij is om een nieuwe editie te vullen. Publicatie-embargo’s
zijn uit den boze.

Bijkomend voordeel van deze nieuwe open kennisinfrastructuren is dat ze buiten de traditionele uitgevers worden ontwikkeld. Je hoeft geen rekening te houden met bestaande verdienmodellen. Bovendien worden de infrastructuren gebouwd in een snel veranderende informatiewereld, los van de traditionele uitgeefwereld waarin veelal nog in papier gedacht wordt: tijdschrift, deadline, drukkerij. 

Hobbel 1: reputatie

Een belangrijke hobbel om te komen tot publicatieplatforms zoals de VSNU die voorstelt, betreft de reputatie en de daarmee vaak gepaard gaande kwaliteit van nieuwe alternatieve platforms. Een compleet nieuwe infrastructuur opzetten mag dan technische en organisatorische voordelen bieden, nieuwe platforms kunnen niet opboksen tegen de reputatie van bestaande tijdschriften. Een redactie van onderzoekers kan de schouders onder een nieuw platform zetten, maar als de ‘oude’ tijdschriften blijven bestaan en ondersteund blijven worden door de gevestigde orde, dan is zo’n nieuw platform kansloos. Auteurs zullen, wanneer ze de kans krijgen, eerst kiezen voor een publicatie in het tijdschrift met status. Pas als dat niet lukt kunnen ze een artikel alsnog aanbieden aan het nieuwe platform, waardoor dit platform kwalitatief het onderspit blijft delven. En geef de auteurs eens ongelijk. De waardering van hun werk is immers gebaseerd op de tijdschriften waarin zij publiceren.

Het is lastig deze impasse te doorbreken, maar het kan wel. Zo zou een redactie van een gerenommeerd tijdschrift kunnen besluiten zich los te maken van de uitgever om digitaal te gaan. Dat klinkt misschien als een wild avontuur, maar dat valt mee. De rol van uitgevers is vandaag de dag immers marginaal, met digitale (standaard)middelen kun je eenvoudig een publicatieplatform opzetten. Er zijn ook al praktijkvoorbeelden die aantonen dat het kan. Zo zijn de taalkundigen opgestapt bij hun uitgever en zijn ze LingOA begonnen.22 En onlangs heeft het tijdschrift voor de rechterlijke macht (TREMA) de stap gezet naar online en open access.23

Dit ‘flippen’ naar online is een ideale manier om open access te gaan.24 Immers, tijdschrift en redactie stappen over, zodat er niet aan kwaliteit wordt ingeboet. In feite blijft alles bij het oude, behalve dat het tijdschrift online en vrij toegankelijk is. Niet echt bezwaarlijk lijkt me.

De vraag is of gerenommeerde tijdschriften ook echt gaan ‘flippen’. Uitgevers zullen alles doen om dat tegen te gaan. En misschien willen redacties niet. Mensen zijn niet zo veranderingsgezind, zeker niet als ze wat ouder zijn en hun sporen verdiend hebben. Maar wat nu als een redactie vooral uit publiek gefinancierde wetenschappers bestaat. Zijn er dan kansen? Zo bestaat de redactie van het toonaangevende Nederlands Juristenblad naast één commerciële advocaat alleen maar uit publiek gefinancierde rechters en wetenschappers. Zouden deze mensen zich moreel verplicht voelen de stap naar open access te maken? Zouden we ze een zacht duwtje in de rug kunnen geven? Dat eerste misschien, dat laatste zal weinig zoden aan de dijk zetten, vrees ik.

Wat wellicht meer zou helpen, is dat universiteiten de waardering opschroeven van activiteiten die gerelateerd zijn aan open access. Dat geldt voor het schrijven, het participeren in redacties en het doen van peerreviews. Tegelijkertijd moeten bijdragen aan traditionele tijdschriften dan langzaam afgewaardeerd worden.

Hobbel 2: geld

Een tweede hobbel is financieel van aard. Bij een overgang naar alternatieve platforms zullen abonnementen op tijdschriften niet gelijk worden opgezegd. Terecht. Eerst zien, dan geloven. Dat betekent dat er een overgangsperiode is waarin én de abonnementen en APC’s betaald moeten worden én de ontwikkel- en onderhoudskosten van de platforms.

Ik zou ervoor pleiten om de platforms in die periode te ondersteunen door partijen die er uiteindelijk voordeel bij hebben als de platforms de rol in het (wetenschappelijke) publicatieveld hebben overgenomen. In het juridische domein zou dit uiteraard de overheid kunnen zijn, maar zeker ook de VSNU, de juridische faculteiten, de rechterlijke macht, de advocatuur en het notariaat. Als na een afgesproken periode de platforms hun rol niet hebben opgeëist, is het over en uit. Maar als de platforms voet aan de grond hebben gekregen, dan is de investering waarschijnlijk binnen één jaar terugverdiend.

Van VSNU is bekend dat zij open access-initiatieven ondersteunt. De andere partijen zouden ook hun bereidheid daartoe moeten tonen. Van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) weten wij inmiddels dat zij de geldkraan voor open access-initiatieven heeft dichtgedraaid.25 De visie van de NWO lijkt op dit moment te zijn dat betrokken partijen, zoals universiteiten, zelf het geld moeten vrijmaken ten gunste van open access. Bijvoorbeeld door abonnementen op te zeggen.

Die gedachte is begrijpelijk, maar ik vrees dat deze strategie ertoe leidt dat open access er niet komt. Althans niet in de vorm van alternatieve platforms die ertoe de producenten van onderzoeksmateriaal een onafhankelijker positie kunnen geven ten opzichte van uitgevers. Niet in 2020, en volgens mij ook in 2030 nog niet. Tijdens een relatief dure transitieperiode is een investering nodig. Deze investering kan zich dubbel en dwars terugverdienen.26

Hobbel 3: een nieuwe wettelijke open access-bepaling

Een hobbel die niet zozeer de totstandkoming van alternatieve platforms in de weg zit, maar toch genomen moet worden om ooit te kunnen spreken van volledige open access, is een wettelijke. De open access-bepaling in de Auteurs wet luidt nu als volgt: 

‘De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.’27

Het is op zijn zachtst gezegd vreemd dat een ‘kort werk van wetenschap’ dat met publieke middelen is bekostigd wel onder deze bepaling valt en een langer werk niet. Daarnaast moet een werk dat met bijvoorbeeld Europese middelen is bekostigd er ook onder vallen. Daar zal de Europese Unie zeker geen bezwaar tegen hebben, zij wil immers al in 2020 volledige open access tot stand gebracht hebben.28

Ook moet het woord ‘wetenschap’ uit de bepaling verdwijnen. Dit zorgt er namelijk voor dat werken die bekostigd zijn met publieke middelen maar niet het stempel wetenschappelijk dragen, er niet onder vallen.29 Althans, die suggestie wordt gewekt. Door de term ‘werk van wetenschap’ te schrappen wordt onmiddellijk duidelijk dat alle werken die met publieke middelen zijn gefinancierd onder de bepaling vallen. Uitgevers kunnen zich dan niet meer verschuilen achter een publicatie die zij het stempel niet-wetenschappelijk hebben gegeven. Of een stuk wetenschappelijk is, is niet relevant. De wijze van financiering dient leidend te zijn. Dus een proefschrift van een jurist van De Nederlandsche Bank dient net zo goed (onmiddellijk) toegankelijk te zijn als een niet-wetenschappelijke opinie van een juristwetenschapper in het Nederlands Juristenblad.

De open access-bepaling zou dan luiden:

‘De maker van een werk waarvan de totstandkoming geheel of gedeeltelijk met publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na de eerste openbaarmaking ervan om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.’

Overigens kan de huidige bepaling ook zonder wetswijziging buitenspel gezet worden als auteurs simpelweg hun auteursrecht niet meer afstaan. En wie doet dat nog tegenwoordig? Of als met publiek geld gefinancierde organen standaard in arbeidsovereenkomsten opnemen dat de rechten van de door werknemers gepubliceerde stukken toekomen aan deze organen en na eerste publicatie publiek gemaakt worden als daaraan behoefte bestaat. Uitgevers kunnen een niet-exclusieve licentie krijgen om de tekst van een auteur te gebruiken.

Tot slot nog een geruststellende boodschap voor de uitgevers. Alternatieve publicatieplatforms maken uitgeverijen en hun werknemers niet brodeloos. In het verleden zijn bijvoorbeeld juridische uitgevers al een aantal keren met ‘publicatieverrassingen’ geconfronteerd. Vroeger mochten zij wetten, uitspraken, het Staatsblad en Kamerstukken drukken en uitgeven. Dat is al lang verleden tijd en de uitgevers zijn er nog steeds. Tijden veranderen en
uitgevers zullen hun verdienmodellen daaraan moeten aanpassen.30

  • 1. Het webadres van dit portaal is: data.overheid.nl. Een onderzoek naar de maatschappelijke kosten en baten van het als open data beschikbaar stellen van overheidsdata laat een positieve balans zien, zeker ten opzichte van het niet beschikbaar stellen van de data, zie: F. Welle Donker, B. van Loenen & W.K. Korthals Altes, Maatschappelijke kosten-batenanalyse open data, TU Delft-/- Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2017 (online).
  • 2. Voor- en nadelen, Openaccess.nl.
  • 3. Open access: goud, hybride en groen, Vrije Universiteit (online).
  • 4. Berlin Declaration on Open Access in the Science and Humanities, Max Planck Gesellschaft, 2003 (https://openaccess.mpg. de/Berlin-Declaration).
  • 5. Wat is open access?, Open- Acces.nl.
  • 6. Daarbij wordt vanuit het wetenschappelijke domein gerefereerd aan wetenschappelijke informatie die ondersteund door publieke middelen tot stand gebracht is.
  • 7. Zo vroeg ik in mei 2018 de (digitale) tekst op van een proefschrift geschreven door een medewerker van De Nederlandsche Bank en kreeg ik te horen dat ik daarover pas in mei 2019 kan beschikken.
  • 8. Zie bijvoorbeeld de blog getiteld Why Is Open Access Moving So Slowly In The Humanities?, door Peter Suber, 8 juni 2017 (online) en Richard Poynder, Six questions about openness in science, Poynder.blogspot.nl, 14 mei 2018 (online).
  • 9. Er zijn nog meer rXivs in ontwikkeling: PhilSci-Archive, SocArXiv, en meer. Zie: Preprint, Wikipedia.
  • 10. H. Zang et al., ‘Quantized Majorana conductance’, Nature, volume 556, pp. 74-79 (5 april 2018). Ook beschikbaar door te zoeken met Google naar: ‘Quantized Majorana conductance arxiv.org’.
  • 11. Een overzicht van repositories en contactpersonen is te vinden op de website van NARCIS, de Nederlandse portaal voor wetenschappers en hun werk: narcis.nl/ repositories.
  • 12. J. Ellers, T.W. Crowther & J.A. Harvey, ‘Gold Open Access Publishing in Mega Journals: Developing Countries Pay the Price of Western Premium Academic Output’, Journal of Scholarly Publishing, oktober 2017 (online).
  • 13. Kwaliteit van open access tijdschriften beoordelen, OpenAccess.nl (online).
  • 14. D.J.G. Visser, ‘Open brief: Een paar vragen aan Kluwer’, Nederlands Juristenblad, 9 april 2014 (online).
  • 15. Roadmap open access 2018 – 2020, VSNU (online).
  • 16. G. Bilder, J. Lin & C. Neylon, ‘Principles for Open Scholarly Infrastructure’, Figshare, 2015 (online)
  • 17. Zie scholarlyhub.org, scipost. org.
  • 18. De regie bij onderzoek(ers), in: Roadmap open access 2018- 2020, VSNU (online).
  • 19. Ibid.
  • 20. Voor achtergronden en informatie over dit initiatief zie de website van de stichting OpenRecht, stichtingopenrecht. nl.
  • 21. OpenRecht heeft daarnaast als voordeel dat meer dan de helft van de advocatuur bestaat uit eenpitters en dat er daarnaast veel kleinere advocatenkantoren en juridisch adviesbureaus zijn. Dit soort organisaties heeft vaak beperkte inkomsten en geeft daarom minder geld uit aan literatuur, wat de dienstverlening niet ten goede komt. (Zie: ‘Eenpitters zijn een gevaar voor de advocatuur’, BNR, 28 december 2012.) Een open juridisch publicatieplatform zorgt er dan in ieder geval voor dat een gebrek aan geld bij kleinere organisaties geen belemmering hoeft te zijn kennis te nemen van de laatste juridische ontwikkelingen. Daarnaast maakt een open juridische kennisinfrastructuur de duiding van het recht ook voor het publiek toegankelijk, waardoor de werking van het recht en de juridische organisaties transparanter wordt.
  • 22. Marijke van der Ploeg, ‘LingOA : linguistics journals move to Open Access’, Tilburg University, 4 november 2015 (online).
  • 23. Als er 1 juridisch schaap over de open access-dam is…, Leo van der Wees, Recht.nl, 16 maart 2018 (online).
  • 24. John Parsons, ‘Flipping Journals to Open Access’, Library Journal, 22 juni 2016 (online).
  • 25. Open Science, NWO (online).
  • 26. Romana, Abels, ‘Miljarden weg aan mislukte projecten’, Trouw, 6 juni 2014 (online)
  • 27. Artikel 25fa Auteurswet.
  • 28. Marcel aan de Brugh, ‘Publicaties in EU vanaf 2020 open access’, NRC Handelsblad, 28 mei 2016 (online).
  • 29. Het is overigens de vraag of een werk van wetenschap in de zin van deze bepaling betekent dat alleen werken met een wetenschappelijk stempel daaronder vallen. Zie bijvoorbeeld: Leo van der Wees, Baas over je eigen juridische tekst!, Recht.nl, 20 december 2017 (online).
  • 30. Mattias Björnmalm, The future for academic publishers lies in navigating research, not distributing it, London School of Economics Impact Blog, 29 januari 2018 (online).

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2017)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl