Greep op de problemen van vandaag vereist collectieve actie en collectief handelingsvermogen kan niet zonder een idee van gemeenschap. Laten we een inclusieve identiteitspolitiek bouwen rond de bescherming en ontplooing van onze manier van leven en de instituties die deze ondersteunen. In contrast met de exclusieve identiteitspolitiek gebaseerd op natie, geloof of ras die overal weer de kop opsteekt.

Blijkbaar slinkt de Europese bevolking.1 Zij wordt per verkiezing kleiner. Herleid tot ware Finnen, echte Vlamingen, normale Nederlanders, christelijke Hongaren, ‘Français de souche’ en ‘prima gli Italiani’. En wat er overblijft na die mentale zuivering kan nauwelijks meer met elkaar spreken over welke samenleving wij willen. Omdat alleen vrouwen iets zinnigs kunnen zeggen over vrouwen, gelovigen over gelovigen, en migranten over migranten. Op zichzelf betrokken groepen. We zien die trend vandaag de dag overal, links en rechts van het politieke spectrum, in conservatieve en progressieve kringen. De terugkeer van identiteitspolitiek.

Juist het tegengaan van identiteitspolitiek was na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog het belangrijke motief achter de Europese samenwerking en het streven naar Europese eenwording. Men wilde alles vermijden waarvan men dacht dat het had geleid tot de uitsluiting van anderen en tot de gruwelijkheden die hadden plaatsgevonden: nationalisme, collectieve identiteiten en identiteitspolitiek. Men stelde meer vertrouwen in de bindende kracht van belangenvervlechting dan in die van gemeenschapsgevoel. Zo werd het idee dat naties die economisch afhankelijk zijn van elkaar geen oorlog met elkaar voeren, leidend voor de Europese ontwikkeling.

Na het mislukken van de federalistische opzet vertrouwde men op de plannen van founding fathers Jean Monnet en Robert Schuman. Door de productie van kolen en staal onder Euro-pees gezag te plaatsen zou het onderlinge wantrouwen afnemen. Recht en regels zouden de machtspolitiek beteugelen en een gemeenschappelijke
markt vrijmaken. Een deskundig, waardenneutraal en niet-ideologisch bestuur zou uniforme standaarden en een gelijk speelveld op die markt borgen. Politiek beladen vragen werden bewust uitgesteld tot een toekomst waarin ze door een verder gevorderde integratie naar verwachting makkelijker oplosbaar zouden zijn. Depolitisering kortom, door markt en recht.

De energie in Europa kon zich zo verplaatsen van collectieven naar individuen. Van collectieven die met hun nationalistische en etnische identiteitspolitiek de nachtmerrie van Europa waren geweest, naar producenten en consumenten die tot wederzijds nut transacties konden aangaan op de vrijgemaakte Europese markt. Van de natiestaat naar een supranationale structuur die de macht van Duitsland zou binden aan de Europese samenwerking: Europa zou supranationaal zijn of zou niet zijn.2

En zo ontwikkelde Europa zich in de daaropvolgende decennia als project van handelsvrede en hoop.3 De Europese elites leefden met de illusie dat zij met lichte bagage, ontlast van het gewicht van waarden, collectieve identiteiten
en nationale trots, gezwind op weg waren naar wie weet wereldvrede. Een lineair idee van de geschiedenis, als een zegetocht van de liberale democratie.

Die hoop werd versterkt door de val van de Muur in 1989. Francis Fukuyama stelde in dat jaar de vraag of de liberale democratie het einde van de geschiedenis zou kunnen zijn. Gedenkwaardig zijn de slotzinnen van zijn beroemd geworden essay The End of History? ‘Het einde van de geschiedenis wordt een trieste tijd. De strijd om erkenning, de bereidheid zijn leven te geven voor een puur abstracte zaak, de wereldwijde ideologische strijd die een beroep deed op durf, moed, verbeeldingskracht en idealisme, dat alles zal worden vervangen door economische berekening, de eindeloze zoektocht naar oplossingen van technische problemen, bezorgdheid over het milieu en de bevrediging van de ontwikkelde verlangens van consumenten.’4 1989!

Hoe staat het met de Europese gemeenschap?

We kunnen stellen dat in Europa de geschiedenis kort nadien weer tumultueus en ontnuchterend begon. We werden met de neus op een aantal tekorten van het Europese project gedrukt. Te lang is de Europese samenwerking voornamelijk materieel ingevuld en heeft waardesturing ontbroken. Het middel – de markt – leek het voornaamste doel geworden. Zeker sinds het ideologische marktdenken in het laatste kwart van de vorige eeuw ook Europa in zijn greep kreeg.

We spraken in die tijd over de Europese Gemeenschap, maar dat was eigenlijk lichtzinnig, want aan gangbare opvattingen van wat een gemeenschap is, voldeed de Europese samenwerking niet. De Amerikaanse socioloog Talcott Parsons verheldert wat er nodig is om van een gemeenschap te kunnen spreken. Een gemeenschap op de schaal van een samenleving – een ‘maatschappelijke gemeenschap’ - heeft volgens hem onder meer een gemeenschappelijke economie en heeft instellingen die het mogelijk maken beslissingen te nemen. Collectieve beslissingen die bindend zijn voor iedereen. Maar daarnaast is een maatschappelijke gemeenschap ook een sociale en culturele gemeenschap. Is er een gevoel van samenhang - van verwantschap bijna - en zijn er gedeelde waarden en opvattingen. Die laatste vervullen voor Parsons de functie van patroonbehoud. Zij geven de eigenheid van een gemeenschap weer - de kern van haar identiteit. Zij vormen als het ware het ‘merk’: wat vinden wij van waarde, waar staan we voor?5

Een succesvolle gemeenschap veronderstelt dus niet alleen een presterende economie en een effectief bestuur, maar ook sociale cohesie, een gevoel van samenhang en eigenheid. Door zeer vergaande integratiestappen als de afschaffing van de binnengrenzen, de introductie van de eenheidsmunt en de deregulering van kapitaal zijn de natiestaten in Europa in economische zin en qua politieke instellingen tot gemeenschap gemaakt, terwijl de sociale en culturele dimensies van die gemeenschapsvorming zijn achtergebleven.

Het publiek was bovendien afzijdig bij deze ingrijpende stappen. Het heeft niet bewust meegemaakt dat zijn gemeenschap van nationale naar Europese dimensies is opgetrokken. De mensen dachten nog over Europa als de markt waar Nederland ons dertiende maandsalaris verdiende. Terwijl de bewaking van de Nederlandse buitengrenzen in feite in Griekse handen kwam, de problemen van Italiaanse banken de stabiliteit van onze munt gingen beïnvloeden, en onze beslissingen over de hoogte van de vennootschapsbelasting onder druk kwamen van mobiel kapitaal. Terwijl deze ingrijpende integratiestappen werden gezet, die de grenzen tussen de gemeenschappen wegnamen zoals die in natiestaten bestaan, is er onvoldoende duidelijkheid geweest over de sociale en culturele grondslag van de nieuwe gemeenschap in wording.

Een groot aantal staten in Zuid-, Midden- en Oost-Europa is toegetreden tot de gemeenschap, waarbij het bijna honderdduizend pagina’s tellende regelboek van de Europese Unie getrouw werd overgenomen in de nationale wetgeving. Daarmee werd de reikwijdte van de democratie in Europa enorm uitgebreid, en vond een grote investering plaats in het administratieve en juridische vermogen van de nieuwe Europese lidstaten. Een fenomenaal beschavingsoffensief.

Maar tegelijkertijd zijn er grote sociale en culturele verschillen binnengebracht in de Europese Unie. Wezenlijke verschillen in economische structuur, in capaciteit en kwaliteit van de overheid, reikwijdte van de verzorgingsstaat, historische ervaringen, geloofsleven, houdingen en opvattingen.

De Europese gemeenschap uitgedaagd

Volgens Parsons heeft een systeem zoals de Europese Unie pas het vermogen interne solidariteit te mobiliseren en zich aan grote veranderingen aan te passen, als zij een gemeenschap vormt. Dit idee is mooi uitgedrukt door de Franse historicus René Grousset, een van de grondleggers van wat vandaag de globale geschiedenis wordt genoemd. ‘Geen enkele beschaving werd ooit van buitenaf vernield’, schrijft hij, ‘zonder dat zij zich voorafgaand van binnenuit had geruïneerd.’ En: ‘beschavingen plegen zelfmoord als zij vergeten waarvoor zij staan, als de centrale ideeën waaromheen zij gegroeid zijn, hun vreemd zijn geworden.’6

In Europa zijn die centrale ideeën misschien niet voldoende duidelijk geweest. Dat besef dringt tot ons door in een periode van crisis. De historicus en politiek filosoof Luuk van Middelaar spreekt van een overgang van regelpolitiek naar gebeurtenissenpolitiek in Europa. Na vijf jaar in het hart van de Europese Unie te hebben gewerkt als speechschrijver van de voorzitter van de Europese Raad, schreef hij in zijn boek De nieuwe politiek van Europa: ‘De Brusselse instellingen, werkmethoden en denkwijzen zijn erop ingericht politieke passies te smoren in een web van regels: depolitisering, heel nuttig voor het bouwen van een markt. Maar dit vernuft slaat om in zwakte zodra er moet worden gehandeld, zoals we ons sinds de eurocrisis van 2010 vrijwel dagelijks realiseren.’7

Van Middelaar contrasteert de regelpolitiek en gebeurtenissenpolitiek langs twee dimensies. De ene vraag is hoe nieuw en uniek een te nemen besluit is. Past het voorliggende geval binnen bestaande regels en kaders of is het volkomen onverwacht en politiek heel gevoelig? Zo contrasteert hij de ingekaderde regelpolitiek voor het opzetten van een markt voor ijzerschroot met de gebeurtenissenpolitiek die nodig was in de noodsituatie van de eurocrisis.

De tweede vraag is welk type spelers namens de publieke autoriteiten aan zet is: ambtenarij of regering. Op de dimensie van regelpolitiek naar gebeurtenissenpolitiek gaat dat ‘van administratieve uitvoerders, regeltoepassers en experts, via spelers op het snijvlak van techniek en politiek (zoals vakministers of eurocommissarissen), naar de presidenten en premiers in het zicht van de openbaarheid’.8

Dit onderscheid tussen regelpolitiek en gebeurtenissenpolitiek is zinvol en biedt inzicht, maar is vooral beschrijvend. Wat dit tijdsgewricht in Europa wezenlijk bepaalt, wat de crises in Europa meer verklaart, is dat de EU vandaag wordt uitgedaagd als gemeenschap. De Europese Unie wordt gevraagd als gemeenschap te handelen, vanuit een Europese identiteit.

Dat gaat inderdaad niet om het maken van regels. Wat de socioloog Parsons en de historicus Grousset schreven ging niet over wetgeving. Het ging over de dynamiek van menselijk samenleven, om wat wij van waarde vinden, waar wij voor staan. Mensen leven niet louter samen als een verzameling van individuen die economische transacties aangaan. Mensen leven samen in collectiviteiten waarmee zij zich verbonden voelen: hun gezin, hun familie, vriendenkring, geloofsgenoten, medeburgers. Mensen hechten emotioneel aan die bindingen, maar zij vinden ze ook belangrijk omdat zij voelen dat hun handelingsvermogen afhangt van die bindingen. De Franse socialistische voorman Jean Jaurès drukte dat mooi uit toen hij zei dat de arbeider nog altijd één bezit heeft, namelijk de staat.

Maar die staat heeft aan handelingsvermogen ingeboet. Met statelijk handelingsvermogen alleen redden we het niet meer. Als we naar de grote uitdagingen van vandaag kijken, de hyperglobalisering, klimaatverandering, de grote instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, de vluchtelingenstromen, de irreguliere migratie, de mogelijke impact van technologische veranderingen op het werk, de cyberaanvallen en ondermijning van de politiek
via internet, dan is duidelijk dat de Europese staten moeten samenwerken om slagkracht en veerkracht te hebben.

Wie willen wij zijn?

Grote economische en humanitaire crises hebben Europa als gemeenschap het afgelopen decennium uitgedaagd te expliciteren wie wij willen zijn. Zeer indringend gebeurt dat door de vluchtelingencrisis. De afgelopen jaren is de wereld op drift geraakt. Sinds de Tweede Wereldoorlog vluchtten niet zo veel burgers voor geweld als in onze tijd. In totaal zijn er wereldwijd meer dan 65 miljoen ontheemden. Veruit de meesten van hen worden in de regio van herkomst opgevangen.9 

In 2015 nam echter het aantal vluchtelingen naar Europa sterk toe. Meer dan een miljoen mensen vroegen asiel aan in dat jaar. Meer dan zevenduizend mensen per dag arriveerden op de piekdagen op het Griekse eiland Lesbos. De Europese regel dat vluchtelingen asiel moeten aanvragen in het land waar zij aankomen, was tegen deze aantallen niet bestand. En zeker na de uitnodigende woorden Wir schaffen das van Angela Merkel begon een praktijk van massaal ‘doorwenken’ van asielzoekers, via Griekenland, Macedonië, Servië en Kroatië, Hongarije, Oostenrijk, naar Duitsland of verder. De ongereguleerde wijze waarop dit gebeurde en de niet eerder vertoonde aantallen gaven het Europese publiek de indruk dat de Europese autoriteiten elke controle hadden verloren.

In de lente van 2016 kwam hieraan een eind door de afsluiting van de Grieks-Macedonische grens door Macedonië, en door de snel daaropvolgende EU-Turkije-deal. Aan de beloofde veilige luchtbrug voor Syrische vluchtelingen die een aantal EU-lidstaten in het vooruitzicht stelden, werd sindsdien slechts bescheiden gevolg gegeven.

Ondertussen zijn tienduizenden mensen gestrand in Griekenland, waar ze hun tweede winter in barre omstandigheden meemaakten, of zelfs opgesloten zitten in overvolle kampen als Moria op Lesbos. Een ‘facility without facilities’, zoals de vrouwelijke directrice haar werkplek smalend noemt. In het hart van Moria zitten meer dan honderd kinderen die zonder ouders zijn gearriveerd, opgesloten ter bescherming tegen medekampbewoners.

Nu de Europese Unie er steeds beter in slaagt haar buitengrenzen te fortificeren, dringt een aantal vragen zich op over ons als gemeenschap. Hoe definiëren wij onszelf: als gemeenschap van Europese burgers? Als een ‘continent of solidarity where those fleeing persecution can find refuge’10, zoals voorzitter van de Europese Commissie Juncker Europa omschreef in zijn State of the Union-speech van 2017? Of als een christelijk Europa, dat zich moet weren tegen een invasie door moslims, zoals de Hongaarse Orban dat stelt?11 En in hoeverre zijn wij als Europeanen verantwoordelijk voor de toestand waarin de kinderen van Moria, de gestrande vluchtelingen in Griekenland en Italië worden opgevangen en beschermd?

Hoe verhouden wij ons tot de ander? Hoe solidair zijn we met vluchtelingen en de landen in de regio die hen in overgrote meerderheid opvangen? In hoeverre willen we die landen daarin ondersteunen? Zien wij nog een verantwoordelijkheid om ook vluchtelingen in Europa te hervestigen?

En hoe verhouden wij ons tot elkaar? Wat doen we nu ons gemeenschappelijke asielsysteem niet bestand is gebleken tegen de massale instroom via de zuidelijke EU-lidstaten? Wat doen we met landen als Hongarije die zich niet neerleggen bij het feit dat ze overstemd zijn in de Raad en een deel van de vluchtelingen vanuit Griekenland en Italië moeten overnemen? En wat doen we met het feit dat vluchtelingen heel goed zien dat we in feite nog met verschillende gemeenschappen binnen de Europese gemeenschap te maken hebben? Dat ze liever illegaal in Duitsland of Nederland leven met een sterke publieke sector en relatief tolerante samenlevingen, dan als de enkele vluchteling die een asielstatus verwerft in Hongarije?

Ingrijpende politieke crises als de vluchtelingencrisis maken duidelijk dat we niet meer zonder nadere sociale en culturele duiding van Europa kunnen. Er is een grote behoefte aan meer zekerheid en veiligheid, en aan markering van onze identiteit. Die collectieve identiteit is de afgelopen decennia onvoldoende geboden. Politici zijn vaak terughoudend geweest in het praten over eigenheid, ook op momenten dat vele mensen zich onder invloed van globalisering, groeiende diversiteit, verwevenheid met de wereld en migratie dakloos voelden, en sterke behoefte hadden aan een sociale en culturele gemeenschap.

Mensen koppelen hun eigenheid uiteraard ook aan een entiteit die hun weer greep kan geven op de grote krachten die hun dagelijks leven bepalen. Dat is wat Jaurès bedoelde toen hij de staat omschreef als bezit van de arbeider. Dat is de grondslag van het natiegevoel: greep op je leven via het handelingsvermogen van de staat. De Europese staten en de Europese Unie kwamen daarvoor in aanmerking. Maar geen van beide heeft voldoende geantwoord op de verzuchtingen van de mensen.

We weten uit het verleden dat de behoefte aan bredere binding niet kan worden genegeerd. Dat de binding met de natiestaat te sterk is om te worden verwaarloosd. Een van de mooiste boeken daarover is het laatste boek van de grote Nederlandse socioloog Jacques van Doorn, Duits socialisme. Kort samengevat komt zijn stelling hierop neer: de Duitse socialistische partij wist haar ideaal van internationale klassensolidariteit onvoldoende te verzoenen met de verbondenheid die arbeiders voelden met hun natie.

Door het natiegevoel van de Duitse arbeiders te verwaarlozen en door te rekenen op het verdwijnen van de staat, veroordeelde de Duitse socialistische partij zich tot passiviteit, omdat de staat het enige kader was waarin hervormingen konden worden doorgevoerd. Door het gevoel van verbondenheid met de natie te verwaarlozen of zelfs te misprijzen, dreef de elite van de partij de arbeiders van zich weg. Van Doorn zag hierin een belangrijke oorzaak van de groei van het nationaal-socialisme.12

Het boek is actueel in een Europa waarin we in verschillende landen ontwikkelingen zien die breken met de essentie van het moderne burgerschap. Modern burgerschap heeft twee belangrijke eigenschappen. Ten eerste sluit het in en sluit het uit. Het maakt een verschil tussen burgers en niet-burgers. Ten tweede maakt het burgerschap onafhankelijk van ras, geloof en andere bijzonderheden. Men kan tot het burgerschap toetreden onder een aantal voorwaarden die in het moderne burgerschap zijn losgekoppeld van geloof, taal, etnische of sociaaleconomische positie.

Vandaag is de ontreddering over de aard van ons burgerschap zo groot dat we een kleine groep zien die het verschil tussen burgers en niet-burgers verwerpt, die pleit voor open grenzen, voor het opgeven van het verschil tussen burgerrechten en mensenrechten. Die daarmee radicaal kiest voor een postnationale wereld.

Aan de andere kant zien we een veel grotere groep mensen die burgerschap wil particulariseren. Die burgerschap wil beperken tot mensen met een bepaalde etnische of religieuze identiteit, mensen die op de een of andere manier de ‘ware’, ‘echte’ nationaliteit in zich dragen. De ware Finnen, de echte Vlamingen, de christelijke Hongaren. Politieke partijen die het ‘eigene’ en het ‘vreemde’ tegenover elkaar plaatsen, winnen aan populariteit in veel Europese landen. De terugkeer van de identiteitspolitiek. Een uitsluitende identiteitspolitiek. Die ontwikkeling moet ons op scherp
zetten.

Openheid en eigenheid

De uitdagingen zijn groot. Maar er is ook een inclusieve Europese identiteit die recht doet aan een modern burgerschap. En die identiteit heeft de kracht en vitaliteit om zich te bestendigen en te ontplooien. De Europese landen en de Europese Unie hebben nog onvoldoende gedaan om die identiteit te verduidelijken, mede door de oorsprong van Europa als project van handelsvrede en door de grote invloed van het marktdenken en het daaruit voortvloeiende economisme in de afgelopen decennia. 

Toch is er, in het licht van de grote behoefte aan greep op het leven en eigenheid die we overal in Europa zien, en de resonantie van de uitsluitende identiteitspolitiek in vele nationalistisch-populistische partijen, alle aanleiding om een inclusieve grondslag voor gemeenschapsvorming in Europa te formuleren en uit te dragen.

Europa is bezig zichzelf andermaal uit te vinden. En het zou het meest bij Europa passen als het dat doet in de karakteristieke dialectiek van eigenheid en openheid die al in de beroemde Europalegende besloten ligt.13 De Europalegende, van prinses Europa uit Fenicië (nu Zuid-Libanon) die door Zeus in de gedaante van een sneeuwwitte stier werd weggedragen naar Kreta, heeft vele betekenissen. De legende staat onder meer symbool voor de overdracht van de vruchten van de oudere beschavingen uit het Oosten naar de Griekse eilanden in opkomst. Fenicië behoorde tot het rijk van de farao’s. Europa’s ritje op de stier symboliseert dus de mythische link tussen het oude Egypte en de Griekse beschaving.

De Grieken zijn Europa als naam gaan gebruiken voor hun grondgebied ten westen van de Egeïsche zee, te onderscheiden van de oudere gebieden in het oosten. De bekende wereld lag in het oosten, het onbekende wachtte in het westen. Haar nieuwsgierigheid mag prinses Europa fataal zijn geworden, maar met haar stap op de rug van Zeus heeft zij het fundament gelegd voor een nieuwe beschaving die haar naam zou dragen en zich zou uitspreiden over het hele Europese continent.

De Europalegende staat ook voor al degenen die in haar voetsporen zijn gevolgd. Andere grote beschavingen die de geschiedenis heeft gekend rond de Nijl, de Indus en in Mesopotamië hebben lang geduurd, maar waren weinig dynamisch in hun geografische en intellectuele ontwikkeling. Anders dan deze beschavingen is de beschaving rond de Middellandse Zee gestimuleerd door constante migratiebewegingen.

Deze bewegingen veroorzaakten onzekerheid en onveiligheid. Maar zij voedden ook een constante ideevorming. De onveiligheid leidde tot energieke activiteit, bijvoorbeeld tot de eerste zeemacht Kreta. De schepen uit Kreta vervoerden mensen, goederen en cultuur, voedden uitwisseling van allerlei soorten met de landen waar ze naartoe zeilden.14

Openheid en eigenheid. Men kan die eigenheid van Europa weergeven door een aantal waarden. Dat deed Gabriël van den Brink in zijn mooie ROB-lezing Om de ziel van Europa.15 Zijn poging om de Europese identiteit te vatten in een aantal morele beginselen doet denken aan het werk van Herman Wiardi Beckman over het Nederlandse natiegevoel. Herman Wiardi Beckman was voor de Tweede Wereldoorlog hoofdredacteur van Het Volk en een van de leidende figuren van de Nederlandse sociaal-democratie.

Frans Becker en Menno Hurenkamp laten in hun boek over de actualiteit van het werk van Wiardi Beckman zien hoe hij ‘de grondslag, ontwikkelingsgang en blijvende waarden van het Nederlandse geestelijk leven’ verkent, ‘bepaald als dat is door twee grote lijnen: de humanistische en calvinistische. Zonder zijn ogen te sluiten voor de schaduwzijden van de Nederlandse geschiedenis […]’. Hij zag ‘als de diepste culturele waarden van de Nederlandse natie: vrijheidszin, tolerantie, eenheid in verscheidenheid, rechtsgevoel en democratie’.16

Door een invulling van de nationale gedachte met waarden kwam Wiardi Beckman op een moderne en inclusieve manier tegemoet aan de behoefte aan bredere binding, aan het verlangen naar een thuisgevoel waar Van Doorn het over heeft in zijn boek Duits socialisme. De waarden die Wiardi Beckman noemt zijn niet exclusief Nederlands, en ze sluiten de opname van immigranten als burgers ook geenszins uit. Ze zijn wel een product van de Nederlandse geschiedenis, ontstaan door een ‘historische lotsgemeenschap’, zoals hij dat schreef.

Terug naar Gabriël van den Brink en zijn hedendaagse poging om de Europese identiteit in waarden te vatten. In de culturele dynamiek van openheid en eigenheid die uiteindelijk tot het moderne leven in Europa heeft geleid, markeert hij een aantal filosofische beginselen die bewust of onbewust door talloze Europeanen worden gedeeld. Dat zijn vrijheid, redelijkheid, gelijkwaardigheid, zelfstandigheid, betrokkenheid en menselijke waardigheid. Hij sluit zijn lezing af met de hartstochtelijke wens dat de verbeelding van Europa niet alleen over zaken als markt en macht maar ook over morele beginselen zal gaan.17

Het samenlevingsproject in Europa

Maar de Europese identiteit valt tastbaarder te maken dan deze morele beginselen. En daarmee hopelijk nog herkenbaarder voor een breed publiek. Europese landen hebben deze waarden namelijk belichaamd in instituties, hebben ze vormgegeven in grondwet en wet, instituties die werken omdat mensen eraan verknocht zijn, jongeren worden opgeleid om die instituties te beschermen, en hun werking eventueel te verbeteren. Men kan het geheel van die instituties omschrijven als het samenlevingsproject van de Europese landen.18 

Dat samenlevingsproject kan worden gevat in zes instituties:

  • democratische rechtsstaat;
  • sociale, duurzame markteconomie;
  • verzorgingsstaat;
  • een seculiere staat;
  • wetenschap als grondslag van kennis;
  • internationaal engagement.

Geen van die instellingen heeft vandaag haar finale vorm gevonden. Zij vormen een project en in feite is veel van ons streven, veel van het werk dat we doen, dag in dag uit, gericht op het ontplooien en verbeteren van die instellingen. Het is en blijft een project dat moet worden verdedigd. Waarvan de zin aan nieuwkomers moet worden uitgelegd. En dat is goed, omdat het de meerderheid verplicht over haar overtuigingen en zekerheden na te denken. 

Het zijn deze morele beginselen en dit samenlevingsproject die richting kunnen geven aan ons handelen in wat Luuk van Middelaar beschrijft als de gebeurtenissenpolitiek van vandaag. Want die nieuwe politiek vergt niet alleen de inzet van regeringsleiders. Die nieuwe politiek vergt ook een gedeeld moreel kompas dat sturing verleent aan de gemeenschap Europa.

In dat Europese handelen blijven natiestaten van groot belang. Zij schragen de rechtsstaten en verzorgingsstaten van Europa. Het zwaartepunt van het democratisch leven, van de betrokkenheid bij de politiek, ligt vooralsnog binnen de landsgrenzen. Hoewel heel Europa meekeek met het Brexit-referendum, en de nationale verkiezingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland en Italië. Het institutionele systeem van de Europese Unie is zo sterk als de instituties van de natiestaten zijn. De institutionele capaciteit van de lidstaten is ook van belang voor het wederzijdse vertrouwen in Europa.

Maar het is tegelijk duidelijk dat natiestaten alleen niet meer de greep op het leven kunnen bieden die nodig is in tijden van globalisering. Dat zij niet in hun eentje de vrijgemaakte marktkrachten in de richting van onze waarden kunnen beteugelen, kunnen bijdragen aan stabiliteit in de regio om ons heen, en de energietransitie kunnen bewerkstelligen die mondiaal nodig is om ernstige klimaatverandering te voorkomen.

De Europese Unie zou de drager van het samenlevingsproject van de Europese landen kunnen worden. Niet op een manier die de natiestaten vervangt. Wel op een manier die de natiestaten de mogelijkheid geeft dat project te ontplooien in de hedendaagse, turbulente en onzekere wereld.

Staan alle Europeanen achter die instellingen? Nee. We zien ontwikkelingen die ernstige gevaren inhouden voor de rechtsstaat in een aantal Europese landen. Tijdens de laatste verkiezingscampagne in Nederland waren we getuige van een partij die het model van een seculiere staat verwerpt en de Koran wil verbieden. De sociale, duurzame markteconomie en de verzorgingsstaat moeten voortdurend worden verdedigd. 

We zien vandaag de dag, vooral rond democratie, rechtsstaat en seculiere staat een verdeeldheid tussen West- en Oost-Europa, met de Poolse en Hongaarse regeringen die stappen zetten die door velen in West-Europa worden beschouwd als een afbreuk aan de integriteit van die instellingen. We zien in West-Europese landen ook verdeling bij de bevolking. Zo opent zich in opvattingen over die instellingen een kloof tussen laag- en hooggeschoolden. Die ontwikkelingen verdienen al onze aandacht en al onze luisterbereidheid. 

Laten we dat doen in het volle besef van de waarde van onze manier van samenleven. Over de precieze betekenis en inrichting van onze instellingen zullen we in Europa blijven debatteren. Maar de zes instituties die ons samenlevingsproject vormen, schetsen wel een duidelijke morele horizon waarlangs die debatten zich bewegen.

En als we voorbij die morele horizon kijken naar Poetins ultranationalistische bewind in het oosten, het spoor van vernietiging dat religieuze haat trekt in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, en het opportunistische chauvinisme
van Trumps America First in het westen, dan weten we: wat ons als Europeanen verenigt, is sterker dan wat ons scheidt.

Op 28 januari 2018 sprak Monika Sie Dhian Ho de Beschermerslezing uit bij het Nationaal Monument Kamp Vught. Deze tekst is een bewerking van deze lezing.

  • 1. Mijn grote dank gaat uit naar Mark Elchardus en Han Sie Dhian Ho voor hun inspirerende ideeën voor deze lezing en naar Annemarieke Nierop voor haar scherpe commentaar en eindredactie.
  • 2. ‘Europa zal supranationaal zijn of zal niet zijn’ is een uitspraak van de Belgische founding father Paul-Henri Spaak, januari 1962, geciteerd in: Luuk van Middelaar, De nieuwe politiek van Europa, Historische Uitgeverij, 2017, p. 175.
  • 3. Zie Turkuler Isiksel: ‘Dromen van handelsvrede’, in: Luuk van Middelaar & Philippe Van Parijs (red.), Na de storm. Hoe we de democratie in Europa kunnen redden, Uitgeverij Lannoo, pp. 29-40.
  • 4. Vertaald uit het essay ‘The End of History?’, in: The National Interest, Summer 1989, p. 17.
  • 5. De benadering van gemeenschap is ontleend aan Parsons’ systeemtheorie en het zogenaamde vier-functieparadigma. Een korte samenvatting daarvan vindt men in Parsons, T. & G. Platt, The American University, Harvard University Press, 1973, pp. 423-477. Voor een bespreking en verduidelijking van deze benadering, zie ook: J. Alexander, The Modern Reconstruction of Classical Thought: Talcott Parsons, University of California Press, 1983, vooral hfdst 2-4.
  • 6. René Grousset, Bilan de l’histoire, Parijs, Plon, 1946 (heruitgegeven Librairie académique Perrin, 1974).
  • 7. De nieuwe politiek van Europa, p. 6.
  • 8. Ibid., p. 20.
  • 9. Monika Sie Dhian Ho, René Cuperus & Annelies Pilon, Inleiding. ‘De vluchtelingencrisis als reality test’, in: Monika Sie Dhian Ho, René Cuperus & Annelies Pilon (red.), Over de grens. De vluchtelingencrisis als reality test, A’dam: Van Gennep, 2017, pp. 9-19.
  • 10. http://europa.eu/rapid/pressrealease_ SPEEC-17-3165_en.htm
  • 11. www.bild.de/bild-plus/politik/ ausland/viktor-orban/orbaninterview- 54403736, view= conversionToLogin.bild.html
  • 12. J.A.A. van Doorn, Duits socialisme. Het falen van de sociaaldemocratie en de triomf van het nationaal-socialisme, Amsterdam: Mets & Schilt, 2007.
  • 13. In deze passage resoneert de mooie zin van Niek van Sas waarin hij een vergelijkbare hoop uitspreekt voor Nederland: ‘Nederland is bezig zichzelf andermaal uit te vinden. Net als in eerdere kritieke perioden, zoals rond 1800 en 1900, voltrekt die heruitvinding zich in een karakteristieke dialectiek van eigenheid en openheid’. Geciteerd in: Paul Scheffer, ‘”Steeds zwaarder drukt de last” – De actualiteit van Wiardi Beckman’, in: Frans Becker, Menno Hurenkamp & Paul Scheffer (red.), Onszelf blijven. H.B. Wiardi Beckman, baanbreker van de moderne sociaaldemocratie, Amsterdam: Bert Bakker, 2011, p. 195.
  • 14. Zie Norman Davies, Europe. A History, Oxford University Press, 1996, pp. xv-xvii.
  • 15. Gabriël van den Brink, Om de ziel van Europa, Raad voor het Openbaar Bestuur, 2012.
  • 16. Frans Becker & Menno Hurenkamp, ‘H.B. Wiardi Beckman – Baanbreker van de moderne sociaaldemocratie’, in: Onszelf blijven, p. 35.
  • 17. Ibid., pp. 25-28.
  • 18. Zie ook Mark Elchardus & Monika Sie Dhian Ho ‘Investeren in solidaire gemeenschappen’, in: Over de grens, pp. 29-50.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2017)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl