Eerder dan commercialisering is langdurige verwaarlozing van de kunst het probleem. Vooral de amateurkunst lijdt

Een haai die met zijn enorme bek kunst ver slindt, siert de omslag van het 37ste jaarboek voor de sociaal-democratie. Kunst is volgens de auteurs in handen gekomen van de commercie. De kabinetten-Rutte hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. In het kabinet-Rutte I heeft de verantwoordelijk VVD-staatssecretaris Zijlstra met een botte bijl de cultuurbegroting kleiner gehakt en in het kabinet-Rutte II heeft PvdA-minister Bussemaker dat niet gecorrigeerd. Economisering en marktwerking hebben cultuur ondergeschikt gemaakt aan rendementsdenken.

Het is een goed geschreven en gedocumenteerd betoog dat de onttakeling van het cultuurbeleid aangeeft en hoe dit beleid weer kan terugkeren. De auteurs doen dat op een originele manier. De hoofdstukken van hun analyse worden afgewisseld met interviews met personen uit de wereld van de cultuur. De interviews zijn door Nienke van Heukelingen journalistiek verwerkt. Omdat de interviews een aardig inzicht geven in wat in de praktijk wordt ervaren, heb ik, ter onderbouwing, in dit artikel enkele persoonlijke ervaringen verwerkt.

Het was nuttig geweest als de auteurs de cultuurbegroting in een wat langer tijdsperspectief van bijvoorbeeld enkele decennia
hadden geplaatst. Nu wordt vrijwel alleen aangegeven dat de VVD-staatssecretaris van Cultuur in het kabinet-Rutte I, Zijlstra, €/200 miljoen wilde bezuinigen. De bezuinigingen begonnen echter al vóór Zijlstra. Dit blijkt onder andere uit de cultuurindicatoren in de Cultuurindex van de Boekmanstichting. De auteurs maken daarvan geen gebruik. Uit die index blijkt dat al vanaf 2005 het aandeel van de overheidsuitgaven aan kunst en cultuur in de totale nationale bestedingen fors is afgenomen.

Bezuiniging treft vooral amateuristische kunstbeoefening

In 1998 werd ik voorzitter van de gemeentelijke muziekschool van Capelle aan den IJssel. Meteen werd ik geconfronteerd met bezuinigingen die waren opgelegd door nota bene de PvdA-wethouder. De muziekschool moest verzelfstandigd worden en dat zou gepaard kunnen gaan met nog meer bezuinigingen. Toen ik de fractievoorzitter van de PvdA daarover aansprak, antwoordde deze: ‘De tennisles van mijn dochter wordt toch ook niet door de gemeente gesubsidieerd?’ Gelukkig heeft het Rotterdamse centrum voor de kunsten, de SKVR, vervolgens in Capelle een filiaal gevestigd. In diezelfde tijd werd overigens wel een nieuw theater gerealiseerd.

Capelle aan den IJssel was geen uitzondering in deze verschuiving van middelen voor amateuristische kunstbeoefening naar prestigieuze ‘cultuurpaleizen’. Door deze bezuinigingen werden ook docenten getroffen. Zij moesten vaak hun vaste aanstelling inruilen voor een flexibel contract. Het gevolg was ook, zoals blijkt uit de cultuurindex van de Boekmanstichting, dat van 2005 tot 2014 het aantal leerlingen van de centra voor de kunsten afnam met bijna 40/%.

De cultuurindex maakt onder andere een onderscheid tussen canonieke en populaire podiumkunsten. Het bereik van de canonieke podiumkunsten is dalend, dat van de populaire is stabiel. Voor het subsidiebeleid is dit onderscheid relevant. Nadat vanaf 2006 (onder minister Plasterk van OCW) de organisatie van het subsidiebeleid fors is gewijzigd, heb ik de indruk dat canonieke kunstbeoefening prioriteit heeft gekregen. Amateurmusici waren wat betreft subsidie en ondersteuning vóór 2006 afhankelijk van één organisatie, waar ze ook hun onderlinge ervaringen uitwisselden: de LOAM. Deze maakte via UNISONO en Kunstfactor plaats voor het huidige Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) en het Fonds Cultuur participatie. Aan de traditie dat een door een kunstinstelling ingediende goede begroting vrijwel zeker tot een jaarlijkse subsidie leidde, kwam een eind. Subsidieaanvragers moeten zich nu door een brei van onduidelijke en niet altijd relevante voorwaarden worstelen en daarna is succes nog niet verzekerd.

Ik heb daarmee te maken gehad toen ik penningmeester was van een landelijke koepel voor amateurorkesten, de Nederlandse Organisatie van Accordeon en Mondharmonica (NOVAM) en van een landelijk jeugd orkest, het Nederlands Jeugd Accordeon Orkest (NJAO). Het accordeon werd en wordt door vele klassieke musici nog steeds als een minder waardig instrument gezien, hoewel zowel de NOVAM als het NJAO veel aandacht besteden aan canonieke kunstbeoefening. Relevant is de ervaring van een accordeonist uit het orkest van Malando, Henny Langeveld, die piano studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en ook accordeon speelde. Toen hij op verzoek van zijn docent een fuga van Bach op accordeon speelde, werd hij wreed gestoord door een boze Herman Krebbers, die dat vulgaire instrument niet wilde horen. Zelf heb ik meegemaakt dat een vertegenwoordiger van een fonds een subsidie voor het NJAO afwees met de opmerking: ‘Waarom zouden we accordeonorkesten subsidiëren, we subsidiëren toch ook geen mandoline-orkesten?’ Maar wat is er tegen een mandoline-orkest? Het NJAO kreeg dus geen subsidie, terwijl het Nederlands Jeugdorkest (NJO) met orkest leden die even begaafd zijn als die van het NJAO wel subsidie kreeg.

Financialisering

Becker & Kalma stellen terecht dat kunst en cultuur gekolonialiseerd worden ‘door commerciële belangen en marktinvloeden; en een afgenomen engagement – inhoudelijke en financieel – van de politiek. (…) Kunst staat bovendien onder een moordende financiële druk en wordt onvoldoende beschermd tegen de macht van het geld.’ Ze grijpen ter ondersteuning van deze stellingen terug op Om de kwaliteit van het bestaan, een rapport van de Wiardi Beckman Stichting uit 1963. Ze hadden evenwel beter gebruik kunnen maken van De weg naar vrijheid, een rapport uit 1951 waarin de PvdA Het Plan van de Arbeid actualiseerde voor de naoorlogse periode. Die studie pleit onder meer voor de opbouw van een in de gemeenschap gewortelde cultuur met als visie: ‘De socialistische beweging staat voor de wezenlijke en onontkoombare taak een belangrijke bijdrage te leveren tot een nieuw algemeen cultuurbesef, waarin menselijke ver houdingen gekenmerkt zullen zijn door samenwerking en solidariteit, waarin de middelen tot cultuuropvoeding en cultuuroverdracht in ruime mate aanwezig moeten zijn, en waarin tevens een onaantastbaar richtsnoer moet zijn het streven naar gelijke kansen voor allen om met deze middelen in aanraking te komen’. In Om de kwaliteit van het bestaan wordt onder cultuur slechts onderwijs behandeld. Dit rapport geeft wel goed aan dat er een jacht is ontstaan naar permanente en luxe consumptie, ten koste van collectieve voorzieningen.

Becker & Kalma pleiten voor een ‘revisited’ kwaliteit van het bestaan. Dat zal niet meevallen. De PvdA heeft er na 1963 geen succes mee geboekt. De bevolking bleef prioriteit geven aan private boven publieke bestedingen. Zo kregen we de toch wel zotte situatie dat in een periode waarin de welvaart veel lager was dan thans er relatief meer aan cultuur werd uitgegeven. Becker & Kalma wijten de teloorgang van het cultuurbeleid aan economisering, marktwerking en neoliberalisme. In plaats van economisering spreek ik liever van financialisering, omdat waarden steeds meer in geld en rendement worden uitgedrukt.

Kunst of koopwaar?

Vanaf de jaren negentig hebben alle grote politieke partijen meegewerkt aan liberalisering van gemeenschapsvoorzieningen. Door de gemeenschap opgebouwde publieke voorzieningen werden geprivatiseerd en verzelfstandigd. Becker & Kalma willen terecht daaraan een eind maken. Maar wat zou het gemeente bestuur van Amsterdam doen als een rijke investeringsmaatschappij een miljardenbod uitbrengt op het Rijksmuseum? Wat zou het ministerie van OCW doen als een Amerikaanse topuniversiteit een bod doet op de TU-Delft? Wellicht overdreven vragen, maar wie had decennia terug voorspeld dat de publieke telecommunicatiesector zou worden geprivatiseerd? Thans zien we – en daar wijzen de au teurs ook op – dat als gevolg van die libera lisering het cultuuraanbod door rendementsdenken wordt gedreven. Dat Nederland moord en brand schreeuwt als een deel van de marktsector in buitenlandse handen komt, doet daaraan niets af.

Keuzes zullen altijd moeten worden gemaakt. Flip de Kam schrijft in zijn bijdrage in dit nummer terecht dat kunst ook koopwaar is en dat het prijsmechanisme daarvoor een nuttig instrument is. Consumenten zullen altijd een keuze blijven maken waaraan zij hun inkomen besteden. Dat geldt ook voor de overheid. Vandaag willen we meer geld voor cultuur, morgen meer voor zorg. De overheid kan de keuze van de consument beïnvloeden door subsidies en fiscale maatregelen.

De auteurs bekritiseren het inschakelen van kunstenaars door gemeentebesturen om steden te verfraaien. Waarom? Had Amsterdam vroeger niet een geweldige stadsbeeldhouwer, Hildo Krop, waarvan we nu nog kunnen genieten? En wat is ertegen om bij een bouwopdracht voor te schrijven dat een deel van de bouwsom aan kunst wordt besteed?

Cultuureducatie verdient mijns inziens hoge prioriteit. Leer iedereen van jongs af aan actief en passief kennismaken met cultuur door herstel van de kunstencentra en als vast onderdeel van de lesstof op basisscholen, zoals dat jaren geleden ook bestond, en niet door middel van een project waarop subsidie kan worden aangevraagd. Daarna kan iedereen zelf kiezen of en van welke cultuuruiting hij of zij wil genieten. Maar kunstbeoefening is kostbaar, vooral wanneer er muziekinstrumenten moeten worden aangeschaft. Daarvoor dienen er inkomensafhankelijke subsidies te bestaan.

Zorg er ook voor dat kunstbeoefenaars een redelijk inkomen verdienen. Ik heb de afgelopen jaren voor enkele bladen veel musici geïnterviewd en ben geschrokken van hun lage inkomen en slechte arbeidsvoorwaarden. Wellicht moeten we daarom de instroom op conservatoria en kunstacademies afremmen ten gunste van supertalenten.

Eigenlijk zou de PvdA weer een cultuurbeleid moeten ontwikkelen als in De weg naar vrijheid, waarbij iedereen door middel van cultuureducatie zelf zijn of haar keuzes kan maken en waarbij ons cultureel erfgoed goed beschermd blijft. Daarbij draait het altijd om keuzes, nationaal en individueel, waarbij niet alleen subsidie, maar ook beprijzing een middel is om keuzes in een bepaalde, politiek gewenste richting te sturen. Als het ooit zover mocht komen dan mogen, ondanks mijn kritische opmerkingen, Becker & Kalma mijn ministers van Cultuur zijn.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl