De nederlaag die de PvdA begin dit jaar leed was al jaren in de maak. Ook de slechte campagne en het impopulaire kabinetsbeleid joegen natuurlijk kiezers weg. Maar het traditionele electoraat krimpt al decennia, net als de bereidheid PvdA te stemmen. Alleen met een verzorgingsstaat die beschermt tegen globalisering is herstel mogelijk, zij het een beperkt herstel.

De teleurstellende verkiezingscampagne zou volgens veel journalisten en andere waarnemers de oorzaak zijn van de pijnlijke verkiezingsnederlaag van de PvdA. Het harde maar succesvolle bezuinigingsbeleid waarin het landsbelang centraal stond, had immers tot een krachtig herstel van de economie geleid. Als de partij deze resultaten van ruim vier jaar kabinetsbeleid tot inzet van de verkiezingen had gemaakt, zou de uitslag er heel anders hebben uitgezien. De kiezers zouden dat zeker gehonoreerd hebben. 

Dat is een aantrekkelijke redenering, maar er klopt weinig van. De campagne was chaotisch en ontbeerde een centraal thema, maar dat kan de diepe val van de PvdA niet verklaren. De problemen van de PvdA en veel andere sociaal-democratische partijen in Europa zitten veel dieper. Het lijkt er zelfs op dat de partijen een existentieel probleem hebben en vechten voor hun voortbestaan.

Als we willen begrijpen waarom de PvdA electoraal in zo’n benarde positie verkeert, is het goed te weten dat de positie van een politieke partij door verschillende ontwikkelingen wordt bepaald en dat verklaringen die op een factor inzoomen altijd ernstig tekortschieten. In de eerste plaats gaat het om langetermijnontwikkelingen, oftewel veranderingen die over een of meerdere decennia invloed uitoefenen. Daarnaast zijn middellangetermijnontwikkelingen van belang, het gaat dan om ontwikkelingen die in de voorafgaande periode van ongeveer vijf jaar spelen. Ten slotte zijn de kortetermijngebeurtenissen van belang; gebeurtenissen die in het laatste halfjaar voor de verkiezingen spelen, in het bijzonder de verkiezingscampagne. In deze bijdrage gaat het om de politicologische en sociologische ontwikkelingen op de lange en de middellange termijn. 

Electorale kracht van de sociaal-democratie

Een volkspartij als de PvdA berust sinds haar oprichting in 1946 op een coalitie van arbeiders en middengroepen. De partij vormde na de oorlog altijd een redelijke afspiegeling van de bevolking, met een lichte oververtegenwoordiging van kiezers die zich tot de arbeidsklasse rekenden en een ondervertegenwoordiging van kerkelijke kiezers.1 De niet-kerkelijke arbeidersklasse, tot ver in de jaren zeventig het overgrote deel van de electorale achterban, wordt daarbij veelal als het traditionele kernelectoraat van de PvdA beschouwd. 

Deze electorale coalitie was lange tijd zeer succesvol omdat het sociaal-democratische programma verschillende bevolkingsgroepen aansprak. Daarbij is belangrijk te onderkennen dat er drie belangrijke motieven een rol speelden bij de steun voor de PvdA. In de eerste plaats verwachtten veel kiezers terecht een materiële lotsverbetering van de realisering van het sociaal-democratisch programma. De belofte van bestaanszekerheid en materiële lotsverbetering voor hunzelf en hun kinderen sprak met name grote groepen arbeiders aan en meer algemeen lager opgeleide kiezers. In de tweede plaats stond de sociaal-democratie voor een sterke publieke sector. Daarbij ging het niet alleen om sociale wetten en voorzieningen, maar ook om zaken als goed en toegankelijk onderwijs voor iedereen en goede gezondheidszorg. Dit tweede motief is waarschijnlijk het belangrijkste en meest breed gedragen en gedeelde motief onder de achterban van de partij. 

Het derde te onderscheiden motief is het streven naar een rechtvaardige nationale en internationale samenleving, ook wel aangeduid als het solidariteitsmotief. Dit is altijd een wezenlijk onderdeel geweest van het sociaaldemocratische gedachtegoed en sprak vooral de middengroepen aan, zeker vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. De solidariteit met kwetsbare en arme groepen buiten de Nederlandse samenleving is echter nooit diep verankerd geweest onder grote delen van de arbeidersklasse. In de jaren zestig constateerde Anne Vondeling, als partijleider de voorganger van Joop den Uyl, op basis van het eerste grote onderzoek onder PvdA-kiezers dat de partij ‘de materialistische inslag van de kiezers, ook van de PvdA-kiezers’ heeft onderschat om te vervolgen met de constatering ‘dat een groot deel van de PvdA-stemmers toen weinig weet had van een aantal officiële partijstandpunten, zoals bijvoorbeeld over de ontwikkelingshulp’.2 

In 1968 stelde Marcel van Dam op basis van onderzoek onder de PvdA-leden van de afdeling Utrecht vast dat onder oudere, veelal laagopgeleide kiezers de steun voor de vernieuwingsbeweging Nieuw Links beperkt was. Onder deze kiezers waren er ook veel die van mening waren dat buitenlandse arbeiders geweerd dienden te worden zolang er in Nederland werkloosheid was en dat de hulp aan arme landen niet vergroot diende te worden. WBS-directeur Henk van Stiphout wees er intern op dat de verdeeldheid onder de PvdA-kiezers ongetwijfeld nog groter was.3 

In zeker zin sloten deze bevindingen aan bij de stelling van Amerikaanse socioloog Seymour Martin Lipset die er in de jaren vijftig al op wees dat in de arbeidersklasse sterk van de middenklasse afwijkende opvattingen over orde, gezag en individuele vrijheden leefden.4 Deze verschillen bleven verborgen zolang de opvattingen over een rechtvaardige economische ordening en de concrete beleidsresultaten beide groepen in voldoende mate bonden. Het vormde lange tijd de kracht van het sociaal-democratische programma dat de verschillen in belangen minder belangrijk waren dan de gemeenschappelijke belangen. De lange- en middellangetermijnontwikkelingen hebben de laatste decennia de drijfveren van verschillende groepen kiezers om de PvdA te steunen ondergraven. Het gevolg is dat de drie motieven voor verschillende groepen kiezers om de PvdA te steunen ernstig zijn verzwakt; de tegengestelde belangen gaan hoe langer hoe meer de gemeenschappelijke belangen overheersen. 

Lange termijn

In haar bijdrage aan het zomernummer van S&D wijst Sarah de Lange op enkele langetermijnontwikkelingen, zoals de opkomst van nieuwe tegenstellingen in de politiek, naast de traditionele links-rechts tegenstelling.5 Verder wijst zij op politisering van deze nieuwe tegenstellingen, meestal aangeduid als tegenstellingen op de sociaal-culturele dimensie en de fragmentatie van het partijsysteem. Er zijn echter meer ontwikkelingen in de laatste decennia die de electorale positie van de PvdA aantasten. In de eerste plaats is de samenstelling van de beroepsbevolking ingrijpend veranderd, dit in samenhang met een stijgend opleidingsniveau en een veranderde arbeidsmarkt. Tabel 1 laat deze ontwikkeling zien aan de hand van het aantal kiezers dat van zichzelf aangeeft te behoren tot de (hogere) arbeidersklasse (het zogenoemde subjectieve klassenbegrip). Deze groep bestaat grotendeels, maar niet volledig uit mensen met (uitgebreid) lager onderwijs en eventueel mbo. 

In 1977 beschouwde ongeveer de helft van de kiezers zichzelf als arbeider, en ongeveer de helft van deze groep stemde PvdA. Dat zorgde voor ruwweg 25-% van de stemmen in dat jaar. Ongeveer tweederde van de kiezers die de PvdA van Den Uyl steunde, beschouwde zichzelf als arbeider. Veertig jaar later schommelt het aantal kiezers dat zichzelf tot de arbeidersklasse rekent rond de 30-%. Bovendien is binnen deze geslonken groep de populariteit van de PvdA sterk gedaald. Tot 1989 bleef rond de helft PvdA stemmen, maar bij de succesvolle verkiezingen van 2012 was dit nog maar een derde. 

De zeer lage score van 7-% in 2017 zou een eenmalige uitschieter naar beneden kunnen zijn, maar het succes van 2012, ook onder arbeiders, zou ook een uitschieter naar boven kunnen zijn. Vijf jaar later, in 2017 steunt een kwart van het oude sociaal-democratische kernelectoraat Wilders, en stemt 16-% op de SP. Dat betekent niet dat PvdA-stemmers direct zijn overgelopen naar de PVV; vaak heeft men al bij meerdere verkiezingen op de VVD of de SP gestemd. Er is bovendien sprak van een generatie-effect dat in veel electoraal onderzoek wordt verwaarloosd. In 2010, toen Wilders 25 zetels haalde, verklaarde de helft van de PVVkiezers dat hun vader of moeder een partijvoorkeur had voor de PvdA.6 Jongere, veelal laagopgeleide kiezers wier ouders in het verleden PvdA stemden, hebben geen enkele affiniteit meer met de PvdA. In 2017 genoot de PvdA nagenoeg geen steun onder de kiezers onder de 35 jaar. Kort en goed komt het erop neer dat het traditionele electoraat van de PvdA de laatste veertig jaar drastisch in omvang is afgenomen en bovendien steeds minder geneigd is om op de PvdA te stemmen. Electoraal zou dat geen probleem zijn als daar een toename van de steun uit de middengroepen tegenover zou staan, maar dat is niet het geval. 

In samenhang hiermee en in aansluiting op de constatering van De Lange over de fragmentarisering van het partijpolitieke landschap moet erop gewezen worden dat het aantal kiezers dat serieus overweegt op de partij te stemmen, het potentiële electoraat van een partij, ook ingrijpend veranderd is. Twintig jaar geleden gaven vier op de tien kiezers de PvdA een serieuze stemkans. Nu is dat aantal gehalveerd. In 2017 overwoog nog maar één op de vijf kiezers serieus om op de PvdA te stemmen. Het snelle electorale herstel van de PvdA in 2003 was mogelijk omdat het potentiële electoraat voor de PvdA nog aanwezig was; nu zal dat een stuk moeilijker zijn. Over een iets langere periode heeft een vergelijkbare daling van het aantal potentiële kiezers zich voorgedaan bij de andere traditionele volkspartij, het CDA. 

Tegenover de daling van het potentieel van de twee traditionele volkspartijen staat geen grote stijging bij andere partijen. Even leek het er in 2006 op dat de SP zou uitgroeien tot een nieuwe grote partij, maar het potentieel van de partij is inmiddels weer behoorlijk gedaald. In 2017 heeft geen enkele partij een potentieel dat boven de 30-% uitkomt en ontlopen de zeven middelgrote partijen elkaar op dit punt niet veel. Opvallend is verder dat het aantal kiezers voor wie GroenLinks een serieuze mogelijkheid is ongeveer even hoog ligt als in 1998, de tijd dat Paul Rosenmöller de partij leidde. Het ‘Klavereffect’ is tot nu toe op dit punt beperkt. De steun voor twee relatief nieuwe partijen als de Partij voor de Dieren en 50Plus is daarnaast opmerkelijk. 

Een derde belangrijke ontwikkeling betreft een mogelijke verrechtsing van het electoraat. Nederland is altijd een rechts land geweest waarin links nog nooit een meerderheid heeft behaald. Het aantal kiezers dat zichzelf als (gematigd) rechts beschouwt, ligt al jaren rond de 45-%. Het aantal kiezers dat zichzelf in het politieke midden plaatst, stijgt – een ontwikkeling die ten koste gaat van het aantal linkse kiezers. In 2017 beschouwde nog maar ruim 30-% van de kiezers zichzelf als links (figuur 1). Afgewacht moet worden of deze daling een tijdelijke dip is of blijvend. Het feit dat ouderen (55 jaar en ouder) gemiddeld iets linkser zijn dan de jongere generaties stelt op dit punt niet gerust. 

Een op de vier kiezers plaatst zich nu in het politieke midden. Gedeeltelijk zijn dit kiezers met weinig politieke belangstelling en kennis, gedeeltelijk zijn het ook kiezers die de links-rechts tegenstelling niet meer relevant achten. Verontrustend voor de PvdA en andere linkse partijen is dat deze kiezers in het politieke midden, als ze gaan stemmen, hun nauwelijks zien staan. De PVV is in deze groep in 2017 de grootste partij met 18-%, gevolgd door CDA, D66 en de VVD. De SP is de linkse partij die het met een magere 9-% nog het beste doet.7 

Het gebrek aan aantrekkingskracht van links heeft te maken met de veranderende inhoudelijke opvattingen van veel kiezers. Links wordt geassocieerd met een sterke en actieve overheid, een overheid die veel geld kost, bureaucratische regels verzint en de vrijheid van het individu beperkt – een associatie die veel kiezers minder aanspreekt dan enkele decennia geleden. Het is een uitdaging voor de PvdA en andere linkse partijen om in deze tijd van individualisering en geloof in de marktwerking een overtuigend positief beeld van de rol van de overheid neer te zetten. 

De electorale ontwikkelingen in de arbeidersklasse, het traditionele electoraat van de PvdA, en onder de kiezers in het politieke midden hebben alles te maken met de opkomst van nieuwe politieke tegenstellingen die vorm krijgen rond de sociaal-culturele dimensie. De nieuwe tegenstellingen gaan over onderwerpen als migratie en integratie, het beleid rond vluchtelingen, de positie van Nederland in de Europese Unie en de globalisering van de economie. De nieuwe culturele dimensie is belangrijk, de betrokken onderwerpen houden veel kiezers bezig en raken hen veelal direct. 

Politieke partijen met een relatief homogene achterban qua opleiding en leefstijl als D66 en GroenLinks hebben het met de nieuwe sociaal-culturele tegenstellingen een stuk gemakkelijker dan een partij met de ambitie een hetero gene achterban te behouden. De achter ban van de PvdA is duidelijk verdeeld over een aantal belangrijke issues op deze nieuwe dimensie. Zo vond in 2012 de helft van de arbeidersachterban dat de eenwording van de Europese Unie te ver was gegaan tegenover ruim een derde van de middengroepen.8 In eerdere verkiezingsjaren was dat verschil tussen beide groepen soms nog groter. Op deze en andere issues heeft een deel van PvdA-kiezers opvattingen en voorkeuren die op gespannen voet staan met het beleid van de partij. 

Het is goed om zich te realiseren dat sommige onderwerpen op de sociaal-culturele dimensie nieuw zijn en andere al behoorlijk oud, maar dat ze nooit een prominente rol in het politieke debat en de strijd om de kiezer speelden. Zo’n dertig jaar geleden voelden veel PvdA-kiezers ook weinig voor ontwikkelingshulp of voor het toelaten van vluchtelingen uit Sri Lanka, maar ze accepteerden dit, zo lang ze ervan overtuigd waren dat op andere terreinen er wel voor hun belangen werd opgekomen. De opkomst en politisering van de nieuwe dimensie betekent niet dat de sociaaleconomische onderwerpen voor de kiezers geen belang meer hebben. Wel geldt dat als in het publieke en politieke debat de sociaaleconomische tegenstellingen onzichtbaar zijn, ze in het stemhokje ook minder belangrijk worden. 

Middellange termijn

De ontwikkelingen op de lange termijn zijn voor politieke partijen niet of nauwelijks te beïnvloeden. Dat geldt niet voor de ontwikkelingen op de middellange termijn, die spelen over een periode van een jaar of vijf. Daarin wordt het beleid beoordeeld en ontstaan onder de kiezers bepaalde opvattingen over partijen. Het gaat daarbij om vragen als wat de partij gerealiseerd heeft, of men voor het optreden als regerings- of oppositiepartij waardering kan opbrengen en zich kan herkennen in het gevoerde beleid. In eerste instantie zijn het vaak voorlopige beelden die nog kunnen veranderen, maar als de informatie die kiezers krijgen naar hun mening steeds in dezelfde richting wijst, wordt het hoe langer hoe moeilijker om het beeld nog te veranderen. Bij de afgelopen verkiezingen viel deze termijn ongeveer samen met de deelname van de PvdA aan het tweede kabinet-Rutte. 

Na een zeer succesvolle campagne in 2012, waarbij de PvdA onder leiding van Diederik Samsom, een zeer groot deel van haar potentiële aanhang wist te motiveren de partij te steunen, ging het in de ogen van de kiezers al heel snel mis. De snelle formatie, het beeld dat er belangrijke onderwerpen waren uitgeruild met de VVD, gaf veel PvdA-kiezers het gevoel dat er niet voor hun belangen en idealen was geknokt. Als daarna al snel de invoering van de inkomensafhankelijke premie voor de zorgverzekering onder druk van protesten uit de hoek van de VVD weer wordt afgeschaft, wordt dat beeld slechts versterkt. 

De snelle maar ongelukkige start van het kabinet vertaalde zich al direct in een sterke daling van de PvdA in de peilingen. Binnen een jaar na het aantreden van het kabinet van VVD en PvdA was de partij de campagnewinst weer kwijt en zakte ver onder de twintig zetels. De bezuinigingen op voor PvdA-kiezers belangrijke onderwerpen als gezondheidszorg, ouderenzorg en de sociale werkplaatsen zorgden voor een vertrouwensbreuk tussen de PvdA en haar kiezers, een vertrouwensbreuk die veel dieper zat dan de PvdA-leiding vermoedde. 

Op dit punt is de rol van het PvdA-kader eveneens opmerkelijk. Het kader heeft de mogelijkheid, hoewel minder dan in het verleden, om de top van de partij, met name de fractie, fractieleider en de ministers enigszins onder druk te zetten. Het partijcongres en de politieke ledenraad zijn daar de geëigende plaatsen voor. Kritiek en verzet was er zeker maar dat spitste zich vooral toe op het kinderpardon en de bed-bad-en brood-regeling voor illegalen. Zonder twijfel zijn dit belangrijke onderwerpen en het is goed dat actieve partijleden zich daar voor inzetten, verontrustend is het echter dat het verzet uit de partij zich tot deze onderwerpen beperkte. Thema’s die veel kiezers direct in hun dagelijkse bestaan raakten, zoals de ouderenzorg en de gezondheidszorg, werden al dan niet morrend geaccepteerd en waren geen aanleiding voor felle debatten. Ook de verwerping van de zorgwet van minister Schippers door het tegenstemmen van Adri Duivesteijn en twee andere PvdA-senatoren leidde niet tot een openlijke conflicten met de VVD. Het stelselmatig vermijden van elk conflict met de VVD op deze belangrijke beleidsterreinen bevestigde voor veel kiezers dat de partij daar geen prioriteit aan hechtte. Het kan dan ook niet verbazen dat het kabinetsbeleid aan het einde van de rit door de kiezers vooral als VVD-beleid werd beoordeeld. 

In het onderzoek dat dit jaar werd uitgevoerd voor de Volkskrant was enkele weken voor de verkiezingen 40-% van alle kiezers tevreden met het gevoerde kabinetsbeleid, dit gold echter voor 90-% van de VVD-kiezers en slechts voor ruim de helft van de in maart van dit jaar resterende PvdA kiezers.9 De achterban van CDA- en D66-kiezers waren ongeveer even tevreden als de PvdA’ers. Interessanter is te kijken naar de grote groep kiezers die in 2012 PvdA had gestemd en nu een andere partijvoorkeur had: zij waren met ruim 40-% minder tevreden over het kabinetsbeleid dan de resterende PvdA-kiezers maar duidelijk meer tevreden dan kiezers van de PVV, SP en 50Plus. De groep ‘PvdA-verlaters’ is overigens een redelijke afspiegeling van de PvdA-kiezers uit 2012, alleen hoger opgeleiden zijn licht oververtegenwoordigd. 

In het onderzoek is voor de verkiezingen ook enkele keren gevraagd hoe belangrijk kiezers verschillende onderwerpen vonden. Gezondheidszorg was daarbij steeds het onderwerp dat het meest belangrijk werd gevonden, ruim 90-% van de ondervraagden gaf dat aan. Daarna volgden werkgelegenheid, veiligheid en onderwijs. Het minst belang hechtten de ondervraagden aan milieubeleid, vluchtelingenbeleid en integratie van minderheden, deze drie werden door rond de 60-% als belangrijk aangeduid. Gezondheidszorg was daarbij niet alleen het belangrijkste onderwerp, het beleid op dit terrein kreeg een stevige onvoldoende met een cijfer van 4,7. Alleen het migratiebeleid en het vluchtelingenbeleid scoorden nog net iets slechter. 

Enkele dagen na de verkiezingen hebben we de respondenten gevraagd welke rol een vijftal thema’s heeft gespeeld bij hun stemgedrag. Het ging daarbij om ouderenzorg, werkgelegenheid, gezondheidszorg, klimaatverandering en immigratie. De meeste kiezers laten zich in hun stemgedrag niet leiden door één onderwerp, maar de antwoorden op deze vragen geven wel een indicatie van de inhoudelijke overwegingen die hebben meegespeeld in het stemhokje. 

De gezondheidszorg, voor de verkiezingen het meest aangeduid als belangrijk beleidsterrein, wordt door de kiezers het meest genoemd als onderwerp dat een grote tot zeer grote rol heeft gespeeld bij het stemgedrag (64-%). Het minst gebeurde dat door de VVD-kiezers (54-%) en het meest door de SP-kiezers (87-%). Laagopgeleide kiezers en ouderen noemen het meer dan gemiddeld als belangrijke factor. Bij het thema ouderenzorg zien we hetzelfde patroon, maar met grotere verschillen tussen SP- en VVD-kiezers en aanzienlijk grotere verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden en tussen ouderen en jongeren kiezers. De groep ‘PvdA-verlaters’ noemt het met 67-% ook vaak.

Bij het onderwerp werkgelegenheid zijn de verschillen tussen partijen en groepen kiezers zeer beperkt. Iets minder dan de helft van de kiezers geeft aan dat het een (grote) rol heeft gespeeld. De rol van het thema immigratie laat ook weinig verschil tussen de kiezers zien, met één uitzondering. Voor de PVV-kiezers is het met 86-% het belangrijkste onderwerp dat een rol speelde in het stemhokje, aanzienlijk meer dan bij alle ondervraagden (52-%), terwijl slechts 42-% van de voormalige PvdA-kiezers de rol als belangrijke beoordeelt voor het eigen stemgedrag. De PvdA-verlaters verschillen op dit punt niet van de PvdA-stemmers van 2017. 

De rol van klimaatverandering bij het stemgedrag wordt met 31-% het minst genoemd als belangrijk. Alleen voor de kiezers van GroenLinks is het erg belangrijk geweest bij hun stemgedrag, en meer in het algemeen voor hoogopgeleiden. Klimaatverandering is ook de factor waarbij de verschillen het grootst zijn, variërend van 13-% bij de PVV-kiezers en 22-% bij de VVD-kiezers tot 64-% bij de kiezers van GroenLinks. Hoewel veel voormalige PvdA-kiezers nu GroenLinks en D66 gestemd hebben, noemen zij klimaatverandering minder als onderwerp dat een rol speelde bij het stemgedrag dan de kiezers die wel PvdA stemden (43 versus 52-%). Dit betekent dat de voormalige PvdA-kiezers vooral gezondheidszorg en ouderenzorg noemen als thema dat hun stemgedrag heeft beïnvloed. Ook voor de vrij kleine groep jonge PvdA-verlaters, jonger dan 35 jaar, geldt dat gezondheidszorg de belangrijkste factor was, maar bij hun staat klimaatverandering met 56-% op de tweede plaats. 

De PvdA heeft sinds 2012 de prioriteit gelegd bij het in stand houden van het kabinet met als doel het economisch herstelbeleid tot een succes te maken. Het landsbelang vereiste dit, aldus de leiding van de partij. Het is een prioriteit en een argumentatie die door veel PvdA-kiezers nooit is begrepen. Het betekent dat het beleid sinds 2012 voorbijgegaan is aan de motieven die voor de kiezers belangrijk zijn om de PvdA te steunen. Als het gaat om lotsverbetering of de sociaaleconomisch positie van de lagere groepen in de samenleving zullen de meesten vooral een verslechtering hebben ervaren als gevolg van de vele bezuinigingen. Kiezers stemmen geen PvdA vanuit de wens de verzorgingsstaat te versoberen. Het feit dat de PvdA zich heeft ingezet om vooral de laagstbetaalden te ontzien zegt veel kiezers weinig. Een grote groep stemt PvdA in de hoop de eigen positie te verbeteren, niet om de eigen achteruitgang te temperen. Dat dankzij de PvdA een nivellering van inkomens heeft plaatsgevonden is bovendien door de PvdA, na de juichkreten hierover van partijvoorzitter Spekman in 2012, nooit meer nadrukkelijk naar voren gebracht. De mogelijkheden om in te spelen op het solidariteitsmotief onder veel kiezers, het streven naar een meer rechtvaardige samenleving, is daardoor verwaarloosd.

Toekomst

Het is voor de PvdA en andere sociaal-democratische partijen noodzakelijk opnieuw een programma te ontwikkelen waarin verschillende groepen met vaak tegenovergestelde voorkeuren elkaar kunnen vinden. Ik betwijfel echter of het mogelijk is om de sociaal-culturele en sociaaleconomische vraagstukken met elkaar te verbinden en te integreren in een samenhangende visie, zoals De Lange in het vorige nummer van S&D bepleit. Op de sociaal-culturele dimensie staan groepen op basis van opleiding en etniciteit tegenover elkaar; hun belangen en visies op de wereld zijn moeilijk met elkaar te verenigen. Op deze dimensie is er in belangrijke mate, maar niet alleen, sprake van botsende waardensystemen. Profilering op deze dimensie leidt juist tot een eenzijdige samengestelde achterban, zoals bij de PVV het geval is (laag opgeleid en blank) of GroenLinks en D66 (hoogopgeleid, iets minder blank en wat jonger). 

Tot nu toe is het geen enkele partij gelukt om zich te profileren op de sociaal-culturele dimensie en een heterogeen samengesteld achterban te bedienen. Een partij die de ambitie heeft volkspartij te willen zijn en blijven kan niet overleven met een scherp profiel op de sociaal-culturele dimensie. Ook zonder scherp profiel op deze dimensie kan een partij duidelijk afstand nemen van intolerantie en racisme en zich kritisch opstellen over bijvoorbeeld de Europese integratie. Een scherp en herkenbaar profiel op de sociaaleconomische dimensie is voor de sociaal-democratie de enige mogelijkheid om een volkspartij te blijven. Daarbij zou het moeten gaan om een verzorgingsstaat die bescherming organiseert tegen de risico’s van de globale marktsamenleving en het bestrijden van oude en nieuwe ongelijkheden.10 Met een dergelijk programma zijn er zeker mogelijkheden voor electoraal herstel voor de PvdA, maar gegeven de langetermijnontwikkelingen in de samenleving is een positie als middelgrote partij het hoogst haalbare. 

Dit artikel is een bewerking van een op 4 april gehouden inleiding voor de werkgroep Partijpolitieke processen van de Wiardi Beckman Stichting.

  • 1. Zie verder Ph. van Praag (2016), ‘Van kiezers en campagnes, de electorale ontwikkeling van de PvdA’ in Frans Becker en Gerrit Voerman (red.) Zeven tig jaar Partij van de Arbeid. Amsterdam: Boom.
  • 2. A. Vondeling, Nasmaak en voorproef. Een handvol ervaringen en ideeën. Amsterdam: De Arbeiderspers, p. 19.
  • 3. Ph. van Praag (1992) Strategie en Illusie, elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977). Amsterdam: Het Spinhuis, p.
  • 4. S.M. Lipset, Political Man, the social bases of politics. (Londen, 1959-/-1983), met name het hoofdstuk over working-class authoritarianism.
  • 5. De Lange, S (2017) ‘Waarom oude witte mannen niet genoeg zijn en een volksbewe ging nodig is’, S&D 2017-/-2, pp. 24-32.
  • 6. Nationaal Kiezersonderzoek 2010.
  • 7. Onderzoek Universiteit van Amsterdam en de Volkskrant uitgevoerd door Kantar, post election meting van 17-19 maart 2017. Het betreft een panel onderzoek. Een groep van 1357 kiezers is vier keer ondervraagd. Het stemgedrag in 2012 van de deelnemers was daarbij al veel eerder door de Kantar geregistreerd.
  • 8. Van Praag, 2016, p. 120
  • 9. De percentages betreffen de som van de scores 5, 6 en 7 op een zevenpuntsschaal.
  • 10. F. Becker (2016) ‘De ideologische en programmatische ontwikkeling van de PvdA’ in Frans Becker en Gerrit Voerman (red.) Zeventig jaar Partij van de Arbeid. Amsterdam: Boom.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl