Anton Hemerijck & Annemarieke Nierop - Onze verzorgingsstaat wordt langzaam uitgehold, niet alleen doordat bezuinigingsronde op bezuinigingsronde volgt, maar ook omdat er geen idee achter lijkt te zitten waar het heen moet. Het is hoog tijd voor een sterke toerustingsagenda.

In heel Europa bezuinigen regeringen; de dure reddingsoperaties voor banken en voor landen binnen de eurozone, stijgende sociale uitgaven en lagere inkomsten uit sociale premies hebben de staatskassen drooggelegd. Bezuinigd wordt er vooral op de sociale voorzieningen, waarvan de kosten tussen 16% en 30% van de overheidsuitgaven beslaan in de meeste EU-landen. Ook de gezondheidszorg en het onderwijs moeten het ontgelden. De economische neergang die we nu doormaken is daarmee een stresstest van formaat voor de Europese verzorgingsstaten. Een stresstest die bovendien komt boven op de ingeperkte beleidsautonomie van de lidstaten na de invoering van een monetaire unie.

Zonder twijfel zal op een gegeven moment de recessie weer wijken. Maar hoe staan de Europese verzorgingsstaten er dan voor, en welke collectieve voorzieningen zullen in Nederland nog over zijn? Zullen degenen die hun baan kwijtraken, nog een behoorlijk vangnet hebben als ze niet meteen een nieuwe bron van inkomen vinden? Kunnen zij die van een uitkering leven nog wel fatsoenlijk rondkomen en tegelijk hun kinderen helpen een goede opleiding te krijgen?

Ook als we na vier jaar strijd in het kabinet-Rutte/Asscher zouden kunnen constateren dat dit is gelukt, dat onze oude verzorgingsstaat niet te veel door bezuinigingsdrift is aangetast – en dat zou echt goed nieuws zijn -, dan nog moet onder ogen worden gezien dat zij gevaarlijk is uitgehold. Het zou op z’n best namelijk stilstand betekenen, terwijl onze verzorgingsstaat al aan het begin van de eenentwintigste eeuw hard aan vernieuwing toe was. Ook zonder crisis zou zij moeten worden aangepast aan veranderingen in onze samenleving van de afgelopen decennia: gevarieerdere samenlevingsvormen, de massale komst van vrouwen op de arbeidsmarkt en het verdwijnen van de vaste baan voor het leven. Bovendien, ook zonder de internationale bankencrisis en zonder eurocrisis staat de verzorgingsstaat onder druk vanwege de stijgende levensverwachting, een babyboomgeneratie die massaal pensioneert en blijvend lage geboortecijfers.

De foute reflex van versoberen
In het debat over de ‘nieuwe crisis’ in de Europese verzorgingsstaten staan twee benaderingen tegenover elkaar: de versoberingsagenda en de toerustingsagenda. In de versoberingsbenadering wordt sociaal beleid gezien als een vraagstuk van collectieve kosten en herverdeling. Centraal staat een cocktail van begrotingsdiscipline, kostenbeheersing, eigen verantwoordelijkheid van burgers en het bevorderen van werkgelegenheidsgroei door alleen financiële prikkels. De beleidstheorie achter de versoberingsagenda – zoals de liberalen die onder anderen propageren - grijpt terug op de Amerikaanse econoom Arthur M. Okun, die in 1975 sprak over een big trade-off tussen economische efficiency en sociale rechtvaardigheid. Meer van het één is minder van het andere. Ingrijpende sociale versoberingen worden gezien als onvermijdelijk; grotere ongelijkheid wordt politiek geaccepteerd.

De basisidee achter de toerustingsagenda, die wij voorstaan, is juist dat een sterke verzorgingsstaat, zeker bij een teruglopende beroepsbevolking, noodzakelijk is. Het niet bestrijden van armoede en inactiviteit, zeker als die van generatie op generatie worden overgegeven, leidt tot een enorme verspilling van menselijk kapitaal. Zonder ondersteuning van gezinnen zal de voor onze economie noodzakelijk hogere arbeidsdeelname van vrouwen niet gerealiseerd worden. Als we niet regelen dat mensen een leven lang kunnen blijven werken, zullen we de gevolgen van de vergrijzing nooit opvangen.

Onze open kenniseconomie, met sterk veranderende samenlevingsvormen en arbeidsmarktpatronen, in een wereld van steeds intensievere internationale concurrentie, vergt andere – meer actieve – sociale zekerheden dan voorheen. De baan voor het leven bestaat niet meer. En nieuwe sociale risico’s –snel verouderde kennis en vaardigheden, onvoorspelbare en extreem flexibele arbeidsrelaties en beperkte mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren - treffen vooral laagopgeleide werknemers, jongeren, werkende vrouwen en gezinnen met kleine kinderen. Deze risico’s zijn nog onvoldoende afgedekt, met als gevolg dat er een steeds groter verschil groeit tussen degenen die aan die risico’s blootstaan, en degenen aan wie deze risico’s voorbijgaan. Armoede en onzekerheid dreigen weer in belangrijke mate erfelijk te worden: naarmate hun achterstand toeneemt, nemen de mogelijkheden van kwetsbare gezinnen om in de toekomst van hun kinderen te investeren relatief gezien af, met een achterblijvende sociale en cognitieve ontwikkeling van hun kinderen en hogere schooluitval en problemen met het vinden van werk op latere leeftijd als gevolg.

Een overkoepelende doelstelling in de toerustingsagenda is om deze trend te keren en burgers en gezinnen te ondersteunen bij kwetsbare overgangen in de levensloop, zoals tussen onderwijs en de eerste baan, tussen werk en gezinsuitbreiding, werkloosheid en scholing. Door de hele levensloop van mensen in ogenschouw te nemen, is het mogelijk om de complexe zorgvraag van kinderen, ouderen en andere groepen te identificeren, en zo duurzame arbeidsdeelname en –productiviteit te bevorderen.

Een dergelijk sociaal beleid is een ‘productieve factor’ van formaat. Maar een toerustingsagenda is natuurlijk niet goedkoop. Er gaan jaren overheen voordat dergelijke investeringen hun vruchten afwerpen. Het is evenwel een illusie om te menen dat een versoberingsagenda wel een koopje is. Toerusten vergt overigens wel veel meer dan alleen financieel investeren: het gaat ook om andere institutionele ontwerpen, van de inrichting van de WW en de manier waarop het onderwijs wordt vormgegeven tot en met ons pensioensysteem en de manier waarop de kinderopvang geregeld is.

De arbeidsparticipatie moet omhoog
De sociaal-democratie streeft een samenleving na waarin iedereen met waardigheid en in vrijheid kan leven, en waarin ieders bestaanszekerheid is gewaarborgd. Werk speelt hierbij een essentiële rol. Werk blijkt voor burgers de beste garantie tegen sociale uitsluiting en armoede. Wie werkt verdient niet alleen geld om zelf zijn leven te kunnen inrichten, wie werkt doet mee.

We zouden een stimulerend, goed doordacht en breed opgezet beleid moeten voeren dat erop gericht is dat iedereen die kan werken ook werkt: van jongeren die net van school komen tot ouderen die bijna met pensioen gaan; van mensen met slechtere sociale vaardigheden, mensen die niet zo hooggeschoold zijn, mensen met een handicap, die ‘anders’ zijn, of die nieuw zijn in Nederland tot degenen die voor kinderen, ouderen of zieken zorgen, of die zelf langdurig ziek zijn geweest. Ook zij horen mee te kunnen doen. Omdat we al deze mensen niet zouden moeten willen afschrijven, én omdat zonder hun inzet de verzorgingsstaat onbetaalbaar is.

De financiële houdbaarheid van onze verzorgingsstaat is namelijk afhankelijk van een hoge arbeidsdeelname. De belangrijkste drijfveer achter het macro-economische succes in Europa in de decennia voor de huidige crisis, was gelegen in een stijgende arbeidsparticipatie. Deze was vooral toe te schrijven aan de spectaculaire groei in de arbeidsparticipatie van vrouwen. En het grootste reservoir van onderbenut arbeidsaanbod in de meeste Europese verzorgingsstaten wordt nog steeds gevormd door vrouwen, ook in Nederland (vanwege de hoge deeltijdcomponent), naast niet-westerse migranten en oudere werknemers.

Het succes van een toerustingsbeleid bij het vergroten van de arbeidsparticipatie zal dan ook afhangen van de mate waarin vrouwen (en mannen) in staat worden gesteld om de spanning op te heffen tussen het opbouwen van een loopbaan en de wens om een gezin te vormen. Voor werkende ouders met kleine kinderen is betaalbare en kwalitatief hoogstaande kinderopvang onmisbaar. Ook hebben zij behoefte aan flexibiliteit in arbeidsrelaties met verlofregelingen die niet nadelig uitpakken in de sfeer van carrièrepaden, sociale zekerheid en pensioenen.

Een belangrijke hefboom van arbeidsparticipatie is daarnaast gelegen in de kwaliteit en wendbaarheid van werknemers, van menselijk kapitaal. Wanneer loopbanen (en levenslopen) in toenemende mate onvoorspelbaar worden - niet alleen vanwege de crisis - is het van belang dat werknemers makkelijk kunnen switchen van baan en bereid zijn zich permanent te laten bij- of omscholen voor sectoren waar personeelstekorten zich voordoen. Vrijwel overal in Europa ligt de arbeidsdeelname van hoger opgeleiden boven de 80%, terwijl lager opgeleiden onder de 40% scoren. Het leervermogen van kinderen en jongeren moet alleen al daarom maximaal worden benut. Dat gaat verder dan alleen goed onderwijs, ook kwalitatief hoogstaande en breed toegankelijke voor- tussen- en naschoolse voorzieningen dragen daaraan bij.

Een krachtig anti-armoedebeleid blijft uiteraard ook geboden. Zelfs in verzorgingsstaten met de beste toerustingsinfrastructuur is volledige werkgelegenheid een utopie en blijft het noodzakelijk om onder sociale investeringen een strak vangnet te spannen dat minimuminkomensbescherming garandeert. Een bijstandsuitkering moet niet zo laag zijn dat er niet met goed fatsoen van te leven valt. En het kan niet zo zijn dat mensen die hun baan kwijtraken, binnen de kortste tijd op het minimumniveau zitten en gedwongen worden huis en haard te verlaten.

De WW
Bij het schrijven van dit artikel is ons specifiek verzocht in te gaan op de regelingen rond de WW, de vangnetregeling voor mensen die hun baan kwijtraken. Lastig hierbij is dat het geïsoleerd bekijken van één zo’n regeling, eigenlijk niet kan als je de oude manier van denken over de verzorgingsstaat wilt doorbreken. De verzorgingsstaat van de eenentwintigste eeuw zou veel meer moeten zijn dan een herverdelings- of verzekeringssysteem. De toegevoegde waarde ervan zit hem in de ‘institutionele complementariteiten’ tussen activerende dienstverlening en re-integratie, arbeids- en verlofregulering, gezinsondersteuning, onderwijs, scholing en de sociale verzekeringen. De WW als vangnet kan niet worden gemist, maar is hopeloos achterhaald als deze niet samengaat met een veel breder beleid van het voorkomen en herstellen van kennisachterstand, loopbaanontwikkeling en van werk-naar-werk begeleiding.

In het licht hiervan overtuigt de sociale agenda van het kabinet-Rutte/Asscher niet. Er zijn kritische vragen te stellen bij de gekozen combinatie van versobering en nivellering, die alles behalve een robuuste groeiagenda herbergt. Beleidspunten zijn ‘uitgeruild’; op de WW wordt bezuinigd en de tegemoetkoming die ouders ontvangen voor de kosten voor kinderopvang wordt nog verder afgebouwd.

Hoe zou een sociale agenda er dan wel uit moeten zien? Hieronder werken we enkele punten uit met betrekking tot de WW. Zoals gezegd: dat is geen volledige agenda, uiteindelijk is een plan nodig waarin al onze verzorgingsstaatvoorzieningen betrokken worden. Ook het ontslagrecht , de Ziektewet en de Participatiewet blijven hier goeddeels buiten beschouwing, net als de noodzaak van gericht beleid om de stijgende armoede onder werkenden tegen te gaan. Al deze zaken moeten uiteraard op hun samenhang bekeken worden.

Richt een collectief gefinancierd scholingsfonds op, naast de WW
Bij het moderniseren van de WW moet er in de eerste plaats rekening mee worden gehouden dat kennis en vaardigheden op de huidige arbeidsmarkt veel sneller verouderen dan voorheen. Ook door deeltijdwerk en langdurige flexwerk ontstaan snel kennisachterstanden. De realiteit is tegelijkertijd dat het veel normaler is van baan te moeten wisselen dan vroeger. Het is urgenter dan ooit te investeren in de kennis en vaardigheden van mensen, met name van degenen die zwak staan op de arbeidsmarkt. Niet alleen zijn scholing en trainingen nodig voor alle niveaus, ook werkervaringsplekken en gesubsidieerde banen kunnen mensen helpen (nieuwe) werkervaring op te doen en hen behoeden voor inactiviteit.

Het verdient aanbeveling parallel aan de WW een collectief gefinancierd scholingsfonds op te zetten. Het geld uit het fonds zou niet alleen moeten worden aangewend voor werknemers die werkloos zijn geworden, maar ook voor degenen die nog een baan hebben, om werkloosheid voor te zijn. En het fonds zou uitdrukkelijk ook open moeten staan voor zelfstandigen zonder personeel. Zij zullen dan uiteraard ook premies moeten betalen. Het is in het belang van iedereen dat ook de kennis en vaardigheden van zelfstandigen op niveau blijven.

De transitievergoeding bij onvrijwillig ontslag dat het huidige kabinet voorstelt, is in het licht van een toerustingsagenda onvoldoende. Zzp’ers en werknemers die nog niet ergens twee jaar in dienst zijn vallen buiten de regeling. Dat is een groot nadeel, net als het feit dat het geld (waarvan bovendien niet gecontroleerd kan worden of dat aan scholing besteed wordt) pas beschikbaar komt als het al te laat is, namelijk na het beëindigen van het dienstverband. Het beschikbare budget is bovendien te laag om echt een verschil te maken.

Als voorbeeld voor het scholingsfonds kan het Deense model dienen. Dat is een verfijnd, collectief gefinancierd en voor iedereen toegankelijk publiek systeem van trainingen en opleidingen: voor jongeren en ouderen, hoog- en laagopgeleiden, werkenden en werklozen. Wat het Deense systeem vooral onderscheidt is de sterke steun voor permanente training. Er is niet alleen aandacht voor beroepsopleidingen, maar ook voor meer flexibele en laagdrempelige trainingen. Jonge uitkeringsgerechtigden krijgen speciale aandacht; voor hen worden opleidingsplekken geregeld, zijn scholing en training beschikbaar, en zij kunnen hun startkwalificatie halen indien nodig.

Bij het inrichten van een publiek systeem voor brede scholing zouden de vakbonden nadrukkelijk betrokken kunnen worden. Zij kunnen een belangrijke adviserende rol spelen, en kunnen verantwoordelijkheid krijgen bij het inrichten van opleidingen, het creëren van werkervaringsplekken en bij werk-naar-werkbegeleiding.

De huidige O&O-fondsen die in veel sectoren aanwezig zijn, zoals in de bouw, om werknemers om te scholen naar ander werk, zouden in het scholingsfonds geïntegreerd kunnen worden. Deze fondsen worden in elk geval nu nog veel te weinig gebruikt om werknemers te begeleiden naar ander werk buiten de branche, waar de vraag naar arbeid toeneemt zoals in de techniek en de zorg. Ook zou kunnen worden onderzocht of het mogelijk is UWV een extra verantwoordelijkheid te geven in de bemiddeling van jongeren naar werk, bijvoorbeeld door het werkgeversrisico gedurende een overgangsperiode te delen met bedrijven.

Beperk de maximale WW-duur pas als de crisis voorbij is
Het kabinetsvoornemen de WW-duur te beperken tot maximaal 24 maanden (ten opzichte van de huidige 38 maanden) is uitgesteld tot 2016. Een inkorting van de WW tot een maximumduur van 24 maanden is op zich te rechtvaardigen. Omdat het nodig zal zijn middelen vrij te maken voor een gedegen toerustingsbeleid, en omdat het mensen stimuleert snel op zoek te gaan naar nieuw werk. En dat is weer noodzakelijk om te voorkomen dat hun kennis en vaardigheden verouderen.

Uit vergelijkingen met andere Europese landen blijkt overigens dat de maximum WW-duur in Nederland relatief gezien extreem lang is, en de minimum WW-duur kort (zie voor een overzicht de figuur naast dit artikel). Nu moet het streven natuurlijk niet zijn onze Nederlandse werkloosheidsvoorziening dan maar omlaag te brengen tot dat van Malta en Cyprus (waar de maximumduur van een uitkering vijf maanden is), maar deze vergelijking plaatst de duur van de Nederlandse WW-uitkering wel in perspectief.

Een voorwaarde voor het terugbrengen van de maximum WW-duur tot 24 maanden is wel dat dit samengaat met de opbouw van een solide en toegankelijk scholingsfonds. Als de huidige crisis voorbij is, zal er ook voor 55-plussers genoeg werk zijn, mits er geld is voor adequate omscholing. Het gaat hierbij niet om dure opleidingen, maar wel te duur voor iemand met alleen een kortlopende WW-uitkering. Als het scholingsfonds eenmaal is ingesteld, en ook vruchten afwerpt in de zin dat ook de groepen die nu moeilijke (weer) aan het werk komen daadwerkelijk sneller een baan vinden (ouderen!), kan overwogen worden de WW-duur verder terug te brengen, bijvoorbeeld tot 18 maanden. Om het vangnet voldoende sterk te laten zijn, moet in geval van een nieuwe recessie en oplopende werkloosheid in de toekomst dan wel de mogelijkheid opengelaten worden de duur van de WW-regeling tijdelijk weer te verlengen. Een regeling die mee-ademt met onze economie zou dus het beste zijn.

Een waarschuwing voor het al te kordaat doorvoeren van hervormingen is hier dan ook op zijn plaats: het is niet verstandig de verkorting van de WW-uitkering tot 24 maanden door te voeren in een tijd dat de werkloosheid sterk oploopt of een hoogtepunt bereikt, zelfs als daar een stevig scholingsfonds tegenover zou staan. Een van belangrijkste functies van de verzorgingsstaat is om burgers en gezinnen tegen economische onzekerheid te beschermen in tijden van macro-economische terugval. Sociale verzekeringen zijn belangrijke kanalen waarmee de verzorgingsstaat economische schokken opvangt.

In deze tijd van economische recessie moet er geen procyclisch beleid worden doorgevoerd, waarbij de werking van automatische stabilisatoren wordt ondergraven. De eerste reactie op de crisis – invoering van deeltijd-WW - in 2008 was vanuit macro-economisch perspectief daarom ook zo verstandig. Bij de tijdelijke terugval in productie konden bedrijven de personeelskosten halveren door werknemers gedeeltelijk in de WW onder te brengen, zonder dat hun menselijk kapitaal schade opliep. Dat zou weer overwogen kunnen worden, net als arbeidstijdverkorting of het (tijdelijk) creëren van banen vanuit de overheid. Abnormale omstandigheden vereisen een abnormaal beleid.

Bezuinig niet op de opbouw van WW-recht 
Het kabinet stelt voor om werknemers veel minder snel WW-rechten te laten opbouwen (één maand per gewerkt jaar en na tien jaar een halve maand per gewerkt jaar). De WW-duur wordt hierdoor op verkapte wijze onverantwoord ver ingekort, vooral voor bepaalde groepen werkenden zoals herintreders en voormalig zzp’ers. Dat is niet wenselijk. Het zou, andersom, juist meer voor de hand liggen de opbouw van WW (en scholings)-rechten in het begin hoger te laten zijn dan aan het eind van iemands loopbaan bij het bedrijf. Hierdoor worden kortlopende dienstverbanden voor werkgevers duurder (en langlopende relatief goedkoper), terwijl werknemers met een onregelmatig arbeidspatroon beter beschermd worden dan nu het geval is.

Laat de hoogte van de uitkering intact
Het kabinet stelde aanvankelijk voor om samen met de inkorting van de WW-duur voor ook de hoogte van de WW-uitkering drastisch naar beneden bij te stellen (in het tweede jaar tot 70% van het wettelijk minimumloon). Met het sociaal-akkoord is deze wijziging gelukkig van de baan. Het zou voor grote groepen een radicale versobering van de uitkering betekenen ten opzichte van de huidige WW-regeling. Een dergelijke regeling is niet meer te typeren als een gedegen vangnet en is niet te verantwoorden. Uit onderzoek blijkt juist dat de meest effectieve manier om de arbeidsdeelname te optimaliseren loopt via hoge maar relatief kortlopende (anderhalf tot twee jaar) werkloosheidsuitkeringen, gekoppeld aan sterke activeringsverplichtingen ondersteund door proactieve re-integratie-inspanningen en scholing.

Stel de WW open voor zzp’ers
Het is onhoudbaar dat de WW-regeling afgeschermd blijft voor zzp’ers. Een groot deel van de zelfstandigen zonder personeel heeft nauwelijks een financieel vangnet als het werk ophoudt of sterk terugloopt en particuliere inkomensverzekeringen zijn duur. Vooral de onderkant van de zzp-markt behoeft bescherming; nu verdient een aanzienlijk deel van de zelfstandigen gewoonweg te weinig om premies voor ziekte, pensioen en werkloosheid op te kunnen brengen, of om scholing te bekostigen. Er gaan daarom stemmen op zzp’ers (of een deel van de zzp’ers, bijvoorbeeld degenen zonder BV of NV) verplicht aan de WW-regeling deel te laten nemen. Maar er zijn ook andere mogelijkheden van bescherming van deze groep, zoals invoering van een minimumtarief voor zelfstandigen.

Zorg dat ouderen ertoe doen
Voor 55-plussers die hun baan verliezen gaan volgens de kabinetsplannen de inkomensvoorziening voor oudere werklozen gelden, zonder partner- of vermogenstoets en met sollicitatieplicht. Onder de huidige economische omstandigheden is deze maatregel verstandig. Maar voor de oudere werknemers van de toekomst zullen we het anders moeten regelen: we zullen ervoor moeten zorgen dat zij wel op latere leeftijd van baan kunnen wisselen én dat ze langer doorwerken dan de huidige lichting oudere werknemers. Nu wordt nog nauwelijks geïnvesteerd in werknemers boven de veertig. Langer doorwerken kan daarnaast ook worden ondersteund met bijvoorbeeld de invoering van flexibele pensionering, zoals in Finland.

Zet ook werkgevers in bij baan-naar-baanbegeleiding
Werkgevers zouden ook veel meer dan nu het geval is, gestimuleerd kunnen worden om mee te werken aan baan-naar-baan begeleiding. Zij beschikken vaak over een breed netwerk, en kunnen hun personeel actief helpen bij het vinden van ander werk. Ook zou het voor werkgevers aantrekkelijker gemaakt kunnen worden werknemers tijdelijk uit te lenen aan andere bedrijven, bijvoorbeeld met een terugkeergarantie binnen een bepaalde periode. Op deze manier kunnen werknemers nieuwe werkervaring opdoen, en profiteren bedrijven van kennis van buiten.

Hervormingen niet eindeloos vooruitschuiven
Een stevige herschikking van de WW doorvoeren onder de huidige economische omstandigheden mag dan onverstandig lijken; het is geen excuus het langetermijnperspectief uit het oog te verliezen. Hervorming van de verzorgingsstaatarrangementen, en daaronder ook het anders inrichten van de WW, is onvermijdelijk als we een samenleving willen waarin iedereen meetelt, en waarin er niet een grote kloof gaapt tussen welvarende tweeverdieners aan de ene kant, en laagopgeleide gezinnen, eenoudergezinnen en jongeren aan de andere kant. Maar heeft Nederland wel de beleidsruimte om een eigen politiek op dit terrein te voeren gezien de strakke financieel-economische kaders van de Europese Monetaire Unie?

Het toenemende belang van een sociaal Europa
Het arbeidsmarktbeleid is een van de weinig overgebleven velden waar nationaal beleid van doorslaggevende betekenis is, stelde de WRR in het rapport Investeren in werkzekerheid uit 2007. Dit is een fata morgana gebleken. Met de komst van de euro, en de daaraan gekoppelde begrotingsregels, is nationale beleidsruimte, ook op het terrein van sociaal en werkgelegenheidsbeleid sterk ingeperkt. Als Nederland wil voldoen aan de Europese regels en dus tientallen miljarden moet bezuinigen, blijft er weinig ruimte over voor sociale investeringen. Op dit moment verkeren we in een patstelling: de Europese begrotingsregels willen we niet negeren, maar we willen ook niet de verzorgingsstaat kapot bezuinigen die wederom zo belangrijk is gebleken in tijden van financiële crisis.

Er zijn twee manieren om deze situatie in de toekomst te voorkomen: Nederland moet zelf buffers aanleggen in tijden van economische voorspoed. Dat laat ook bij tegenspoed beleidsruimte om te investeren. De meeste lidstaten van de EU hebben in de economisch voorspoedige periode van 1995 tot 2005 een te procyclisch beleid van lastenverlichting gevoerd. Eigenlijk zijn alleen de Scandinavische landen in staat geweest om in de goede jaren fiscale buffers op te bouwen en de staatsschuld te verlagen.

Ten tweede: op Europees niveau moet afscheid genomen worden van de versoberingsreflex, en moet ruimte gemaakt worden voor sociale investeringen. In het afgelopen decennium hebben de Europese instellingen, onder de neoklassieke leerstelling van efficiënte markten en ineffectieve overheden, de nationale economieën eenzijdig de maat genomen wat betreft groei, inflatie en begrotingsevenwicht. Feitelijk gaat de EU uit van een te smal economisch beleidsrepertoire van marktordening en fiscale soberheid – de agenda van de liberalen.

Er is schreeuwend behoefte aan een Europees sociaal investeringspact, niet ter vervanging van maar als aanvulling op het fiscale pact. Zolang reële sociale investeringen budgettair terzijde worden geschoven, vormt de EU-begrotingsdiscipline een belemmering voor een economisch, sociaal en politiek verantwoord groeibeleid in de nasleep van de crisis, ook voor Nederland. Als er niet linksom of rechtsom geld wordt vrijgemaakt voor sociale investeringen, zal hervorming van de WW niet anders zijn dan een platte bezuiniging, waarmee de verzorgingsstaat verder wordt uitgehold.

Dit is een licht bewerkte versie van een artikel van dezelfde auteurs uit de bundel 'Mij een zorg! - de toekomst van de sociale zekerheid', uitgeverij Balans, verzorgd door de Rode Hoed op uitnodiging van Instituut GAK (redactie Sjifra Herschberg), Amsterdam 2013.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl