De PvdA leed op 15 maart de zwaarste nederlaag in haar geschiedenis. Hoe kon dit gebeuren? Kan de PvdA van het geleden verlies herstellen? 

De eerste mei is normaal gesproken niet een dag om als Partij van de Arbeid over jezelf te gaan zitten tobben.1 Het gaat toch meestal om zaken als strijdbaarheid; trots op behaalde resultaten; en om de vraag hoe we in de toekomst nóg sterker kunnen worden. Maar in de huidige omstandigheden zou dat toch iets kunstmatigs hebben. De PvdA leed op 15 maart de zwaarste nederlaag in haar geschiedenis. Ze werd op die dag de zevende partij van het land; kleiner dan GroenLinks, D66 en de SP; terwijl in sommige stadswijken zelfs nieuwkomer DENK meer stemmen kreeg.

Het is een verkiezingsuitslag die vragen oproept waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Hoe kon dit gebeuren? Wat is er politiek en maatschappelijk allemaal gaande – niet alleen in Nederland? Kan de PvdA van het geleden verlies herstellen? Of gaat dat bij volgende verkiezingen op dezelfde schaal door werken? Op een stad als Rotterdam betrokken: het aantal raadszetels zou bij een vergelijkbare uitslag teruglopen van acht naar drie (in een raad met 45 zetels). Terwijl de partij vroeger een meerderheid had.

Nederlaag of niet, de sociaal-democratische traditie – als tegenwicht en hervormende kracht ten opzichte van een op hol geslagen markteconomie – is onverminderd relevant. Het kapitalisme is, zoals de kredietcrisis heeft laten zien, van zijn naoorlogse ankers geslagen. Het stelt financieel gewin boven maatschappelijke doelstellingen (sociaal, cultureel, ecologisch) en jaagt het maken van schulden zoveel mogelijk op. Dat wil zeggen: schulden van particulieren, want die van overheden moeten naar nul.

De strijd tegen een dergelijk financieel kapitalisme zou een belangrijke doelstelling moeten zijn van de hedendaagse sociaal- democratie – en van de linkse beweging in bredere zin. De Amerikaanse schrijver en essayist Thomas Frank herinnerde de Democratische partij – en Hillary Clinton in het bijzonder – daar al ver voor de presidentsverkiezingen aan in een boek getiteld Listen, Liberal!. Een Nederlandse respectievelijk Europese versie van zo’n pleidooi zou kunnen luiden: Ontwaak, sociaal-democraat! Dat pleidooi wil ik graag houden.

Wilders’ jargon overgenomen

Ik begin met het steeds gebrekkiger functioneren van de politiek in democratische landen – ook in Nederland. In buitenlandse kranten kreeg ons land na 15 maart lof toege zwaaid voor het feit dat de PVV niet de grote winnaar van de verkiezingen was geworden. Dat hadden de gevestigde partijen hier toch maar mooi voor elkaar gekregen. Maar tegen welke prijs eigenlijk? En wat levert het op? VVD en CDA namen in de verkiezingscampagne een groot deel van het jargon van Wilders over. ‘Doe gewoon of pleur op.’ ‘Pas je aan of je wordt het land uitgezet.’ Andere partijen hebben dat gelukkig niet ge daan. Maar tot een serieuze discussie over immigratie en integratie is het geen moment gekomen.

Paul Scheffer heeft dat in een artikel in NRC Handelsblad van 1 en 2 april (‘Zonder wij werkt het niet’) helder geanalyseerd. ‘Gebrek aan oriëntatie en onmacht’, schrijft hij, hadden de overhand. Enerzijds werd Nederland, tot en met het Sinterklaasfeest, als een ‘racistisch land’ bestempeld. Anderzijds kregen immigranten te horen dat ze zich moesten aanpassen of vertrekken. Rutte sprak hen typerend genoeg niet aan op hun verantwoordelijkheid. De nadruk lag niet op ‘doe mee’ maar op ‘ga weg’. Met als waarschijnlijk gevolg, aldus Scheffer, dat wie het slecht gaat juist hier blijft – en wie succes heeft vertrekt. Zijn conclusie: te veel politici doen nog steeds alsof we ons kunnen onttrekken aan de realiteit; aan ‘de gemengde gemeenschap die we als gevolg van de migratie zijn geworden’.

Even eendimensionaal verliep volgens hem de discussie over de opvang van vluchtelingen. Noch het idee van open grenzen noch dat van gesloten grenzen gaat ons veel helpen. Wat we nodig hebben, aldus Scheffer, is een uitspraak over de reikwijdte van onze humanitaire verantwoordelijkheid: ‘hoeveel vluchtelingen kunnen we hier redelijkerwijs opvangen?’ Maar geen politicus waagde zich daaraan (in mijn herinnering Diederik Samsom overigens wel). Dat stilzwijgen is onverantwoord – zeker als we weten dat nieuwe vluchtelingenstromen onontkoombaar zijn. Hetzelfde geldt volgens de auteur overigens voor de arbeidsmigratie: geen politicus die aangeeft welke behoefte Nederland de komende tien tot twintig jaar heeft aan geschoolde en minder geschoolde arbeidskrachten. Dat zal moeten veranderen.

Waar is de politicus, vraagt Scheffer zich samen vattend af, die de maatschappij voorhoudt dat Nederland, als gevolg van de immigratie in de afgelopen halve eeuw, blijvend is veranderd? En, zoals hij zijn artikel besluit: ‘migratie vraagt oriëntatie, in plaats van nodeloos mensen van elkaar te vervreemden.’ Dat laatste – laat dat duidelijk zijn – heeft de PvdA niet gedaan. Maar we hebben het uitgangspunt waaraan geen serieuze politicus ontkomt (‘we zijn een andere samenleving geworden’) evenmin verwoord. Zoals we Rutte en Buma ook niet op hun onverteerbare uitspraken hebben aangevallen. Droeg dat misschien bij aan de spectaculaire winst van DENK in een aantal grote steden in ons land? Heeft haar anti-PvdA-sentiment deze partij onder veel allochtonen populair gemaakt?

En dan was er, tot slot, een onderdeel van het kabinetsbeleid dat weer anderen zwaar op de maag zal hebben gelegen: de beslissing om de kosten voor de opvang van vluchtelingen voor een groot deel met gelden voor ontwikkelingssamenwerking te financieren. Er moest immers bezuinigd worden. Zoals Oxfam Novib het formuleerde: een ‘blamage’ voor een regering die de mond vol had van ‘meer opvang in de eigen regio’ en het structureel investeren in arme landen om de oorzaken van migratie tegen te gaan. Die kritiek is volkomen terecht – en laten we wat er gebeurd is maar rangschikken onder de categorie: ‘voorwaarts en niet vergeten’.

Europa en de onmacht van de politiek

Dan een tweede belangrijk onderwerp dat in de verkiezingsstrijd eigenlijk geen serieuze behandeling kreeg. Het betreft het huidige en toekomstige Europa. Ook hier werd het debat – net als bij immigratie- en integratie – vooral teruggebracht tot: ben je ‘voor’ of ben je ‘tegen’? Populisten zijn tegen Europa en dat moest ze ingepeperd worden. Maar de dringende vraag welke gebreken de huidige Unie vertoont; hoe ze zouden kunnen worden verholpen; en waar de grenzen van de Europeanisering liggen – die kwam eigenlijk nauwelijks aan de orde. Neem de centralisatie van de besluitvorming die in de eurozone heeft plaatsgevonden. Die staat niet alleen in dienst van contraproductieve bezuinigingen en van eenzijdige, betwistbare ‘structurele hervormingen’ (op de arbeidsmarkt en in de publieke sector) , maar is ook democratisch een probleem. Ze leidt tot een oplopend verlies aan nationale politieke zeggenschap, zonder vergelijkbare winst op Europees niveau.

Het zijn niet alleen wetenschappers (zoals in Duitsland bijvoorbeeld Fritz Scharpf en Wolgang Streeck) die zich over dat alles grote zorgen maken. Ook in Nederland mengt onvrede over een beleid dat de gevolgen van de crisis op de bevolking afwentelt, zich met het gevoel dat de beslissingen eigenlijk elders worden genomen. Dat maakt ‘Europa’ steeds minder populair. De PVV speelt daar, net als verwante partijen elders, op in met een fel anti-Europees, rancuneus programma. Bezorgdheid daarover is terecht, maar blijft gratuit zonder het besef dat het gevoerde beleid (ook dat van Rutte II) betwistbaar is en de onvrede verder heeft aangewakkerd. En wel in drie opzichten: 

In de eerste plaats: een fixatie op bezuinigingen en zogenaamde ‘structurele hervormingen,’ zonder serieuze politieke discussie.

Achtereenvolgende kabinetten kortten, met een beroep op Europese afspraken, zwaar op de overheidsbegroting. Serieuze kritiek op een dergelijk beleid – in tijden van crisis en van voorzichtig herstel – werd genegeerd. Intussen stapelden bij de uitvoering van dat beleid de ongerijmdheden zich op: kortingen op de voorzieningen voor arbeidsgehandicapten, terwijl de werkloosheid in deze groep sterk is toegenomen. Versoberde uitkeringen, terwijl de hoge inkomens voor wat minder hypotheekaftrek gecompenseerd werden met een lager toptarief. Schulden maken ontmoedigen, behalve als dat de overheid uitkomt – zoals bij de studiefinanciering;

Een tweede kenmerk van het beleid: nog meer bovennationale dwang om de verzorgingsstaat in te krimpen.

Genoemde ‘structurele hervormingen’ (van een verbod op begrotingstekorten tot een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt en meer marktwerking in de publieke sector) moesten volgens de heersende beleidsopvattingen ook elders plaatsvinden – en in de toekomst Europa-breed af gedwongen kunnen worden. Maar een serieus debat over deze verregaande inperking van de nationale soevereiniteit heeft in Nederland – anders dan bijvoorbeeld in Duitsland – niet plaatsgevonden. Parlementair verzet, zoals met betrekking tot de zeggenschap over pensioenen, bleef van incidentele aard;
 

In de derde plaats – en tot slot: mistvorming rond de toekomst van de Europese Unie.

Pleidooien voor een verdere overdracht van bevoegdheden aan de EU werden ook door het kabinet- Rutte II moeiteloos gecombineerd met het tegendeel: nadruk op de wenselijkheid van ‘minder Europa’ en van ‘subsidiariteit’. ‘De tijd van een ‘ever closer union’, zei minister Timmermans (inmiddels al lange tijd bestuurder in Brussel) ‘is voorbij.’ Waarna het kabinet en het overgrote deel van de Tweede Kamer kozen voor verdere centralisering in Europa, zoals op het terrein van het bankentoezicht. Geen kiezer kon er uit wijs uit worden – en dat is sindsdien niet veranderd.

De kritiek op een dergelijk opportunisme, zoals van onderzoekers van Instituut Clingendael, is volkomen terecht. En ze impliceert geenszins een terugval in simplismen als ‘zijn we vóór of tegen Europa?’ Bovendien moeten we ons realiseren dat de Europese samen werking een intensiteit bereikt heeft die niet zo maar valt terug te draaien. Stappen om de eurolanden in een minder knellend neoliberaal korset te snoeren – waaronder vermindering van de bezuinigingen: er valt veel voor te zeggen (ik kom er straks op terug), maar zou een enorme ommekeer in het beleid vergen. Zoals invoering van een euro van meerdere snelheden (bijvoorbeeld door de eerder genoemde Duit se wetenschappers bepleit) het bespreken waard is, maar een moeizame en pijnlijke operatie zou zijn. 

Het ernstige democratische tekort is er niet minder om. Elke serieuze discussie over intensiteit, bereik en vormgeving van de Europese Unie heeft de afgelopen jaren in Nederland ontbroken. Daar is bij de verkiezingscampagne geen uitzondering op gemaakt. Het grootste probleem van de muntunie (de feitelijke onmogelijkheid van een Europese staat) wordt niet onder ogen gezien; de oplopende spanning tussen economie en democratie miskend. Een vrijhandelsakkoord dat de EU met de Verenigde Staten zou sluiten (en dat onder meer bedrijven in staat zou stellen om nationale staten wegens schadelijke wetgeving aan te klagen) is gelukkig van tafel verdwenen – maar ook daar zonder duidelijke betrokkenheid van democratische organen.

Het dringend gewenste debat over Europa kwam ook in de verkiezingscampagne niet op gang. Wel leek Lodewijk Asscher aanvankelijk een stap in die richting te doen. Hij scherpte bij zijn aantreden als lijsttrekker het PvdA- verkiezingsprogramma met betrekking tot de Europese regels voor arbeidsmigratie aan. ‘Niet te verkroppen’ noemde hij het dat je als werknemer ‘weggeconcurreerd wordt door iemand die jouw werk tegen andere voorwaarden en voor veel minder geld doet.’ Wie ervan profiteert ‘zijn grote werkgevers die met schimmige constructies hun zakken vullen’. Een centraal thema in de verkiezingsstrijd is het echter niet geworden – en de PvdA heeft daar verder ook niet veel moeite voor gedaan. Hetzelfde geldt voor verwante onderwerpen als euro en Brexit.

Andere centrale thema’s ontbraken overigens eveneens – op het geschetter over ‘aanpassen of oprotten’ na. De verzamelde lijsttrekkers voerden (al dan niet in duo-vorm) tv-debatten, zonder dat er veel samenhang in de controverses zichtbaar werd. En cabaretier Freek de Jonge wist zijn publiek onbedaarlijk aan het lachen te krijgen door – zonder commentaar – passages uit de campagnepamfletten van verschillende partijen letterlijk voor te lezen. Gelukkig is de opkomst op 15 maart toch nog redelijk hoog gebleven.

Verbestuurlijking en vermarkting

Hoe moeten we de onmacht van de politiek in dit opzicht, deze vorm van depolitisering interpreteren? Wat verklaart het onvermogen van politieke partijen om belangrijke thema’s als integratie en immigratie, de toestand van Europese Unie – of, om nog wat andere voorbeelden te noemen: de noodzaak van bezuinigen; de verhouding tussen de milieu en economie; de opmars van ongelijkheid en commercialisering – om die tot inzet van een serieus politiek debat te maken?

Herman Tjeenk Willink heeft dat jaren geleden als vice-voorzitter van de Raad en State scherp onder woorden gebracht. Regering en parlement, schreef hij, zijn in de ban geraakt van een ‘bureaucratisch-bedrijfsmatige logica’. Het management-denken, gefixeerd op controle en interne flexibiliteit, beroofde de departementen van veel ervaring en een collectief geheugen – en maakte hen gevoelig voor beleidsmodes. Wetgeving is sterk geïnstrumentaliseerd; rechtstatelijke uitgangspunten zijn vervaagd. En het parlement heeft zich in dat proces laten meezuigen. De politiek, schreef Tjeenk Willink, ‘is verbestuurlijkt en het bestuur is – in zijn denken – vermarkt’.

En nog een citaat: ‘Politieke partijen hebben nog zelden een samenhangende visie, een “groot verhaal”, waarin (…) heldere – van andere partijen duidelijk afwijkende – keuzen worden gemaakt; waaruit (ook) passie en emotie spreekt.’2 Journalist Marc Chavannes uitte in zijn boek Niemand regeert. De privatisering van de politiek vergelijkbare kritiek. Hij achtte de gevestigde partijen medeverantwoordelijk voor het ontstaan van een ‘voedingsbodem waarop het cynisme en de boosheid van Fortuyn, Verdonk en Wilders konden bloeien’. Met het deregulerings- en privatiserings- beleid liet de politiek haar verantwoordelijkheid verwaaien – en werd zo voor burgers ook minder aanspreekbaar.3

Analyses als van Tjeenk Willink en Chavannes laten zien dat de gangbare kritiek op het functioneren van onze democratie aanvulling en toespitsing verdient. In die kritiek ligt de nadruk op de afstand (de ‘kloof’) tussen politici en ‘gewone’ burgers. Met de professionalisering van het openbaar bestuur en de verminderde maatschappelijke inbedding van partijen, zo wordt geredeneerd, heeft de politiek een technocratisch karakter gekregen. Partijprogramma’s zijn tegenwoordig vooral een opsomming van beleidsvoorstellen. En de politici die al die plannen gaan uitvoeren, ontbreekt het vaak aan kennis van de praktijk. Die redenering snijdt hout, net zoals de verschillen in opleiding tussen kiezers en gekozenen de kloof vergroten.

Maar het probleem zit veel dieper. Het ‘kloof’-denken gaat voorbij aan de verminderde relevantie van de politiek. Die opereert niet alleen op te grote afstand van de burgers, maar is ook van karakter veranderd. Ze raakte, bijvoorbeeld met het privatiseringsbeleid, verantwoordelijkheden kwijt. Ze is er minder toe gaan doen.

Daar komt nog een ander belangrijk probleem bij. De gevestigde politieke partijen zelf zijn, lang voor de kiezers dat deden, gaan ‘zweven’. Onder invloed van de hiervoor geschetste ontwikkelingen hebben ze aan richtinggevend en probleemoplossend vermogen ingeboet. Ze volgden vooral de heersende beleidsmodes – en verloren inhoudelijk aan relevantie. In plaats daarvan is de volle nadruk komen te liggen op verkiezingen en verkiezingscampagnes.

Deze hele ontwikkeling is een aanzienlijk achteruitgang vergeleken met vroeger. De volkspartijen van weleer hadden een zichtbare achterban. Hun visie op het algemeen belang  was verweven met belangenbehartiging van onderop – waarin ook de betrokken bevolkingsgroepen participeerden. Politiek was ook een zaak van strijd en engagement. Dat is geheel naar de achtergrond verdwenen. En de gevolgen zijn er naar. Enerzijds neemt de druk op de politiek vanuit de bevolking, decennialang gericht op vermindering van de sociale ongelijkheid, structureel af. En anderzijds is ze zelf veel toegankelijker geworden voor de (soms uiteenlopende) belangen van de zakenwereld.4

Zo begint de politiek trekken te vertonen van wat ze vroeger, in pre-democratische tijden, altijd was: een terrein dat vooral ten dienste staat van de gepriviligieerden.

Is Nederland er weer bovenop?

Uiteraard staat dat laatste niet in het programma van de PvdA. Maar ze heeft zich ten tijde van de coalitie met de VVD wel als een sterk verbestuurlijkte partij gedragen. Typerend is de email die ik, net als alle andere leden, op 15 maart om 23 uur 16 van de partijleiding ontving. ‘Een bittere avond voor de Partij van de Arbeid’, schreven de lijsttrekker en de voorzitter van de partij. ‘De uitslag is ongelooflijk teleurstellend.’ Dat was die zeker. Maar ze vervolgden: ‘Onze partij heeft Nederland de afgelopen jaren, samen met de VVD, op een fatsoenlijke en rechtvaardige manier uit de crisis geloodst. Ons land staat er nu veel beter voor dan in 2012. Toch zijn we er helaas niet in geslaagd om met onze resultaten uit het kabinet en onze plannen voor de komende vier jaar onze kiezers te overtuigen.’

Aldus werd onverminderd vastgehouden aan de zonnige toon die het PvdA-verkiezingsprogramma Een verbonden samenleving al kenmerkte. ‘Het gaat gelukkig weer de goede kant op met Nederland’, aldus de opstellers. Zeker, de PvdA is mensen kwijtgeraakt. Maar er is ‘gestreden voor verandering, het herstel is aantoonbaar en we zijn verheugd over de resultaten die het verschil maken’. Daar valt heel veel op af te dingen. De hardheid van bepaalde ingrepen (bezuinigingen op de zorg en op de AOW bijvoorbeeld) blijft voor het gemak buiten beschouwing, terwijl de opbrengst van het beleid wel erg gunstig wordt voorgesteld. Neem de groei van het nationaal inkomen en de daling van de werkloosheid in ons land in de afgelopen jaren. Op zichzelf positieve ontwikkelingen, maar wat zijn ze precies waard?

Het aantal werklozen in ons land in inderdaad verminderd, maar ligt nog altijd hoger dan toen het kabinet aantrad. Dat noopt toch tot enige bescheidenheid. En nationaal en internationaal komen steeds meer economen tot de conclusie dat een hard bezuinigingsbeleid, zoals door het kabinet gevoerd, maatschappelijk én economisch schadelijk is. De netto-overheidsinvesteringen in de grote economieën van de eurozone schommelen, zo constateerde Financial Times-columnist Martin Wolf onlangs, rond het nulpunt. In een tijd van economische slapte, zo luidt zijn oordeel, is dat ‘dwaasheid’. Waarom is op dergelijke kritiek – in het programma noch in de campagne van de PvdA – serieus gereageerd?5

Het gaat overigens niet alleen om de omarming van de manier waarop het kabinet de groei van economie en werkgelegenheid heeft willen stimuleren. Minstens zo belangrijk is de vraag welke groepen in de samenleving van die groei hebben geprofiteerd. Tijdens de crisis, zo stelde arbeidseconoom Paul de Beer al eerder vast, verloren maar liefst 250.000 arbeidsgehandicapten hun baan. Het kabinet denkt dat in 2026 de helft weer betaald werk zal hebben. ‘Dat kun je’, aldus de Beer, ‘een lage ambitie noemen’. Daar komt bij dat van de 20.000 mensen uit deze groep die in afgelopen jaren weer aan de slag konden, de grote meerderheid voorheen bij een sociale werkplaats werkte. En die werkplaatsen heeft het kabinet zelf gesloten.6 Is dit nu een voorbeeld van wat in het verkiezingsprogramma werd bedoeld met: ‘het herstel is aantoonbaar en we zijn verheugd over de resultaten die het verschil maken’?

Ik wil hiermee – na de dramatische verkiezingsuitslag – niet een potje vliegen afvangen beginnen. Wat me wel bezighoudt is dat landelijke vertegenwoordigers van de PvdA (de fractieleiding, het PvdA-bestuur, PvdA-vertegenwoordigers in het kabinet) zich kennelijk niet of nauwelijks zorgen maken over een ontwikkeling die zich in de afgelopen decennia in ons deel van de wereld heeft voltrek ken – de afbrokkeling van de sociale markteconomie, ten gunste van een agressief financieel kapitalisme. En dat terwijl zo’n sociale markteconomie eigenlijk het bestaansrecht van de sociaal-democratie vormt, zoals haar geschiedenis leert. In de eerste fase, toen elementaire sociale (en politieke) rechten nog ontbraken; in de jaren van economische crisis vóór de Tweede Wereldoorlog; en met aanzienlijk succes in de naoorlogse periode.

De sociale markteconomie die na 1945 in West-Europa – en in mindere mate ook in de VS, werd opgebouwd – had een morele kern. Het ging, crisis en oorlog vers in het geheugen, om de opbouw van een rechtvaardiger en leefbaarder samenleving. Ten grondslag aan het beleid lag, bij alle meningsverschillen, het besef van een maatschappelijk contract. De samenleving als gehéél, zou voortaan delen in de toename van de welvaart. ‘A rising tide that lifts all boats’, zoals John F. Kennedy het een halve eeuw geleden omschreef. Dat perspectief maakte de bestaande, nog altijd aanzienlijke verschillen verdraaglijk. Ze bevorderde de bereidheid tot matiging, bijvoorbeeld ten behoeve van lagere inkomensgroepen en van nietmateriele doelstellingen. En ze vergrootte het vermogen om in tijden van tegenslag gezamenlijk een stap terug te doen.

Ondergang van de sociale markteconomie

Dat maatschappelijk contract, zo moet worden vastgesteld, heeft sterk aan werkingskracht ingeboet. Het is formeel niet opgezegd – sterker nog: het economische en politieke establishment acht het nog volledig intact. Maar in de praktijk wordt het steeds minder nagekomen. Daarvoor zijn harde aanwijzingen – ook in Nederland. Ik noem:

- een ongelijke verdeling van de welvaartsgroei.

De loonontwikkeling blijft in westerse landen structureel achter bij de groei van de winsten. De gemiddelde koopkracht zit, zo constateert historicus en WRR-adviseur Bas van Bavel, ook in Nederland al langdurig op hetzelfde niveau. ‘Slechts 17/% van de bedrijfswinsten wordt productief geherinvesteerd, het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog. Het meeste vermogen wordt gestoken in financiële markten, speculatie of beleggingen elders in de wereld. De vermogensongelijkheid heeft inmiddels een recordhoogte bereikt.’7

- verder: werk- en inkomensonzekerheid.

Reorganisatie van bedrijven is tegenwoordig geen uitzondering meer, maar regel. Ondernemingen zijn, in hun jacht op kostenbesparing, taken gaan uitbesteden en de arbeidscontracten gaan flexibiliseren.De arbeidszekerheid daalt; concurrentie en werkdruk nemen, mede als gevolg van de export van arbeid en de import van kapitaal, toe. De hoogste prijs daarvoor betalen mensen met weinig scholing. Hoezo, eerlijk delen?

- en dan: een verschraalde verzorgingsstaat – en onbelaste rijkdom.

‘Een evenwichtige inkomensverdeling’ was indertijd een breed gedeelde beleidsdoelstelling. Maar daar komt weinig meer van terecht. Terwijl de uitkeringen hooguit de inflatie bijgehouden hebben en modale werknemers hun koopkracht vooral zien stijgen door langer te werken, zijn de hoogste inkomens fors gestegen. Een vermogenswinstbelasting ontbreekt hier. En internationale bedrijven onttrekken zich massaal aan belastingheffing. Samenvattend: de sterkste schouders dragen allerminst de zwaarste lasten.

- en niet in de laatste plaats: een verharding van de samenleving.

Het maatschappelijk klimaat is de afgelopen dertig jaar harder en onaangenamer geworden. Dat heeft vele achtergronden en oorzaken, maar een belang rijke verklaring vormt de sterk gegroeide invloed van het neoliberale denken. Dat verheerlijkt het egoïsme; erkent eigenlijk alleen de motiverende werking van financiële prikkels; en laat degenen die de top bereiken de hoofd prijs met niemand delen. The winner takes it all.

Omgekeerd worden degenen die in de economische wedren niet goed mee weten te komen, als losers voorgesteld. Die neerbuigende houding manifesteert zich in de grote inkomensachterstand die uitkeringsgerechtigden hebben opgelopen, maar bijvoorbeeld ook in het ‘activerend arbeidsmarktbeleid’. Waar de meeste politici vroeger van geen druk of sanctie jegens werkzoekenden wilden weten (wat ook niet goed was) kiest men nu vaak voor het omgekeerde uiterste. De norm van passende arbeid is afgeschaft. Uitkeringsgerechtigden worden verplicht en zonder uitzicht op een minimumloon aan het werk gezet. Aanpassing van de mens aan het systeem – niet omgekeerd.

En dan is er de commercialisering van wat vroeger tot de publieke dienstverlening werd gerekend. Eén van de voorbeelden betreft onze energievoorziening. De betreffende bedrijven zijn – conform Europese richtlijnen – inmiddels opgesplitst in netbedrijven (die het leidingennetwerk beheren en in overheidshanden moeten blijven) en energieleveranciers (die ook in commercieel beheer kunnen worden genomen). Het gemeentebestuur van Rotterdam heeft inmiddels Eneco in de etalage gezet en wil zijn belang van 31/% (de rest is in handen van zo’n vijftig andere gemeenten) aan een privaat bedrijf verkopen. Wat dat uiteindelijk voor de prijzen van energie kan gaan betekenen, laat een land als Engeland zien. Burgers betalen er inmiddels onevenredig veel meer geld voor deze eerste levensbehoefte. Hier geldt letterlijk: tel uit je winst.

In dergelijke omstandigheden worden de globalisering van de economie en de liberalisering van het overheidsbeleid door steeds meer mensen ervaren als instrumenten ten dienste van de rijken en machtigen. Zoals de Europese Unie steeds meer de boodschapper is geworden van vrijhandel, van liberalisering en flexibilisering. In de woorden van sociaalhistoricus Jan Luijten van Zanden, ‘van slecht neoliberaal nieuws’.8 Zeker, de financiële crisis die een speculerend bankwezen veroorzaakte, werd door de betrokken overheden bedwongen. Banken werden aan strakkere wettelijke regels gebonden. Maar is dat toereikend om herhaling te voorkomen? En waarom is het financiële kapitalisme in bredere zin buiten schot gebleven? Alsof dat uiteindelijk niet minstens evenveel schade aanricht.

Het opvallendst aan dat alles is het gemak waarmee leidende opvattingen over ‘eerlijk delen van de welvaart’ en ‘minder ongelijkheid’ zijn losgelaten. Het maatschappelijk contract wordt stap-voor-stap en stilletjes ontbonden. Geen politicus spreekt meer over ‘a rising tide [that] lifts all boats’. Filosoof John Rawls’ pleidooi voor het belang van de minst geprivilegieerden als toetssteen voor het beleid, een kwart eeuw geleden zelfs half-en-half door de VVD onderschreven, is volkomen vergeten.

Zicht op een andere samenleving

Een politiek antwoord op al deze ontwikkelingen zal veel verder moeten gaan dan een pleidooi voor ‘eerlijk delen’ of voor ‘maatschappelijke samenhang’ dat de sociaal-democratie de afgelopen periode heeft gehouden. Een bredere programmatische invalshoek is dringend gewenst. Daarbij gaat het in de eerste plaats om herstel van het maatschappelijk contract dat de sociale markt-economie kenmerkte; om bestrijding van de ongelijke verdeling van risico’s en opbrengsten in de samenleving. Die ongelijkheid is onrechtvaardig. Ze maakt een samenleving onaangenamer en doet de blik naar binnen slaan.

In het verlengde daarvan zal de sociaal- democratie zich moeten inzetten voor het terug dringen van de financialisering van de economie. Dan gaat het niet in de laatste plaats om duurzaamheid. Het is in Rotterdam havenstad een groot thema aan het worden. Jan Rotmans, transitie-hoogleraar en inmiddels adviseur van het Havenbedrijf, zei onlangs: ‘de echte doorbraak moet nog komen’ – en die gaat iedereen pijn doen.9 Het doel is een economie die de schade aan de natuur zo beperkt mogelijk houdt, maar die ook in andere opzichten op waarde-creatie op lange termijn gericht is. Winst-maximalisatie, moeten we bedenken, is een recent verschijnsel. Superwinsten waren er vroeger om afgeroomd te worden.

Verder wordt het hoog tijd dat de sociaaldemocratie zich weer cultureel gaat roeren. Hoe marktwerking en commercialisering in te perken? Hoe de levenssferen en maatschappelijke activiteiten te beschermen die zich met geldelijk gewin sporen? Het gaat ook om waarden als toewijding en kwaliteit; om de wijze waarop rijkdom wordt besteed. En dan zijn we terug bij de ‘kwaliteit van het bestaan’ als centrale sociaal-democratische waarde. Bij ambachtelijkheid en duurzame arbeidsverhoudingen. Bij vrijwilligerswerk en de plaats van cultuur in ons leven. Bij de intrinsieke betekenis van de cultuur.

Of om de Britse wetenschappers Robert en Edward Skidelsky (econoom en filosoof, vader en zoon) te citeren: ‘The unending pursuit of wealth is madness.’10 Alleen maar rijkdom najagen is gekkenwerk. Het opent het zicht op een andere samenleving.

Ten slotte, maar niet in de laatste plaats: de Partij van de Arbeid zal, wil er van programmatisch en electoraal herstel sprake zijn, zichzelf opnieuw uit moeten vinden. Maar daartoe zal ze ook samenwerking moeten zoeken met verwante politieke partijen, maatschappelijke organisaties en bewegingen. Links is in Nederland niet sterk genoeg om zich blijvende verdeeldheid te kunnen veroorloven. Maar hoe zo’n samenwerking te bevorderen? Niet door partijbesturen in conclaaf te laten gaan of partijleiders samen op één podium te hijsen (zoals jaren geleden af en toe gebeurde). Veel beter is om, op basis van gezamenlijke uitgangspunten, het onderlinge debat te gaan voeren. Dat debat verdeelt niet maar bindt. Tegenspraak brengt ons verder. Zoals pluriformiteit in het algemeen een waarde is die links zou moeten koesteren.

Misschien worden we daar als sociaal- democraten, nu we landelijk kleiner dan GroenLinks en dan de SP zijn geworden, iets gevoeliger voor.

  • 1. Dit is een bewerking van de Spiekman-lezing, gehouden op 1 mei 1917 in Rotterdam.
  • 2. H. Tjeenk Willink, ‘De Raad in de Staat. Algemene Beschouwingen’, in: Jaarverslag Raad van State 2010, Den Haag, 2011.
  • 3. M. Chavannes, Niemand regeert. De privatisering van de Nederlandse politiek, Rotterdam, Uitgeverij NRC Boeken, 2009.
  • 4. Zie ook: P. Kalma, Makke schapen. Over volgzame burgers en vluchtige politiek, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2012; dez., ‘Uit de greep van het bestuur: politiek als bezielde strijd om het algemeen belang’. in: S. L. de Lange, M. Leyenaar en P. de Jong (red.), Politieke partijen: overbodig of nodig?, Den Haag, Raad voor het Openbaar Bestuur, 2014.
  • 5. M. Wolf, ‘More peril lies in wait for the eurozone’, in: Financial Times, 6 december 2016.
  • 6. ‘Arbeidsbeperkten de klos tijdens de crisis’, in: Trouw, 2 december 2016.
  • 7. ”Vrije markt eindigt in de ondergang”’, in: NRC Handelsblad, 29/30 oktober 2016.
  • 8. J. Luijten van Zanden, ‘Verzet tegen een koude wereld’, in: Trouw, 2 november 2016.
  • 9. ‘”Afbraak van de fossiele haven gaat razendsnel”’, in: NRC Handelsblad, 26 april 2017.
  • 10. R. en E. Skidelsky, How Much is Enough? Money and the Good Life, New York, 2012.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl