Vorige week besloot minister Bruins (VWS) het mes te zetten in de kortingen op premies van collectieve zorgverzekeringen. De legitimatie voor deze korting is dat een collectiviteit bestaat uit verzekerden met gelijksoortige kenmerken. Op basis hiervan zou een zorgverzekeraar gericht kunnen inkopen. Van het zo bespaarde geld mag maximaal 10% van de premie als korting aan de polishouders worden teruggegeven. In werkelijkheid is er vaak nauwelijks sprake van een specifieke groep verzekerden en al helemaal niet van een gerichte inkoop van zorg. Volgens de minister zijn de polissen exact gelijk aan de verzekeringen die zonder korting worden aangeboden. De korting wordt niet behaald uit inkoopvoordeel, maar uit een opslag die op de oorspronkelijke premie wordt gelegd. Daarmee is de korting een ‘sigaar uit eigen doos’, die vooral als marketinginstrument wordt gebruikt. De minister wil dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) scherper gaat toezien op de transparantie van zorgverzekeringen en verlaagt de maximale korting met ingang van 2020 van 10% naar 5%.

Het is een eerste stap, maar er is eigenlijk reden genoeg om meer in den brede naar het woud van verzekeringspolissen te kijken.

In het boek ‘Betaalbare zorg’1 reflecteert Stef Groenewoud op selectief contracteren en budgetpolissen. Budgetpolissen zijn goedkoper dan reguliere zorgverzekeringen, maar beperken de verzekerde in de keuze van zorgaanbieders. De verzekerde moet gebruik maken van het zorgaanbod dat door de verzekeraar gecontracteerd is. (Tenzij hij 25% van de rekening zelf betaalt.) Dit zou, vergelijkbaar met de collectieve zorgverzekeringen, leiden tot een scherpe inkoop van zorg van hoge kwaliteit tegen lagere kosten. Groenewoud vindt dat budgetpolissen om een aantal redenen niet binnen het keuzebereik van burgers zouden mogen liggen.

Op de eerste plaats is er het risico dat de verzekerde verkeerde keuzes maakt. Een aanzienlijk risico, volgens Groenewoud, omdat het buitengewoon onzeker is hoe iemands zorgbehoefte er in de toekomst uit zal zien. Het argument dat het basispakket ook voor houders van budgetpolissen al zo volledig is en de kwaliteit in alle Nederlandse ziekenhuizen zo hoog is dat er in de praktijk nauwelijks risico’s zijn, veegt hij van tafel. Ook in Nederland worden ziekenhuizen gecontracteerd die onder verscherpt toezicht staan. En worden zorgaanbieders waarvan de kwaliteit boven elke twijfel verheven is, soms niet gecontracteerd.

Het tweede argument van Groenewoud is zo mogelijk nog fundamenteler. “Als sommige polissen goedkoper worden doordat mensen zich dekking op bepaalde onderdelen ontzeggen en aan de zorg op die onderdelen dus ook niet langer willen meebetalen, worden de polissen voor andere mensen automatisch duurder. De rekening zal immers betaald moeten worden. Deze hogere kosten treffen naar verwachting vooral mensen met een hoge zorgbehoefte, omdat zij het zich niet kunnen veroorloven een goedkopere polis te kiezen.”2 Het lijkt me een sluitende redenering.

In het in december 2017 verschenen rapport ‘Visie op de toekomst van de Nederlandse zorgverzekeraars’ constateert De Nederlandsche Bank (DNB) dat zorgverzekeraars nauwelijks in staat zijn om met elkaar te concurreren; niet op kwaliteit en niet op de in belang afnemende aanvullende verzekeringen. Als we de redenering van Groenewoud volgen, zou het ook niet mogelijk moeten zijn om op prijs te concurreren. Niet alleen voor wat betreft de collectieve, maar ook voor wat betreft de reguliere zorgverzekeringen.

  • 1. Patrick Jeurissen, Hans Maarse, Marit Tanke: Betaalbare zorg, Den Haag, 2018.
  • 2. Ibid, p.379.