Vorige week demonstreerden de fysiotherapeuten bij het kantoor van zorgverzekeraar VGZ. Hun klachten waren gericht tegen alle zorgverzekeraars. Fysiotherapeuten moeten zich houden aan het aantal behandelingen dat voor een bepaalde klacht of blessure is vastgesteld. Dit aantal wordt berekend op basis van het gemiddelde van alle fysiotherapiepraktijken. Wie boven dit gemiddelde zit wordt gekort op de vergoeding. Omdat fysiotherapeuten proberen een korting te voorkómen daalt dit gemiddelde gestaag. Daarnaast zijn zij verplicht tevredenheidsenquêtes af te nemen bij hun patiënten. Wie te weinig enquêtes overlegt wordt eveneens gekort. En tenslotte worden de tarieven eenzijdig vastgesteld door de zorgverzekeraars. Het grote pijnpunt is dat fysiotherapeuten over de verschillen van inzicht niet kunnen onderhandelen met de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars zijn niet verplicht om met individuele zorgaanbieders te onderhandelen. Zorgaanbieders mogen zich niet verenigen omdat zij daarmee hun onderhandelingsmacht zouden vergroten. En dat mag niet omdat zij elkaars concurrenten zijn. Het komt er dus op neer dat zij moeten ‘tekenen bij het kruisje’.

Dit roept associaties op met de actie van huisartsen een aantal jaren geleden. Ook huisartsen hadden te maken met het ontbreken van onderhandelingsruimte en steeds toenemende administratieve verplichtingen die de zorgverzekeraars hen oplegden. Zij richtten de actiegroep ‘Het Roer Moet Om’ (HRMO) op die de misstanden aan de kaak stelde. Ook de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) is actiever geworden. Inmiddels hebben veel huisartsen zich verenigd in regionale contracteringsteams, die met de zorgverzekeraars overleggen. Maar veel verbetering lijkt dit nog niet op te leveren. Uit een peiling onder de leden die de LHV in mei van dit jaar publiceerde bleek dat zes op de tien huisartsen ontevreden zijn over het aangeboden contract. De LHV liet daarop weten dat zij de regionale teams gaan ondersteunen. Uiteraard volgde een waarschuwing van de Autoriteit Consument en Markt (ACM):   

“Zorgaanbieders in de eerstelijnszorg (waaronder huisartsen) hebben veel ruimte om met elkaar te werken aan verbetering van de zorg. Ook is er ruimte om hierover gezamenlijk met zorgverzekeraars te spreken en dat gesprek verder te professionaliseren. Maar overleg tussen huisartsen mag niet gericht zijn op het verkrijgen van meer onderhandelingsmacht. De ACM heeft de LHV er daarom op gewezen dat ook bij de nieuwe overlegstructuur onder meer de volgende regels gelden:

  • Zij mogen geen collectieve afspraken maken over concurrentiegevoelige onderwerpen, zoals tarieven, service-aspecten of aanvullend aanbod. 
  • Zij mogen dergelijke concurrentiegevoelige informatie niet met elkaar uitwisselen.
  • Zij mogen elkaar geen advies geven over het wel of niet accepteren van een contract of contact hebben over tussentijdse onderhandelingsresultaten.”

Let wel, we hebben het hier over een beroepsgroep waarbij het overgrote deel van de tarieven door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is vastgesteld en voor iedere huisartsenpraktijk hetzelfde is. Een beroepsgroep die bovendien de cruciale rol van poortwachter vervult in het zorgstelsel: de huisarts beoordeelt of verwijzing naar de ‘tweede lijn’ (specialist, spoedeisende hulp) gewenst of noodzakelijk is. Als deze beroepsgroep al behandeld wordt als een stelletje kleuters, dan heb ik weinig hoop voor de fysiotherapeuten.

De zorg (en daarmee de samenleving) is bij uitstek gebaat bij samenwerking en het uitwisselen van nieuwe inzichten. Toch houden de beleidsverantwoordelijken vast aan concurrentie. Daarbij wordt niet vermeld dat onderdelen van de marktwerking, zoals tariefonderhandelingen, per sector verschillen. Met ziekenhuizen onderhandelen zorgverzekeraars niet over de prijzen van hun behandelingen, maar over het totaalbudget en een aantal speerpunten waar het desbetreffende ziekenhuis zich op toelegt. Bovendien hebben de laatste jaren in de zorg flink wat fusies plaatsgevonden. Aanvankelijk van zorgverzekeraars en vervolgens van ziekenhuizen. Het versterken van de onderhandelingspositie speelde in ieder geval bij een aantal van de fusies een rol. Ook als het gaat om dure medicijnen is er helaas geen sprake van concurrentie. Door patenten en de daarmee samenhangende monopoliepositie kunnen farmaceutische bedrijven een veel hogere prijs bedingen dan gerechtvaardigd zou zijn.

Een groot deel van de zorg, in ieder geval voor wat de kosten betreft, valt dus al buiten de marktwerking. Het is dan bizar om voor huisartsen en fysiotherapeuten vast te houden aan een verbod om gezamenlijk op te trekken.

Het wordt tijd om dit verbod voor de hele eerste lijn op te heffen. Want handhaving leidt er in de praktijk toe dat zorgaanbieders in de eerste lijn geen enkele onderhandelingspositie hebben en zorgverzekeraars de tarieven eenzijdig kunnen vaststellen. Zelfs de meest fervente voorstander van marktwerking in de zorg zal moeilijk kunnen volhouden dat dit de concurrentie, en daarmee de beoogde innovatie, bevordert.

In verband met de herfstvakantie volgende week geen blog.