Het neoliberale beleidsprogramma van de Europese Unie heeft politiek en economisch zijn langste tijd gehad, hoe halsstarrig hier ook aan wordt vastgehouden. De urgentie om het gezamenlijke Europese project niet uiteen te laten vallen is groot. Op het spel staan niet alleen economische groei en het behoud van de euro, maar ook de belofte van vrede, vrijheid, gelijkheid, democratie, menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid – de EU als waardengemeenschap. Transformatieve verandering is mogelijk door te kiezen voor een waarachtige sociale investeringsagenda. Daartoe hoeven niet alle wetten en procedures in Brussel op de schop te worden genomen – dat is onrealistisch. Een stevige impuls aan een sociale investeringsagenda kan op korte termijn worden gegeven door binnen de huidige kaders van conservatieve begrotingsdiscipline een ‘sociaal investeringsprotocol’ in te bouwen. Dit vergt een uitzonderingsclausule in het Stabiliteitspact voor uitgaven aan onderwijs – investeringen dus.

Europese burgers hebben de afgelopen jaren crisis na crisis over zich heen gekregen. Op de financiële crisis, waar het in 2008 mee begon, volgde een fiscale crisis van de overheidsfinanciën, een monetaire crisis en een crisis van de Europese democratie. Een oplossing voor deze zich opstapelende crises had en heeft de politieke elite niet voorhanden. De in haast genomen disciplinerende maatregelen hebben veelal averechts uitgepakt. Weliswaar is de Europese Monetaire Unie voorlopig gered, is een Grexit voorkomen en lijkt ook de economische groei weer aan te trekken dankzij de lage olieprijs en een verzwakte euro, maar de situatie in Europa blijft fragiel.

Europa is getekend door de sterk gestegen werkloosheid1, armoede en ongelijkheid van de laatste jaren, en ziet een aantal spoken uit de jaren dertig – nationalisme en xenofobie – herleven. De problemen in de zuidelijke lidstaten verschillen enorm van die in de noordelijke landen, maar overal in Europa heerst onder de bevolking onzekerheid over de toekomst, een gevoel van machteloosheid, en bij velen ook boosheid.

De hoogspanning waar de Europese Unie zich op dit moment in bevindt, creëert momentum voor een verandering van politieke koers. De bevolking van Europa die zich staande moet houden in een wereld op drift, snakt naar een toekomstperspectief met een menselijk gezicht. Voor de middenpartijen lijkt de enige mogelijkheid om politiek te overleven een koers te zijn die ant- woord geeft op deze noden. De sociale investeringsagenda die vijftien jaar geleden al werd gepropageerd biedt in dit opzicht nog altijd een wenkend perspectief. De afgelopen jaren is steeds meer erkenning gekomen voor de haalbaarheid, het nut, het rendement en de noodzaak van deze agenda. Het is nu zaak om de sociale investeringsagenda ook echt waar te maken.

Neoliberaal Europa

Iedereen die zich afvraagt waarom de financiële crisis die begon in de Ver- enigde Staten zo extreem snel naar Europa oversloeg, en hier zo ontwrichtend uitpakte, doet er goed aan het boek Gekochte Tijd van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck te lezen.2 Streeck zet knap uiteen hoe de eurocrisis niet op zichzelf staat, maar het gevolg is van een sinds de jaren tachtig gevoerd sociaaleconomische beleid in Europa – een beleid gericht op het terugdringen van de politieke macht van de natiestaat, zonder dat daar op Europees niveau flankerend beleid en transnationale democratische legitimiteit voor in de plaats kwam.

De stagflatiecrisis van de late jaren zeventig en begin jaren tachtig werd beantwoord met een beleid voor hoge rentes. De crisis in de openbare financiën die hierop volgde, werd vereffend met een stringente begrotingsdiscipline, mede afgedwongen door de introductie van het Stabiliteits- en Groeipact (1997) en van de EMU (1999). Streeck laat zien hoe op deze manier de schuldenproblematiek zich verplaatste van de publieke naar de private bankensector, totdat ook hieraan een halt werd toegeroepen in de nasleep van de financiële crisis van 2008.

Met het redden van banken kwam de schuldenlast terug bij de overheid, of liever de belastingbetaler. Onder de aangescherpte begrotingsdiscipline, afgesproken in het Europese kader van het Euro Plus Pact (2011), de Six-Pack (2011), Two-Pack (2012) en het Fiscale Compact (2013), werden de lidstaten van de Europese Unie – de een meer dan de ander – gedwongen te snijden in sociale voorzieningen, productmarkten verder te liberaliseren en de arbeidsmarkt ingrijpend te flexibiliseren.

Streeck wijst erop hoe het sociale beleid binnen de Europese Unie, dat er wel degelijk ook was, bijvoorbeeld in de vorm van het ‘Social Investment Package’ uit 2013, tandeloos bleef.3 In het Social Investment Package worden lidstaten gemaand actie te ondernemen tegen de groeiende armoede, werk- loosheid en kansenongelijkheid, door in hun verzorgingsstaten veel sterker in te zetten op preventie en niet alleen op nazorg. Maar juist de lidstaten waar fors is bezuinigd op de verzorgingsstaat en waar de sociale problemen het grootst zijn, komen niet toe aan sociale investeringen omdat de nieuwe begrotingsdiscipline van de muntunie ze daarvoor geen ruimte biedt. In Griekenland sloten scholen en ziekenhuizen als wederdienst voor de bailout. Maar ook in Nederland – dat zijn financiële zaken toch aardig op orde leek te hebben – leidde naleving van de 3%-norm uit het Stabiliteitspact tot forse bezuinigingen, met name in de zorg en bij de begeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.4

Streeck beschrijft hoe de recente aanscherpingen van de Europese regels steeds verder reiken dan de oorspronkelijke Europese verdragen toestaan, en hoe de aanwijzingen vanuit Brussel voor individuele lidstaten steeds dwingender en gedetailleerder worden. Het ‘Europese Semester’ (2010) en de afspraken over verscherpt begrotingstoezicht door de Europese Commis- sie hebben het budgetrecht – een elementaire bevoegdheid van soevereine staten – ondergeschikt gemaakt aan de niet-gekozen autoriteit van de Eu- ropese Commissie, waarbij alleen de Europese Raad van regeringsleiders bij gekwalificeerde meerderheid kan interveniëren. Dit is een waterscheiding geweest in de manier waarop de Europese Unie functioneert, met een enorme impact die niet eenvoudig ongedaan kan worden gemaakt.

De dystopie van Wolfgang Streeck

Zo briljant als Streecks analyse is in de manier waarop hij de sequentie van crises in Europa over de afgelopen decennia duidt, zozeer schiet hij door in het fatalistische perspectief dat hij schetst voor de toekomst. Hij beargumenteert dat het neoliberale karakter van de Europese economische samenwerking met elke crisis zoveel sterker de overhand heeft gekregen, dat we binnenkort het stadium van de neoliberale heilstaat zullen bereiken omdat zelfs de illusie van sociaal investeren en een eerlijke verdeling van de groei opgegeven zal moeten worden.

Gekochte tijd is misschien wel het beste te karakteriseren als een dystopie waarin de Europese burgers als ratten in de val zitten in de droomwereld van Friedrich von Hayek.5 In het beklemmende en naargeestige toekomstperspectief van Streeck zijn kapitalisme en democratie op termijn niet langer verenigbaar. Dan breekt het tijdperk aan van kapitalisme zonder democratie en is de neoliberale transformatie van het voorheen sociale Europa voltooid.

Overigens houdt Streeck de deur op een kier voor een alternatief scenario: een tijdperk van democratie zonder kapitalisme – maar dat acht hij in hoge mate onwaarschijnlijk, omdat dit scenario niet past in zijn historisch determinisme waarin de neoliberale orthodoxie een dusdanige grote voorsprong heeft genomen op denkbare alternatieven, dat het alleen mogelijk is via een abrupte verandering: een revolutie. Angst voor het onbekende en de daarmee gepaard gaande onzekerheid zal volgens Streeck een revolutionaire verandering in beleid tegenhouden.

Het perspectief dat Wolfgang Streeck schetst voor de toekomst van Europa is niet alleen onwaarschijnlijk, daarover hierna meer, maar is ook gevaarlijk in het politieke uur U waarin we ons bevinden. Dit inktzwarte scenario zonder uitweg werkt verlammend. Juist in deze tijd, waarin er zoveel op het spel staat, is het zaak elke kans tot verbetering van de sociale en economische situatie in Europa aan te grijpen. We kunnen het ons niet veroorloven ons te laten vangen in de koplampen van naderend onheil.

Er bestaat – daarin heeft Streeck uiteraard gelijk – een grote spanning tussen de complementaire institutionele pilaren van markt, democratie en sociaal beleid in de naoorlogse ordening van het maatschappelijke verkeer. Zowel de orthodox-neoliberale als de marxistische theorie gaat ervan uit dat de liberale democratie en het marktkapitalisme structureel onverenigbaar zijn. Maar de empirische werkelijkheid leert ons dat kapitalisme, democratie en de verzorgingsstaat juist onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, hoe groot de onderlinge spanning soms ook is. Streecks nachtmerrie van een kapitalisme zonder democratie zal om die reden hoogstwaarschijnlijk een theoretisch vergezicht blijven. Net als Hayeks vrijemarkteconomie zonder democratisch verankerde sociale rechten een utopie is. En net zoals een samenleving met genereuze sociale rechten zonder kapitalistisch verdien- vermogen een utopie is.

Ondanks alle crises waar de naoorlogse Europese verzorgingsstaten mee te kampen hebben gehad, vormen juist die verzorgingsstaten het be- langrijkste bindmiddel in het vergelijk tussen kapitalisme, democratie en Europese economische integratie. In de meeste ontwikkelde economieën gaat hierin zo’n 20% à 30% van het bbp om. Het is de verzorgingsstaat die het kapitalisme geschikt heeft gemaakt voor de democratie. Deze les uit de naoorlogse geschiedenis zal niet gemakkelijk ongedaan worden gemaakt, ook niet in de nasleep van een diepe internationale economische crisis.

Moment van politieke waarheid

We bevinden ons in een moment van politieke waarheid. Europa heeft meer van dit soort constitutionele tijden gekend, momenten waarop de beleids- slinger een andere kant op zwaaide. Momenten van een sociaaleconomi- sche paradigmaverschuiving die steevast voorafgegaan werden door diepe economische en politieke crises. Zo’n moment was er na de economische crisis van de jaren dertig en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoor- log. Het beleidsparadigma in de naoorlogse jaren kwam – als gevolg van de ontwrichting die eraan vooraf ging – volledig in het teken te staan van het bezweren van chaos en het bewerkstelligen van stabiliteit. Het waren de jaren van Bretton Woods, de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (later Europese Unie) en de uitbouw van de sociale zekerheid gericht op stabiele kostwinnersgezinnen.

Herwonnen politiek vertrouwen droeg bij aan een snelle wederopbouw in West-Europa die zijn vruchten afwierp met een hoge groei, (bijna) volledige werkgelegenheid en een overheid die zich assertief mengde in het economisch verkeer. De belofte van politieke stabiliteit door volledige werkgelegenheid maakte de Keynesiaanse economiebeoefening tot de naoorlogse mainstream. Werknemers werden door de uitbouw van de sociale zekerheid verplicht om te sparen voor tijden van economische laagconjunctuur wanneer werk- loosheid op de loer lag, en als de economie daarna weer aantrok konden zij vrij gemakkelijk hun oude beroep weer oppakken. Een keerzijde van de obsessie met sociaaleconomische en politieke stabiliteit was dat werkende vrouwen werden ontslagen zodra ze getrouwd waren, opdat stabiele zorg voor kinderen en ouderen informeel was gewaarborgd. Huwelijken waren solide, deels vanwege de materiële afhankelijkheid van de echtelieden en hun kroost. Europa werd welvarend, de ongelijkheid verminderde, schrijnende armoede, vooral onder ouderen, verdween.

In de jaren tachtig volgde een nieuwe economische én politieke crisis. Na het stuklopen van het systeem van Bretton Woods en de oliecrises in de jaren zeventig raakten de ontwikkelde economieën van West-Europa in een diepe recessie, met faillissementen, hoge werkloosheid en grote begrotingstekorten. Ondanks het gevoerde beleid liep de inflatie niet of nauwelijks terug; het Key- nesiaanse en Beveridgiaanse verzorgingsstaatsysteem-gericht-op-stabiliteit bood geen oplossing voor de nieuwe noden van stagflatie. De neoklassieke economische theorie won aan belang, niet alleen omdat ze theoretisch een betere diagnose van het probleem van stagflatie voor het voetlicht wist te brengen, maar vooral omdat zij een instrumentarium bood aan een nieuwe politieke klasse die zich wilde ontworstelen aan de praktijk van regulering binnen hecht verankerende overlegcircuits en corporatistische belangenuitruil.

Het beleidsparadigma verschoof van het voorkomen van wanorde en chaos, naar een beleid van kostenbeheersing en marktliberalisering, waarbij de rol van de overheid tot minimale marktregulering en armoedebestrijding moest worden beperkt. Het neoliberale beleidsparadigma kreeg stapsgewijs de overhand, ook in de Europese Unie, met ruim baan voor de interne markt, financiële liberalisering, arbeidsmarktderegulering, New Public Management en maximalisering van flexibiliteit – de antithese van stabiliteit en orde als hoogste goed. En niet zonder resultaat. Als de interne markt van de EU niet door Commissievoorzitter Jacques Delors in een stroomversnelling was gekomen, was ook het Nederlandse poldermodel in de jaren negentig minder werkzaam geweest.

Burgers hebben bijna altijd een voorkeur voor de status quo. Grote veranderingen brengen grote onzekerheden met zich mee, en mensen zijn nu eenmaal gevoeliger voor mogelijk verlies dan voor een mogelijke winst.6 Een nieuw beleidsparadigma komt er – zo laat de geschiedenis zien – alleen als daar een politieke noodzaak toe bestaat, wanneer het oude paradigma beleidsmatig in ongerede raakt en politiek onhoudbaar blijkt.7 Dit gebeurt veelal met een enorme vertraging omdat het pijnlijke processen betreft van afleren van oude zekerheden, patronen en percepties. Alleen als het oude beleid overduidelijk geen oplossing meer biedt voor prangende politieke vraagstukken, ontstaat er momentum voor een alternatief beleidsparadigma. Dat nieuwe paradigma moet dan wel een antwoord bieden op deze vraagstukken. Ook om die reden is het scenario dat Streeck schetst onwaarschijnlijk; zijn dystopie ontbeert in alle opzichten een oplossing voor de grote sociale en economische problemen waar Europeanen zich op dit moment zorgen over maken.

Streecks toekomstperspectief voor de falende neoliberale orde van dit moment is in wezen de perfectionering van het Hayekiaanse paradigma. Die radicale weg staat – hoezeer die mogelijk ook gekoesterd wordt op Wall Street, in de City en in sommige uithoeken in Brussel en Frankfurt – haaks op de vragen en noden van de grote meerderheid van Europese burgers acht jaar na de financiële crisis en vijf jaar na de eurocrisis – een politieke realiteit zonder weerga.

Aspiraties en noden van Europeanen

Surveyonderzoek laat zien dat Europeanen uit alle windstreken qua aspira- ties veel met elkaar gemeen hebben. Drie wensen staan voor hen bovenaan:8

  1. werk,nietalleenominkomenteverwervenmaarookomopdiemanier onderdeel te zijn van de maatschappij;
  2. een liefdevol gezin, met gemiddeld 2,3 kinderen;
  3. een goede opleiding, natuurlijk ook voor de kinderen.

Op al deze terreinen – werk, gezin, scholing – staan in Europa op dit mo- ment de pijlen de verkeerde kant uit. Voor veel jongeren in Europa, vooral in de zuidelijke lidstaten, is goed werk buiten bereik, en daardoor daalt ook het gemiddeld kindertal. Jonge mensen besluiten pas kinderen te krijgen als ze hun positie op de arbeidsmarkt een beetje hebben weten zeker te stellen, en dat lukt niet.9 De afgelopen jaren daalden daarnaast in de helft van de Europese landen de overheidsuitgaven aan onderwijsinstellingen als percentage van het bbp. Vooral Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje hebben bezuinigd op hun onderwijsbudget.10 Maar ook in Nederland verving een leenstelsel de studiebeurs, en steeg het aandeel private uitgaven aan onderwijs ten opzichte van de publieke uitgaven.11

Europa zucht onder de sterk toegenomen werkloosheid en armoede, ook onder werkenden. Het gebrek aan banen jaagt de toch al enorm toegenomen flexibilisering verder aan, waarin Nederland koploper is in Europa. Velen zijn aangewezen op onzeker en tijdelijk deeltijdwerk. Dat geldt dus ook voor het welvarende noorden van Europa, waar aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer aanbod dan vraag naar arbeidskrachten is.

De sociale naschokken van de eurocrisis laten goed zien dat de manier waarop we onze Europese verzorgingsstaten hebben ingericht leidt tot een tweedeling van insiders en outsiders; degenen met opgebouwde rechten waarvoor het vangnet van de verzorgingsstaat nog goed werkt – pensionado’s, ouderen met een vaste baan – en zij die nauwelijks gebruik kunnen maken van dat vangnet – veelal jongeren, vrouwen en nieuwkomers, flexwerkers en zzp’ers. Dit probleem van niet-effectieve sociale bescherming, ondanks hoge uitgaven, treft met name de zuidelijke lidstaten. In de nasleep van de crisis is overigens bijna overal in Europa vooral op de bijstand gekort en niet of nauwelijks op de pensioenen.

Een nieuw beleidsparadigma zal voor bovenstaande noden en aspiraties een geloofwaardig antwoord moeten bieden. Het nieuwe beleidsparadig- ma dat zich, alles in ogenschouw nemende, logischerwijs aandient, is dat van robuuste verzorgingsstaten met een sterke sociale investeringsagenda, zoals dat al gepropageerd werd door Esping-Andersen et al. rond deze eeuwwisseling.12 Een dergelijk beleid gericht op investeringen in menselijk kapitaal en het beschermen daarvan, kan een antwoord bieden op de pro- blemen die Europese burgers ondervinden door het falen van het huidige marktgeoriënteerde beleid dat louter gedicteerd wordt door kostenreductie en arbeidsmarktliberalisering en de waan van de financiële markten.

Voor de relevantie van deze agenda is de afgelopen vijftien jaar steeds meer erkenning gekomen, getuige onder andere de omarming van het concept van ‘inclusieve groei’ door de Wereldbank, de OESO en het World Economic Forum.13 De EU kan met recht geroemd worden als de ‘agenda-zetter’ van het sociale investeringsgedachtegoed. Dat begon al in 1997 met het Nederlands voorzitterschap van de EU, toen de idee van ‘sociaal beleid als productieve factor’ werd gemunt. Met de lancering van het Social Investment Package in 2013 is het gedachtegoed van ‘sociaal beleid als een productieve factor’ opnieuw actueel geworden. Toch is uitvoering van de sociale investerings- strategie in de kiem gesmoord doordat korte termijn begrotingsdiscipline leidend gemaakt werd. Onder aanvoering het directoraat-generaal Econo- mische en Financiële Zaken werden de EU-ministers van financiën blind gehouden voor wetenschappelijk bewijs dat overheden wel degelijk efficiënt en productief kunnen investeren (dus dat het onzin is te streven naar een zo klein mogelijke overheid), en dat sociale investeringen (zoals investeringen in kinderopvang en onderwijs) geen consumptieve bestedingen zijn maar belangrijke bijdragen leveren aan economische bloei en concurrentiekracht.14 Deze schizofrenie van een Europese Unie die aan de ene kant een vaan- deldrager is van sociale investeringen en aan de andere kant kampioen bezuinigen wil zijn, is op termijn niet houdbaar.

Opvallend genoeg heeft op het niveau van de afzonderlijke lidstaten de sociale investeringsagenda wel degelijk kuit geschoten. In Nederland werden de afgelopen tien jaar uitgebreide kinderopvangregelingen opgetuigd, kwamen er regelingen voor zorgverlof, en vond er een verschuiving plaats van een verzorgingsstaat die puur een vangnet is voor tijden van tegenslag en werkloosheid, naar een verzorgingsstaat waarin ook opleiding en bege- leiding naar werk veel meer een plek vonden. Onder Rutte I en Rutte II is wel weer juist op deze regelingen beknibbeld, onder druk van de Europese begrotingsdiscipline, en zien we ook hier het spook van de dualisering tus- sen insiders en outsiders opdoemen.

Duitsland – het land dat op Europees niveau het meest krampachtig vast- houdt aan een rigide fiscaal beleid, ook als dat ten koste gaat van onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid in de zuidelijke landen – maakte op eigen bodem onder bondskanselier Merkel een transformatie door wat betreft investeringen in de arbeidsparticipatie van vrouwen en regelingen voor kinderopvang en ouderschapverlof. Hoewel in Duitsland op landelijk niveau een neoliberaal arbeidsmarktregime geldt, zonder goed vangnet voor werkloosheid onder outsiders, ontstond op gemeentelijk niveau de afgelopen jaren een systeem van minimumuitkeringen en begeleiding op maat naar werk.15 In de Scandinavische verzorgingsstaten waren sociale investeringen al voor de crisis geconsolideerd.

Blijkbaar biedt de sociale investeringsagenda ondanks dwingende Europese fiscale kaders een programma dat werkt in de praktijk. Ook in dat opzicht is de analyse van Wolfgang Streeck te absoluut en eenzijdig: individuele landen en regio’s hebben – zo blijkt – de vrijheid genomen het neoliberale beleid dat vanuit Brussel werd gedicteerd, op een eigen, socialere manier in te vullen.16

Naar verzorgingsstaten gebaseerd op sociale toerusting

Een ‘verzorgingsstaat die investeert in mensen’ doet dat op drie, samen- hangende niveaus:17

  1. Hij versterkt en beschermt ‘menselijkkapitaal’, dat wil zeggen: kennis en vaardigheden. Dit kan vooral door middel van onderwijs; van peuteronderwijs tot een leven lang leren.
  2. Hij vergemakkelijkt de overgangen die mensen in hun leven meemaken – van school naar werk, bij ontslag, bij het vinden van nieuw werk, bij het krijgen van kinderen, bij een scheiding, bij ziekte, bij zorgtaken voor familie. Dit zijn momenten waarop mensen een grotere kans hebben vast te lopen. Een verzorgingsstaat die op deze momenten burgers toerust, fa- ciliteert hen deze transities op een menswaardige en productieve manier door te komen.
  3. Hij biedt een breed vangnet voor degenen die niet zelf voor een inkomen of noodzakelijke voorzieningen kunnen zorgen, en voor mensen die tijdelijk tussen wal en schip vallen. De afgelopen jaren van economische crisis heb- ben geleerd dat de landen die een universeel vangnet hebben beter in staat zijn geweest de schokken van deze crisis te dempen. Werklozen die kunnen terugvallen op een activerend vangnet, blijken sneller opnieuw werk te vin- den – dat beter betaald wordt – dan werklozen voor wie er geen vangnet is.18

Anders dan de ‘genereuze verzorgingsstaat gericht op stabiliteit’ uit de jaren vijftig en zestig en de ‘minimale verzorgingsstaat gericht op flexibiliteit’ uit de jaren tachtig is de ‘actieve verzorgingsstaat van investeringen in mensen’ niet langer alleen een compensatieregeling voor werkloosheid en ziekte. Dat is hij ook, maar deze verzorgingsstaat is ook een investerings- en toerustings- machine. De drie-eenheid van menselijk kapitaal, het accommoderen van levenslooptransities en het bieden van brede inkomenszekerheid gedurende risicovolle transities houdt tot op zekere hoogte een vergelijk in tussen de Keynesiaanse en neoliberale welvaartstheorie. In het aangezicht van de vergrijzing en een nakend tekort aan menselijk kapitaal oriënteren sociale investeringen zich primair op de aanbodkant van de economie, overeen- komstig de neoklassieke economie. Hiertegenover staat de erkenning van het belang van een sociaal vangnet om economische schokken op macro- en microniveau op te vangen – een verworvenheid uit de Keynesiaanse economische orde die in een tijdperk van grote economische volatiliteit geboden is. Maar het bieden van een vangnet alleen is ontoereikend als mensen niet goed toegerust zijn om economisch waardevolle en sociaal waardige transities te kunnen maken. De drie niveaus van investeren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Een goed, activerend vangnet is noodzakelijk om werk te vinden in geval van werkloosheid. Voldoende inkomen en zekerheid over dat inkomen zijn voorwaarden om effectief te kunnen leren en werken.19 Goede kinderop- vang is nodig voor ouders om buitenshuis te kunnen werken. Als gezinnen grote schulden hebben, als een echtscheiding een vechtscheiding wordt of als er geen goede huisvesting is, staan die zaken het leren en werken in de weg, met vaak langdurige werkloosheid tot gevolg, en een verergering van de sociale problemen. Een neerwaartse spiraal dreigt dan, die generatie op generatie kan worden doorgegeven.

Het is dus onvoldoende alleen te investeren in onderwijs (een misver- stand van de Derde Weg-politici en van het huidige D66). Maar het is ook onvoldoende om alleen een breed vangnet van sociale verzekeringen te onderhouden zonder aandacht voor toerusting. In de hedendaagse gedigi- taliseerde kenniseconomie vinden mensen na een periode van werkloosheid niet vanzelf opnieuw een baan als de economie weer aantrekt. Kennis en vaardigheden verouderen veel sneller dan voorheen. Het leven dat mensen leiden ziet er daarnaast veel heterogener uit dan in de jaren vijftig. In Europa loopt gemiddeld een op de drie huwelijken uit op een echtscheiding.

De standaardvoorzieningen van onze verzorgingsstaat voldoen voor veel mensen niet meer, en zeker niet gezien de vergrijzing. De maatschappij is ingewikkelder geworden, en de verleidingen zijn groter. Heel gewone gezin- nen hebben enorme schulden opgebouwd omdat ze, net als hun buurman, mee hebben gedaan aan effectenlease-constructies, of omdat ze in econo- misch ongunstige tijden hun huis moesten verkopen vanwege een scheiding. De ‘overgangen’ in het leven zijn een stuk grilliger geworden de afgelopen decennia, en de risico’s die daarbij gelopen worden zijn zeker niet kleiner geworden, vooral niet voor mensen met een lage opleiding.

Goedverdienende tweeverdienersgezinnen zijn daarbij veel beter in staat financiële risico’s op te vangen dan de kostwinnaarsgezinnen van vroeger dat konden, en dit is ook de groep die na de crisis zijn materiële positie het beste heeft weten zeker te stellen. De kansenongelijkheid en risico-ongelijkheid voor verschillende groepen in de samenleving zijn steeds verder uiteen gaan lopen. Neem bijvoorbeeld de ongeveer 13% Nederlanders met een laag IQ (circa 75-80):20 vroeger konden zij nog aardig meekomen, tegenwoordig zijn de overgangen in het leven – van werk naar werk bijvoorbeeld – valkuilen waar ze zonder begeleiding niet meer uitkomen. En deze laatste groep, en met name hun kinderen, profiteert het minst van het prille economisch herstel.

Een verzorgingsstaat die niet investeert in de belastingbetaler van morgen is uiteindelijk onhoudbaar in een vergrijzende maatschappij. De uitkeringen en steun voor de grote groep mensen die dan structureel aan de kant blijven staan, moeten worden opgebracht door een slinkende groep burgers die zelf in de toekomst geen profijt heeft van deze sociale voorzieningen.

Sociale investeringen renderen. Ze leiden tot sneller economisch herstel en tot reële verbeteringen van de levensstandaard. In de afgelopen jaren wezen bijna alle rapporten van de OESO, de Wereldbank en het IMF over crisismanagement, armoede, ongelijkheid, werkloosheid, pensioenen, ge- zinnen en de levensloop in deze richting.21 Onderzoek leert ondertussen dat een sociale investeringsagenda alleen nut heeft als het niet halfslachtig gebeurt – en dus kost het geld. Maar zij kent wel degelijk ook veel directe opbrengsten.

Als in Italië goede kinderopvang en verlofregelingen worden ingevoerd, levert dat per direct banen op. Als met behulp van loonkostensubsidies mensen die jarenlang in een uitkeringssituatie zaten weer aan werk geholpen worden, levert dat een flinke besparing op. Idem als geïnvesteerd wordt in goede schuldhulpverlening aan gezinnen in problemen.22 Als geïnvesteerd wordt in de manier waarop mbo-opleidingen aansluiten bij de arbeidsmarkt, scheelt dat op korte termijn veel uitkeringen.

Over de vraag welke sociale investeringen precies maatschappelijk en economisch het meest rendabel zijn (minimuminkomensbescherming of kinderopvang) en wie daar allemaal aan moeten mee betalen (volledig collectief gefinancierd of niet), bestaat verschil van inzicht. Deze discussie over het hoe moet deels nog worden gevoerd – maar de wetenschappelijke discussies over het wat en het waarom liggen achter ons. Een passend sociaal toerustingsbeleid verschilt van lidstaat tot lidstaat. Dat is niet bezwaarlijk, zolang de sociale investeringsagenda er maar aan bijdraagt dat de economi- sche en sociale verschillen in Europa kleiner worden in plaats van groter, en zolang effectieve Europese verzorgingsstaten weer de belofte in zich kunnen dragen dat het leven beter kan worden in plaats van alleen maar slechter.

Het is goed om te benadrukken dat het sociale investeringsperspectief niet moet worden opgevat als een alternatieve economische orde. Het gaat om een ander type verzorgingsstaat, dat onderscheiden kan worden van de naoorlogse Keynesiaanse verzorgingsstaat en het neoliberale alternatief van een minimale verzorgingsstaat primair gebaseerd op zo flexibel mogelijke arbeidsverhoudingen, weinig overheidsbemoeienis, lage uitkeringen en lage belastingen, die in theorie de sterkste prikkels voor arbeidsparticipatie levert. Net zoals er een relatie bestaat tussen de Keynesiaanse verzorgingsstaat en de naoorlogse industriële economie, en tussen het neoliberale sociale beleid en de verschuiving naar de diensteneconomie, zo bestaat er ook goodness of fit of, om met Max Weber te spreken, een Wahlverwandtschaft, tussen de competitieve kenniseconomie en het sociale investeringsdenken.

Overigens behandelt Wolfgang Streeck het sociale investeringsmodel kort in Gekochte Tijd. Hij doet dit echter af als ‘neoprotestantisme’. Streeck laakt de ‘internalisering van berekend opleidingsrendement van de le- vensplannen van hele generaties’. Hij keurt het af dat vrouwen er vanaf de jaren zeventig naar zijn gaan streven fulltime te werken, net als mannen. Zij werden daardoor ‘handlangers van de werkgevers bij hun streven naar deregulering van de arbeidsmarkt, zodat “zij-instromers” de mogelijkheid kregen de – mannelijke – “vaste krachten” tegen een lager loon weg te concurreren’.23 Zijn leermeester Adorno zou, zo vermoedt Streeck, in het streven van vrouwen om ‘kinderen en carrière’ te combineren ‘welbehagen en vervreemding’ hebben gezien. Instemmend citeert hij Juliet Schor als deze de tweeverdienersgezinnen verwijt trots te zijn op ‘hun – in het kader van “het combineren van werk en gezin” – minutieus vol geplande leven en de daardoor veroorzaakte permanente staat van uitputting’.

Voor jongere generaties (Streeck is van 1946) is een dergelijke redenering moeilijk te volgen: wordt nu werkelijk bedoeld dat de tijd dat vrouwen nog verplicht thuis zaten en alleen voor het huishouden en de kinderen zorgden, iets is om verlangend naar terug te kijken? Streeck had ook eenvoudigweg naar voren kunnen brengen dat de sociale investeringsagenda van de Derde Weg veel te veel nadruk heeft gelegd op het productief maken van mensen om te kunnen voldoen aan eisen van de doorgedraaide economie. Daarvoor had hij zijn verwijten aan het adres van vrouwen die – o schande – een baan nastreven ‘als bron van sociale integratie en erkenning’ niet nodig gehad. Zijn verwijt aan de investeringsagenda van Derde Weg-politici als Tony Blair zou terecht zijn: zij legden inderdaad veel te eenzijdig de nadruk op investeringen in onderwijs; al het overige kon bij wijze van spreken wel geprivatiseerd worden en boven- dien was men blind voor de ontwrichtende werking van de geliberaliseerde financiële markten. (Toch past bij de kritiek op Blair ook wel een kanttekening: het grootste succes van New Labour was het drastisch terugdringen van de kinderarmoede die onder de Conservatieven weer fors is gestegen.)

Praktische, economische en politieke haalbaarheid van de sociale investeringsagenda

In het licht van de financiële crisis is duidelijk geworden dat het neoliberale paradigma politiek en economisch zijn langste tijd heeft gehad, hoe hals- starrig hier ook aan wordt vastgehouden. Ten eerste is gebleken dat een beleid van fiscale disciplinering de groei belemmert in economieën die het moeilijk hebben.24 Verdere fiscale disciplinering van de in nood verkerende zuidelijke lidstaten heeft de werkloosheid en armoede in die landen nog veel verder doen toenemen – landen die meer dan Nederland te kampen hebben met vergrijzing en pensioenproblemen.

Onder deze omstandigheden leidt, ten tweede, vasthouden aan het huidige beleid tot een Europa van twee snelheden – Noord versus Zuid – en tot het einde van de euro. Niet alleen de huidige generatie jongeren in de zuidelijke landen, maar ook komende generaties wacht dan een toekomst van armoede, werkloosheid en onderontwikkeling. Terwijl de kenniseconomieën van de noordelijke lidstaten zich verder zullen kunnen blijven ontwikkelen in de richting van een sociale investeringsstaat, worden de minder ontwikkelde economieën van Europa teruggeworpen op prijs- en kostenconcurrentie. Een groeiende economische divergente die hiervan het gevolg is maakt de EMU uiteindelijk onhoudbaar.

Ten derde voeden het falende beleid rond de eurocrisis, de enorme werk- loosheid in Europa, de oncontroleerbare achterkamertjespolitiek in Brussel, de groeiende ongelijkheid onder de bevolking en de toenemende armoede de opkomst van populistische partijen als Syriza in Griekenland en Podemos in Spanje en van xenofobe partijen als die van Marine Le Pen in Frankrijk en van Geert Wilders in Nederland. Deze partijen zetten, elk op hun eigen manier, de politieke elite onder druk een beleid te gaan voeren waarbij tegemoet wordt gekomen aan de noden en wensen van gewone burgers.

Ingewikkeld genoeg ziet Europa zich net nu het zich in het oog van deze storm bevindt, geconfronteerd met een massale toestroom van migranten en met de dreiging van culturele spanningen en terreuraanslagen in zijn hoofdsteden. Dat maakt de urgentie om het gezamenlijke Europese project niet uiteen te laten vallen des te groter. Op het spel staan niet alleen onze economische welvaart en sociale rechtvaardigheid in Europa, maar ook de belofte van vrede, vrijheid, gelijkheid, democratie, menselijke waardigheid, rechtvaardigheid en solidariteit als waardengemeenschap die de oprichting van de Europese Unie met zich meebracht.25

Een wisseling van beleidsparadigma hoeft niet per se gepaard te gaan met grote institutionele aanpassingen, zoals de ontbinding van de eurogroep, de afschaffing van het Stabiliteitspact of met een massale wisseling van de politieke top. Grote veranderingen kunnen ook gradueel of stapsgewijs plaatsvinden, sterker nog: meestal is dat het geval.26

Ingrijpende wijzigingen, zoals de invoering van eurobonds, zijn onrealis- tische alternatieven in het huidige conservatieve fiscale beleid. Niet alleen zullen noordelijke landen als Nederland er niet voor voelen meer rente te betalen dan zij nu doen; het onderlinge wantrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie is op dit ogenblik gewoon te groot.

Een aantrekkelijk alternatief kan zijn om de agenda van sociale investe- ringen op korte termijn in te weven ín het huidige systeem van conserva- tieve begrotingsdiscipline, bijvoorbeeld door een uitzonderingsclausule in het Stabiliteitspact op te nemen voor uitgaven aan onderwijs – een ‘sociaal investeringsprotocol’. Extra uitgaven aan kinderopvang en onderdelen van onderwijs en training hoeven de lidstaten dan niet mee te rekenen bij de Europese begrotingsregels.

Een dergelijke uitzonderingsclausule opnemen is relatief eenvoudig en gebeurt nu al voor investeringen in R&D en voor infrastructurele projecten. Het zou landen als Griekenland, Italië en Spanje per direct beleidsvrijheid geven te investeren in hun toekomstige generaties en hen ervan kunnen weerhouden om scholen en kinderopvangcentra te sluiten.

Wat precies onder het ‘sociale investeringsprotocol’ komt te vallen is natuurlijk voer voor discussie. Het lijkt verstandig klein te beginnen en te focussen op vroegschoolse sociale en cognitieve ontwikkeling die op ter- mijn het meest rendeert, bijvoorbeeld door de uitzonderingsclausule op het Stabiliteitspact bij aanvang alleen te laten gelden voor investeringen in de kinderopvang en het basisonderwijs, en door de investeringen te limiteren tot een bepaald percentage van het bbp.

Belangrijk is ook dat het gaat om ‘conditionele’ hervormingen. Voorstel- len voor deze sociale investeringen moeten worden getoetst en geëvalueerd door de Europese Commissie. Soms ligt de oplossing namelijk niet alleen in meer geld. Lage PISA-scores, zoals in Italië, zijn niet zozeer het resultaat van budgettaire ruimte voor onderwijs per se, maar een gevolg van een heel lange zomervakantie (van drie maanden) waardoor vooral kinderen uit achterstandsmilieus cognitief achterop raken, en een slechte aansluiting tussen beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt en het bedrijfsleven. Hier is een wereld te winnen. Een systematiek van beleidsleren en feedback-monitoring van onderwijshervorming onder een sociaal investeringsprotocol kan op termijn bijdragen aan intergouvernementeel vertrouwen.

Een voorwaarde voor vertrouwen tussen de lidstaten, en dus voor succes, is dat de resultaten van deze sociale investeringen transparant zijn, en dat er overeenstemming is tussen de verschillende landen over het uiteindelijke doel dat wordt nagestreefd. Dit stelt lidstaten ook in staat van elkaar te leren welke sociale investeringen nu echt lonen. Zo is het Finse onderwijssysteem een voorbeeld waar Nederland van kan leren. Uit recent onderzoek van Charles Sabel blijkt dat de Finse leerlingen zulke hoge PISA-scores laten zien op het gebied van lezen, wiskunde, probleemoplossend vermogen en wetenschappelijke kennis, door de manier waarop het onderwijs is ingericht.27 Het is heel normaal voor Finse leerlingen om bijlessen te volgen, meestal gebeurt dat gewoon op school. Zo’n 30% van de leerlingen volgt eens in zijn schoolcarrière dergelijke publiek gefinancierde, op maat gesneden bijlessen. Ook wordt per leerling heel nauwkeurig bijgehouden hoe deze begeleid is en wat de voortgangsresultaten daarvan waren.

Een dergelijke open method of coordination van uitwisselen van ervaringen functioneert nu ook al binnen de EU, bijvoorbeeld bij beleid rond het creëren van werkgelegenheid, maar zou in geval van een sociaal investeringsprotocol meer tanden krijgen. Als dit ‘beleidsleren’ op Europees niveau succesvol is door hogere PISA-scores, lagere schooluitval en een groter bereik in de kinderopvang van peuters, kan de uitzonderingsclausule van het sociale in- vesteringsprotocol verder worden uitgebreid, opdat niet alleen investeringen in menselijk kapitaal (onderwijs) eronder vallen, maar ook investeringen die de moeilijke overgangen in het leven ondersteunen (tijdelijke loonkosten- subsidieregelingen voor langdurig werklozen bijvoorbeeld) of investeringen in een activerend vangnet (zoals een universele en activerende bijstand).

Intermezzo | Nederlandse decentralisatie van de verzorgingsstaat

Verzorgingsstaatsarrangementen zijn van oudsher een nationaal construct. Dat zullen ze ook moeten blijven, al was het alleen maar om redenen van solidariteit – een solidariteit die wel bestaat tussen burgers binnen landen, maar niet tussen burgers over landsgrenzen heen. Plannen voor een Euro- pese werkloosheidsuitkering of pensioensysteem zijn om die reden in de voorzienbare toekomst gedoemd te mislukken.

Het ligt daarnaast voor de hand de uitvoering van een verzorgingsstaat die is gericht op sociale investeringen, lokaal te organiseren, vanwege het dienstverlenend karakter daarvan. De verzorgingsstaat van de jaren vijftig was een inkomenscompensatiemechanisme met een paar recepten voor de gehele bevolking die simpel (giraal) centraal uitgevoerd konden worden. In de heterogene samenlevingen die we nu hebben, is het noodzakelijk om maatwerk te leveren, afhankelijk van de persoon en zijn omgeving. Een effectieve begeleiding naar werk gaat bijvoorbeeld niet zonder kennis van de lokale arbeidsmarkt.

Is de recente decentralisatie en heroriëntatie van de Nederlandse verzor- gingsstaat in dat licht bezien een modelvoorbeeld van de sociale investe- ringsagenda te noemen? Het feit dat deze gepaard ging met een forse bezui- niging (veelvuldig gemotiveerd met een beroep op de begrotingsdiscipline 

die Europa verlangt) is in tegenspraak met de sociale toerustingsgedachte. Maar de recente ingrijpende hervormingen in het Nederlandse sociale stelsel hebben anderzijds wel degelijk expliciet tot doel te stimuleren dat mensen het beste uit zichzelf kunnen halen, hen te activeren. Voorop staan zorg en begeleiding op maat, uitgaan van wat iemand kan, niet van wat iemand niet kan, opdat mensen actief worden en ook zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen – in plaats van dat zij verlamd worden door one size fits all- voorzieningen waar afwachten, afvinken en algemene protocollen regeren.

Voor het helpen van probleemgezinnen bestaat geen standaardrecept. De recepten uit het verleden leidden in veel gevallen tot bureaucratische wantoestanden, met soms wel tien verschillende hulpverleners in een gezin die van elkaar niet wisten wat ze deden. Door de uitvoering van de verzor- gingsstaat op lokaal niveau te brengen is in korte tijd veel goeds bereikt, in de jeugdzorg maar ook bijvoorbeeld bij het aan werk helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.28

De hervorming van de Nederlandse verzorgingsstaat is helaas nogal rücksichtslos doorgevoerd, zonder dat een systeem is opgezet waarmee op inzichtelijke wijze kan worden geleerd in de praktijk van uitvoering. Bij de begeleiding naar werk laten steden als Nijmegen, Leiden en Den Haag indrukwekkende resultaten zien, maar de methoden die gehanteerd worden zijn in alle drie de steden anders.29 Wat werkt wel, wat niet, en waarom? Er is helaas nagelaten hiervoor een transparante evaluatiemethode van leren door te monitoren te ontwikkelen, die onontbeerlijk is voor een echt duurzame sociale investeringsstrategie.

Doordat bezuinigingen en hervormingen door elkaar heen lopen, is bovendien niet op tijd inzichtelijk waar het echt mis loopt. Sporadisch duiken verhalen op van mensen voor wie de cocktail van hervormingen en bezuinigingen op de verzorgingsstaat in een tijd van economische neergang ongenadig hard aankomt. Bijvoorbeeld voor degenen die, veelal in grote steden als Rotterdam, oneerlijke concurrentie ondervinden op de arbeids- markt en drie banen combineren terwijl ze onvoldoende geld verdienen om fatsoenlijk van rond te komen. Of voor dementerende ouderen die zelfstandig wonen en nog maar 2,5 dag naar de dagbesteding mogen gaan, omdat de gemeente de indicatiestelling van de 5 dagen dagbesteding die 

ze voorheen toegewezen kregen niet kan betalen. Of voor de meervoudig gehandicapte kinderen die in zorginstellingen door ongelukkige stapelingen van hervormingsmaatregelen in grotere groepen met minder begeleiding moeten samenwonen, en waar – als gevolg daarvan – agressie, ‘onbegrepen gedrag’ en medicatiefouten toenemen.30

Het Nederlandse voorbeeld laat zien dat om de sociale investeringsa- genda op lokaal niveau goed ten uitvoer te brengen, de randvoorwaarden op landelijk en op supranationaal niveau op orde moeten zijn, inclusief de verplichting tot evaluatieonderzoek. Het Nederlandse voorbeeld, maar ook voorbeelden uit andere landen, leert dat alleen inzetten op investeringen in het activeren van mensen niet genoeg is omdat er altijd kwetsbare groepen zullen zijn – meervoudig gehandicapten, dementerenden, ouderen – die primair op een verzorgend vangnet zijn aangewezen.

Voor het urgente en recente vraagstuk van de stroom vluchtelingen die in de Europese steden en dorpen komen wonen, geldt mutatis mutandis hetzelfde als voor de zittende bevolking. We weten van voorgaande migra- tiestromen dat mensen als ze hier eenmaal een aantal jaar zijn, niet meer terugkeren naar hun land van herkomst. We moeten er dus van uitgaan dat de meerderheid van deze mensen in Europa blijft. Uit voorgaande migratie- stromen weten we ook dat de werkloosheid onder migranten relatief hoog is. Het verstandigste beleid in deze situatie is om gericht en met maatwerk in de arbeidsmarktpositie van deze nieuwkomers te investeren, opdat ze snel de taal en vaardigheden leren die in onze samenlevingen nodig zijn om te kunnen werken, en opdat de vele kinderen onder deze groep geen verloren generatie vormen, maar kunnen bijdragen aan de Nederlandse en Europese economie. Uiteraard moeten ook deze sociale investeringen kunnen vallen onder het ‘sociale investeringsprotocol’ in een geamendeerd Stabiliteitspact.

Waarom pas nu?

De EU komt haar economische belofte van meer welvaart voor iedereen niet na, evenmin als haar sociale belofte van vrede, cohesie en democratie. Als de sociale investeringsagenda zo’n goed idee is, en dat weten we al zo’n vijftien jaar, waarom is deze niet al veel eerder en politiek offensief opgepakt? In het verleden, ook onder de jubeljaren van de Derde Weg, is de invoering van een echte brede investeringsstrategie vaak als te duur weggezet en ontbrak het aan vertrouwen in het belang van een effectieve overheid en verzorgingsstaat. Het gevolgde beleid was er een van belastingverlagingen als het goed ging, en bezuinigingen op sociale voorziening als het even tegenzat. Publieke investeringen in menselijk kapitaal werden bovendien boekhoudkundig weggezet als consumptieve bestedingen; geld dat niet rendeert. Ook wanneer wel werd erkend dat sociale investeringen zich op termijn terugverdienen, dan nog kozen zittende politici voor het korte termijn electorale succes van belastingverlaging. Daarmee deden ze niet alleen de toekomstige generaties tekort, maar ook de beroepsbevolking, die later afhankelijk is van de productiviteit van hun kinderen. Houdbaar pensioneren is simpelweg in kinderen investeren.

Kortom, het ontbrak in het recente verleden aan de politieke noodzaak om sociaal te investeren. Die noodzaak is er nu wel. Nalaten om sociaal te investeren drijft de Europese economie uit elkaar, maakt de EMU onhoud- baar, en de neergang die daarmee gepaard gaat is koren op de molen van Le Pen en Wilders.

De politieke middenpartijen hebben electoraal een gezamenlijk belang om het Europese economische en sociale project te redden, door met een breed gedragen alternatief te komen voor het onhoudbaar gebleken neoliberale beleidsparadigma. Zij zien de aanhang voor verschillende partijen op de flanken steeds verder groeien. Wilders en Le Pen zijn anti-Europees en ide- aliseren de ouderwetse verzorgingsstaat van de jaren vijftig – als antwoord op de toenemende bestaansonzekerheid en afbrokkelende welvaart onder lagen van de (autochtone) bevolking. Ook het Griekse Syriza en Spaanse Po- demos eisen meer ruimte voor nationaal sociaal beleid, maar willen tegelijk niet uit de euro stappen. Laat dat alternatief dan een (conditioneel) sociaal investeringsbeleid zijn waar alle landen van Europa van kunnen profiteren.

Streeck heeft gelijk: degenen die geloven in een sociaal Europa zijn op achterstand gezet omdat de neoliberale beleidsvoorkeuren in wetten zijn verankerd, zowel op Europees als op nationaal niveau. Maar waarom zou hier niet de wet van de remmende voorsprong kunnen gelden? De eerste oliecrisis werd bestreden met traditioneel Keynesiaans vraagstimuleringsbeleid; pas na de tweede oliecrisis ontstond een opening in beleidsdenken in de richting van meer (neo)liberale opvatting, waarin vervolgens is doorgeschoten, ook onder Kok, Clinton, Blair en Schröder.

De brute sociale ontwrichting waarmee het neoliberale beleid zich de afgelopen jaren heeft doen gelden, heeft de crisis in Europa verdiept in een politieke crisis. Een verandering van koers is daardoor nu – meer dan voor- heen – politiek opportuun. De moed en daadkracht die noodzakelijk zijn om een brede sociale investeringsagenda door te voeren in Europa kunnen uiteindelijk worden gestuwd door politiek eigenbelang, op basis van stevige wetenschappelijke bewijzen van economische effectiviteit, bestuurlijke haalbaarheid én sociale rechtvaardigheid.

 

  • 1. De werkloosheid is nog altijd hoog; 9,1% van de Europese beroepsbevolking is werkloos, 10,5% in het eurogebied. In Nederland ligt de werkloosheid op 6,8% van de beroepsbevolking; in Griekenland en Spanje op resp. 24,6% en 22,5%.
  • 2. Streeck, W. (2015), Gekochte tijd. De uitgestelde crisis van het democratisch kapitalisme, Leesmagazijn.
  • 3. Europese Commissie (2013), Towards Social Investment for Growth and Cohesion. Commission Communication, COM (2013) 83 final, 20 februari 2013.
  • 4. De recente hervormingen in onze Nederlandse verzorgingsstaat – de decentralisatie van taken op het gebied van zorg en de begeleiding naar werk – zijn, als we afgaan op de Memories van Toelichting bij de Wmo 2015, de Wlz, de Jeugdwet en de Participatiewet, voor een belangrijk deel gemotiveerd met het argument van financiële houdbaarheid. De eerdere forse bezuinigingen op de zorg die voortkwamen uit het Kunduz-akkoord (najaar 2012) werden gemotiveerd met het argument dat voldaan moest worden aan de 3%-norm uit het Stabiliteitspact.
  • 5. Wolfgang Streeck stapt in hetzelfde beperkte historisch-deterministische denkkader als Francis Fukuyama begin jaren negentig deed met zijn end of history-these van de ultieme overwinning van het kapitalisme en de liberale democratie: Francis Fukuyama (1992), The End of History and The Last Man, New York, The Free Press.
  • 6. Zie het werk van neurowetenschapper Daniel Kahneman. Voor de originele toepassing van de vooruitzichttheorie van Kahneman, zie Vis, B. (2010), Politics of Risk-taking: Welfare State Reform in Advanced Democracies. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • 7. Zie Hall, P.A. (1989), The Political Power of Economic Ideas: Keynesianism across Nations. Princeton, NJ: Princeton University Press; Hall, P.A. (1993), ‘Policy Paradigms, Social Learning, and the State: The Case of Economic Policy- making in Britain’, Comparative Politics, 25(3): 275-296.
  • 8. Europese Commissie (2011), Special Barometer 377: Employment and Social Policy Report, Brussel; M.R. Testa (2012), Family Sizes in Europe: Evidence from the 2011 Eurobarometer, Vienna Institute of Demography of the Austrian Academy of Sciences; Europese Commissie (2014), Special Barometer 417: European Area of Skills and Qualifications, Brussel. Ook in het Nederlandse Van Waarde-onderzoek van de Wiardi Beckman Stichting (zie Monika Sie Dhian Ho, Van Waarde. Sociaal-democratie voor de 21ste eeuw, Van Gennep Amsterdam, 2013) komen vergelijkbare ‘waarden’ naar voren. Zeer veel geïnterviewden in dit onderzoek begonnen bijvoorbeeld zonder dat daar expliciet naar gevraagd werd over het belang van werk in hun leven.
  • 9. Zie ESDE (2015), Employment and Social Developments in the Europe 2014, Europese Commissie, Brussel; World Bank (2015), EU Regular Economic Report 2 – Sustaining Recovery and Improving Living Standards, Washington D.C.: World Bank Group.
  • 10. OESO (2013), Education at a Glance 2013: OECD Indicators (dx.doi.org/10.1787/ eag-2013-en). Zie ook: CBS, Uitgaven voor onderwijs 2012. Trends en ontwikkelingen, webartikel 2013 (www.cbs.nl/NR/rdonlyres/D422C74F-193B- 43E5-8089-ACC7C064797C/0/2013Uitgavenonderwijs2012art.pdf).
  • 11. CBS, Uitgaven voor onderwijs 2012. Trends en ontwikkelingen, p. 3.
  • 12. Esping-Andersen, G., D. Gallie, A. Hemerijck & J. Myles (2002), Why We Need a New Welfare State, Oxford: Oxford University Press.
  • 13. OESO (2011), Doing Better for Families, Parijs: OESO; OESO (2012), Divided We Stand: Why Inequality Keeps Rising?, Parijs: OESO; OESO (2015), In It Together: Why Less Inequality Benefits All, Parijs: OESO; OESO (2015), All on board: Making inclusive growth happen, Parijs: OESO; World Bank (2012), Inclusive Green Growth. The Pathway to Sustainable Development, Washington D.C., World Bank Group; World Bank (2013), Creating More and Better Jobs in Europe and Central Asia, Washington D.C. , World Bank Group; Samans, R., J. Blanke, G. Corrigan & M. Drzeniek (2015), The Inclusive Growth and Development Report, World Economic Forum.
  • 14. Hanushek, E.A., & Woessmann, L. (2008), The role of cognitive skills in economic development. Journal of Economic Literature, 46(3), 607-668; Hanushek, Eric A., Guido Schwerdt, Simon Wiederhold & Ludger Woessmann (2015), ‘Returns to skills around the world: Evidence from PIAAC’, European Economic Review, Elsevier, vol. 73(C), pp. 103-113.
  • 15. Sabel, C.S., J. Zeitlin & S. Quack (2016), Capacitating services and the bottom- up approach to social investment, in: A. Hemerijck, (2016), The Uses of Social Investment, Oxford: Oxford University Press.
  • 16. Zie Hemerijck, A. (2013) Changing Welfare States. Oxford: Oxford University Press.
  • 17. Zie Hemerijck, A. (2015) ‘The Quiet Paradigm Revolution of Social Investment’, in: Social Politics: International Studies in Gender, State & Society, doi: 10.1093/ sp/jxv009.
  • 18. Zie o.a. Europese Commissie, ‘Employment and Social Developments in Europe’, 2014. Uit het bijgesloten persbericht (europa.eu/rapid/press-release_IP- 14-43_nl.htm): ‘Het verslag bevat ook de bevinding dat, anders dan algemeen wordt aangenomen, mensen die een werkloosheidsuitkering ontvangen meer kans maken op een baan dan mensen die geen uitkering krijgen (wanneer alle andere factoren gelijk zijn). Dit is in het bijzonder het geval bij weldoordachte uitkeringssystemen (zoals systemen waarbij de uitkering na verloop van tijd afneemt) waaraan passende voorwaarden verbonden zijn, zoals het vereiste dat een baan wordt gezocht. Zulke systemen zorgen gewoonlijk voor een betere afstemming van de vaardigheden op de behoeften, waardoor kwalitatief betere banen kunnen worden aangenomen. Dit zorgt er dan weer voor dat mensen gemakkelijker uit de armoede raken. Het verslag benadrukt ook dat in sommige landen (zoals Polen en Bulgarije) grote aantallen werklozen buiten de gebruikelijke vangnetten (werkloosheidsuitkeringen, sociale bijstand) vallen en aangewezen zijn op hun familie of informele arbeid. Werklozen zonder werkloosheidsuitkering vinden minder vaak een baan omdat er voor hen minder activeringsmaatregelen van toepassing zijn en zij niet verplicht zijn een baan te zoeken om een uitkering te ontvangen.’.
  • 19. Mullainathan Sendhill & Eldar Shafir (2014), Scarcity. The New Science of Having Less and How It Defines Our Lives, Picador.
  • 20. SCP (2010), Steeds meer verstandelijk gehandicapten, Den Haag.
  • 21. OESO (2011), Doing Better for Families. Parijs: OESO; OESO (2012), Divided We Stand: Why Inequality Keeps Rising? Parijs: OESO; OESO (2015), In It Together: Why Less Inequality Benefits All, Parijs: OESO; OESO (2015), All on board: Making inclusive growth happen, Parijs: OESO; World Bank (2012), Inclusive Green Growth. The Pathway to Sustainable Development, Washington D.C., World Bank Group; World Bank (2013), Creating More and Better Jobs in Europe and Central Asia, Washington D.C., World Bank Group; Samans, R., J. Blanke, G. Corrigan & M. Drzeniek (2015), The Inclusive Growth and Development Report, World Economic Forum.
  • 22. Zie bijvoorbeeld de publicaties van Pieter Hilhorst, Jos van der Lans, Sadik Harchaoui, Eelko Blokker, Albert Jan Kruiter en Harry Kruiter rond hun initiatief ‘Goede Gieren Fonds’. Zij berekenden dat het veel geld bespaart als een gezin met schuldenproblematiek op de juiste manier begeleid wordt. Zie o.a. Martin Zuithof, ‘Pieter Hilhorst: “We gaan maatschappelijke kosten voorkomen door schulden op te kopen”’, Sociale Vraagstukken, 16 oktober 2014.
  • 23. Wolfgang Streeck, Gekochte tijd, pp. 45-46.
  • 24. Zie bijvoorbeeld Blanchard, Olivier & Daniel Leigh, IMF Working Paper, Growth Forcast Errors and Fiscal Multipliers, IMF 2013; OESO (2014), ‘OECD Forecasts During and After the Financial Crisis: a Post-Mortum’, Policy Note No. 23, Parijs: OESO.
  • 25. Verdrag van Lissabon (2007/C 306/01), artikel 2 en 3.
  • 26. Ook de overgang naar het neoliberale beleidsparadigma vond gradueel plaats, behalve in Engeland waar na verkiezingen Thatcher aan de macht kwam en in één klap een monetaristisch beleid werd ingezet. Ook Wolfgang Streeck heeft, in zijn publicatie Beyond Continuity, dat hij schreef samen met Kathleen Thelen, beschreven hoe rijke democratieën als de onze institutioneel zo verdicht zijn dat de enige verandering die er is per definitie incrementeel is: zie Streeck, W. & K. Thelen (2005) Beyond Continuity: Institutional Change in Advanced Political Economies. Oxford: Oxford University Press.
  • 27. Sabel, Charles F. (2012), Individualized Service Provision and the New Welfare State: Are There Lessons from Northern Europe for Developing Countries?, in: Luiz de Mello & Mark A. Dutz (eds.), ‘Promoting Inclusive Growth, Challenges and Policies’, Parijs: OESO, pp. 75-111.
  • 28. Zie het lopende onderzoek van de Wiardi Beckman Stichting naar de manier waarop de recente decentralisatie van de Nederlandse verzorgingsstaat uitpakt in het dagelijks leven van mensen op www.vanwaardelokaal.nl.
  • 29. Ibid.
  • 30. Ibid.

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl