Met Nederland in therapie van Kiza Magendane is een boek met veel lagen. Het is het levensverhaal van een Congolese jongen die vluchteling werd en vervolgens Nederlands staatsburger. Maar het is ook een analytisch leerboek hoe samen te leven in een cultureel divers land. Een voorpublicatie.

Door: Kiza Magendane
Redacteur S&D, politicoloog, schrijver en kennismakelaar bij The Broker

Thuis is de plek waar ik adem. Dat is een overtuiging die ik vanaf mijn komst in Nederland met mij meedraag. Thuis is de plek waar ik adem. Het herhalen van die woorden hielp mij om te rechtvaardigen waarom ik het zo nodig vond zo snel mogelijk de Nederlandse taal te leren. Thuis is de plek waar ik adem. Ik herhaalde die zin, jaar in, jaar uit, om mijzelf wijs te maken dat ik in Nederland zowel letterlijk als figuurlijk mijn nieuwe huis kon bouwen. Thuis is de plek waar ik adem, antwoordde ik ook als men wilde weten waarom ik het zo nodig vond om in Nederland actief te worden. Thuis is de plek waar ik adem, herhaalde ik om mijzelf te verdedigen voor het feit dat ik veel meer over de Nederlandse dan de Congolese politiek afwist. Thuis is de plek waar ik adem, verklaarde ik toen men mij wijs probeerde te maken dat ik nooit een schrijver zou worden omdat Nederlands niet mijn moedertaal is. Thuis is de plek waar ik adem. Simpel, universeel.

Inmiddels weet ik dat nadenken over thuis complexer is en veel meer inhoudt dan die simpele overtuiging die ik als tiener hanteerde. Ik weet ook dat ik niet hoef te kiezen tussen de plek waar ik op het moment verblijf en de plek waar ik ben geboren. Thuis is immers veel meer dan een fysieke belevenis. Maar hoe complex het denken over thuis ook is, die simpele, universele overtuiging blijft resoneren. Want geografie bepaalt in grote mate de uitkomst van onze levens. De plekken en de kringen waarin we ons begeven, beïnvloeden mede ons gedrag en onze overtuiging.

Het beschouwen van Nederland, of elke andere samenleving, met woorden als ‘huis’, ‘thuis’ of ‘oikos’, is niet geheel onomstreden. Critici stellen dat wie een samenleving als een huis beschouwt, ook veronderstelt dat er algemene regels (normen en waarden) gelden die voor iedereen gelden. In realiteit is de samenleving veel complexer dan een huis, en bestaat die uit mensen die elkaar niet als familieleden zien. De Amsterdamse socioloog Jan Willem Duyvendak, de grote denker over ‘het huis’ en ‘het thuisgevoel’, neemt een prominente positie in dit debat. In zijn boeken The Politics of Home (2011) en Thuis. Het drama van een sentimentele samenleving (2017), en in andere wetenschappelijke en populaire publicaties hekelt hij de obsessie van Nederlandse politici en opiniemakers om de Nederlandse samenleving als een thuis te beschouwen, en de daarbij horende mythes (de aard van de Nederlander) als essentieel en absoluut te verklaren. De socioloog spreekt zelfs van ‘oikomania’, het tegenovergestelde van ‘oikofobie’.

Het laatste woord is gemunt door de Britse filosoof Roger Scruton en in Nederland gepopulariseerd door politicus en publicist Thierry Baudet. Hij schreef een columnbundel met Oikofobie als titel, een begrip dat hij eerder in een afscheidscolumn voor NRC omschreef als een ‘ziekelijke afkeer van de geborgenheid van ons thuis; van de eigen gewoonten en gebruiken; van de natie’. Hiertegenover stelt Duyvendak dat Nederland juist aan ‘oikomania’ lijdt: een obsessie voor thuis. ‘Het publieke en politieke debat ging en gaat bijna voortdurend over het gebrekkige thuisgevoel in Nederland en wat daaraan te doen is,’ schrijft hij in een artikel voor de Waterlandstichting.

Dat ik Nederland als een huis beschouw, komt niet doordat ik aan oikomania lijd. Tegelijkertijd voel ik ook niets voor de andere pathologische benadering van Nederland, dat met het begrip ‘oikofobie’ kan worden samengevat. Het beschouwen van Nederland als een huis past daarentegen bij een denktraditie die de wereld als een dorp ziet. Een dorp waarin woningen door ‘ultrakrachten’ in beweging worden gebracht. In Exister, résister. Ce qui dépend de nous (2017) stelt de Belgische filosoof Pascal Chabot deze ultrakrachten voor als een wervelwind die met volle kracht onze standplaats (de natiestaat) opschudt.

Daarmee past zijn analyse bij hedendaagse transitiedenkers, die stellen dat wij in ‘elastische’ en ‘vloeibare’ tijden leven. Door ultrakrachten als globalisering, transnationalisering en multiculturalisering wordt de positie van de natiestaat van alle kanten opgeschud. Dit geldt ook voor Nederland, dat als huis een onderdeel vormt van het mondiale dorp. De bewoners van het huis Nederland verhouden zich niet alleen tot elkaar, maar ook tot de ontwikkelingen in de buitenwereld en de tijdgeest. Als de fundamenten – de muren, het raam en de deur – van het huis niet stevig genoeg zijn, is de kans vrij groot dat het door de wervelwind in opschudding wordt gebracht, of erger, wordt vernietigd.

Daarom is het van cruciaal belang dat Nederland aan zijn fundamenten blijft werken. Maar op welke fundamenten is de Nederlandse samenleving gestoeld? Zijn ze bestendig tegen de tijdgeest en veranderende en complexe samenstelling van de Nederlandse bevolking? Wat ook de antwoorden op die vragen mogen zijn, de geschiedenis leert dat het altijd de dominante groep in de samenleving is die het laatste woord heeft. De dominante groep bepaalt welke taal er wordt gesproken (letterlijk en figuurlijk); welke herinneringen worden bewaard (in een Rijksmuseum), onderwezen of juist vergeten. De dominante groep bepaalt ook de geldende normen en waarden in de publieke ruimte. Uiteraard bepaalt de dominante groep ook wat wij als media op de radio, televisie en in de krant consumeren.

Naast het feit dat dominante groepen altijd hun stempel drukken op de invulling van een collectieve identiteit, leert de geschiedenis ons ook dat de poging van minderheidsgroepen om binnen de samenleving waarin ze verkeren te emanciperen, constant aanwezig is. De jaren zestig van de vorige eeuw hebben bijvoorbeeld een belangrijke basis gelegd voor een grote omwenteling in de Nederlandse sociale orde – onder meer door de studenten- en vrouwenbeweging. Nederland ondergaat sindsdien een proces van ontzuiling en individualisering, met een sterk seculier karakter. Daarnaast heeft een proces van vrouwenemancipatie zich in gang gezet, al is die nog onvoltooid en dus nog in beweging. Hetzelfde geldt voor de lhbti-emancipatie.

Het tweede decennium van deze eeuw werd gekenmerkt door een nieuwe emancipatiestrijd, geleid door kinderen en kleinkinderen van de zogenaamde nieuwkomers, veelal jonge biculturele Nederlanders die stellen dat ze inspraak willen in de inrichting van de publieke ruimte. Ze eisen dat Nederland ook van hen is. Anders dan getolereerd te worden, willen ze geaccepteerd worden. Ze willen zich in het Nederlandse huis thuis kunnen voelen, en dus bijvoorbeeld niet geconfronteerd worden met een Zwarte Piet die een karikatuur van hun huidskleur maakt. Ze willen niet als gast gezien worden, maar als volwaardige Nederlander. Niet alleen op papier, maar ook in de praktijk.

Kortom, ook anno nu blijft de status quo, de manier waarop de publieke ruimte is ingericht, een punt van discussie. Kortom, de politiek van erkenning, het idee dat de grieven en emoties van minderheidsgroepen erkend dienen te worden in de publieke ruimte, neemt een prominente rol in. Om bestendig te zijn tegen de uitdagingen van de tijdgeest is het de vraag of de bewoners van het huis Nederland erin zullen slagen de wil voor een gezamenlijke toekomst te ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met de positie van minderheidsgroepen.

Om een antwoord op deze vraag te formuleren en welbehagen in Nederland te creëren, dien je een balans te vinden tussen twee dimensies: de private en de publieke dimensie. De private dimensie, in deze tekst ‘binnenkamers’ genoemd, is een plek van de habitus. Hier worden bewoners van het huis Nederland in een natuurlijke setting gevormd. Het is een plek van de (kleine) sociale culturele kring, waar je normen en waarden meekrijgt en het gedrag aanleert dat volgens de groep van de betreffende binnenkamer wenselijk is. In de publieke dimensie, ook wel ‘publieke ruimte’ genoemd, komen mensen uit verschillende binnenkamers bij elkaar. Dit gaat niet zonder slag of stoot.

De binnenkamer
De binnenkamer is een plek waar ons gedrag en het savoir-faire worden gevormd. Ze bestaat uit de familiekring, school, vriendenkring en andere kleine gemeenschappen en sociale netwerken waar opvoeding en vorming plaatsvinden. Het is een plek zonder pretentie waar we ons bestaan niet hoeven te verantwoorden; waar we elkaar onvoorwaardelijk lief mogen hebben en van onze fouten mogen leren.

Onze identiteit ontstaat door een afspiegeling – en hoe meer tijd je met iemand doorbrengt, hoe groter de kans is dat je elkaars eigenschappen gaat overnemen, waardoor de onderlinge verschillen vervagen. Je kunt zoals ik op een ander continent zijn geboren en een uiterlijk hebben dat niet overeenkomt met dat van de gemiddelde bewoner van Nederland, toch is de kans vrij groot dat je vergelijkbaar gedrag vertoont, als je maar genoeg tijd met de Nederlander in de binnenkamer doorbrengt.

In mijn lange reis van vluchteling naar burger heb ik de kans gehad om de Nederlander in de binnenkamer te leren kennen. Ik deelde maaltijden, ging naar uitvaarten en vierde huwelijken en geboorten met de Nederlander. In november trok ik lootjes en in december vierde ik pakjesavond. Ik kampeerde, flirtte, danste en voerde tot diep in de nacht kroeggesprekken met de Nederlander. Daar waar de buitenwereld niets te zoeken had, heb ik de Nederlander in zijn natuurlijke setting leren kennen. En, zonder dat ik het doorhad, ben ik misschien zelf zo’n Nederlander geworden. Want dat is wat er gebeurt – in de binnenkamer verdwijnen, jezelf verliezen om onderdeel te worden van een groter geheel.

Het zit mij nooit lekker als mensen in gesprekken over ‘Nederlanders’ hun goedkope en simpele generalisaties aanrekenen. Als men bijvoorbeeld zegt dat Nederlanders koud en kil zouden zijn, dan beeld ik mij in dat ze het over mijn vriend Chris hebben, die allerminst koud of kil is. Bij hem thuis heb ik voor het eerst in mijn leven gegourmet. Regelmatig ging ik bij hem langs om een biertje te drinken, Ajax-wedstrijden te volgen en naar de flauwe analyses van Voetbal International te kijken. Ik mocht als nieuwkomer in zijn binnenkamers komen. Een van mijn meest memorabele momenten in de veertien jaar dat ik in Nederland woon, is de viering van oud en nieuw in Düsseldorf met Chris. Met vrienden als Chris deel ik privémomenten waar de buitenwereld niets mee te maken had.

De zuiverste vorm van het Nederlanderschap voor nieuwkomers wordt in eerste instantie via vriendschap gevormd. Daar horen ongeschreven codes en afspraken bij, bijvoorbeeld over wie het rondje betaalt. Zo is het een ongeschreven regel in Nederlandse vriendenkringen dat iedereen één keer een rondje betaalt. Toch betaalde een vriend tijdens mijn studententijd altijd veel meer rondjes dan ik. Met de kennis van nu weet ik dat hij rekening hield met mijn financiële situatie – dat is ook een ongeschreven regel. Nu ik een baan heb, sturen we elkaar tikkies na afloop van de ontmoeting. Dat is wat er binnenskamers gebeurt – rekening houden met elkaars zwaktes terwijl je elkaar sterk maakt. Dus niet iemand de hele rekening laten betalen terwijl je samen hebt gedronken. Maar ook wel de rekening betalen omdat je het beter hebt en het gedeelde moment met de ander waardeert.

Naast vriendenkringen worden uiteraard via liefdesrelaties ongeschreven regels over Nederland overgedragen aan de nieuwkomer, ‘de Ander’. ‘De Ander’ die onderdeel van een ‘wij’ wordt, onderdeel van de binnenkamer. Met een Nederlander trouwen wordt dan ook gezien als een van de meeste effectieve methodes om nieuwkomers te laten integreren. Ik wilde niet voor niets vroeger, gekscherend, een televisieprogramma beginnen met als titel: Asielzoeker Zoekt Vrouw. Daarmee zou ik twee vliegen in één klap slaan: het tekort aan goede mannen op de liefdesmarkt en het integratievraagstuk.

De binnenkamer staat dus voor een private dimensie, de microrelaties en -gemeenschappen die de zogenaamde habitus vormen, een plek waar de Nederlander wordt gevormd. Maar het is ook een plek die uitsluit: alleen mensen die tot het gezelschap behoren en die de (vaak ongeschreven) codes beheersen, worden immers als onderdeel van de binnenkamers erkend. Als je niet bij het gezin of het gezelschap hoort, doe je niet mee aan lootjes trekken en pakjesavond.

De Nederlandse binnenkamer is dan ook de meest intieme ruimte voor de bewoners van het huis Nederland. Binnen deze ruimte worden geboorten, trouwerijen, een diploma en andere mijlpalen gevierd. Tegelijkertijd worden ziektes, verlies en andere vormen van pijn met elkaar gedeeld. De binnenkamer is de plek waar de Nederlander geen masker hoeft te dragen. In de binnenkamer val je in de armen van een geliefde, bij wie je na een lange werkdag in tranen mag uitbarsten. Het is een bank waarop je tijdens pakjesavond zit, de surprises opent en de komische doch pijnlijke gedichten van de Sint aanhoort of voorleest. Het is ook de tafel waar je na een lange dag vasten de iftar samen met familie, vrienden en geliefden nuttigt. De binnenkamer is een plek waar je ‘jezelf ’ mag zijn.

De publieke ruimte
Nederlanders zijn niet alleen lid van de binnenkamer, ze bewegen zich ook in de publieke ruimte, waar ze in aanraking komen met mensen uit andere binnenkamers. Zie Nederland als een appartementencomplex waar de bewoners hun eigen studio hebben (de binnenkamer), maar daarnaast ook een publieke ruimte delen. Deze ruimte bestaat uit onder meer de gangen, de kantine (lobby) en de binnentuin. De bewoners van het huis Nederland kunnen zich dan wel terugtrekken in hun eigen binnenkamer, maar de gehele gemeenschap gaat erop achteruit als de publieke ruimte niet wordt onderhouden. Zo moeten de gangen en de kantine van een woongemeenschap op regelmatige basis schoon worden gemaakt om troep en stank in het hele appartementencomplex te voorkomen.

De publieke ruimte is dus de plek waar Nederlanders elkaar treffen om gezamenlijke afspraken te maken. Hier komen verschillende normen en waarden bij elkaar, wat soms tot botsingen leidt. Omdat Nederland een zogeheten multiculturele samenleving is, komen in de publieke ruimte individuen bij elkaar die in hun private ruimte verschillende culturele vormingen hebben genoten. Daarnaast bepalen factoren zoals klasse, woonplaats en beroep ook hoe individuen en groepen zich tot de publieke ruimte verhouden en hoe zij zich daarbinnen bewegen.

Een gemeenschap bestaat uit mensen die zich bewust zijn van elkaars verschillen en deze verschillen op z’n minst tolereren, accepteren of respecteren. Bij een gebrek aan ten minste één van deze drie elementen kom je uit bij een natuurtoestand – chaos en oorlogen. Om geborgenheid en harmonie in het huis Nederland te realiseren, moet de publieke ruimte zodanig worden ingericht dat alle bewoners zich welkom voelen. Met andere woorden, de vorming in de Nederlandse private ruimte mag niet ten koste gaan van de gedeelde normen en waarden in de publieke ruimte. Want dominantie van een (machtige) groep leidt ertoe dat gemarginaliseerde groepen naar de hoeken van het huis worden weggeduwd, of nog erger, verbaal worden weggejaagd. Stel je niet aan. Rot op naar je eigen land. Doe normaal of ga weg.

De casus Veronica Inside is een goede illustratie van deze exclusieve invulling van de publieke ruimte. In november 2018 schreven twee voetbalfans een brief naar de KNVB over de homo-onvriendelijke sfeer in voetbalstadions. In plaats van empathie te tonen met de twee jonge mannen besloot Johan Derksen in zijn voetbalprogramma ze juist aan te vallen. ‘Homo’s moeten ophouden met doen alsof het zo moeilijk is om uit de kast te komen,’ stelde Derksen. Een opmerking die de duimpjes omhoog zou doen steken in obscure Facebookgroepen en op instemmende geluiden zou rekenen in een voetbalkroeg in Midden-Drenthe, maar die zeker onverenigbaar is met de fatsoensnormen binnen de publieke ruimte. Want de publieke ruimte, zoals het voetbalstadion, maar ook een populaire tv-zender, bestaat bij de gratie van een inclusieve taal. Het wordt ‘publiek’ genoemd omdat het niet exclusief is voor mensen die Johan heten, een snor dragen en een fallus hebben.

Daarom noemde Hugo de Jonge (minister namens het CDA van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en vicepremier) Derksens opmerking ‘lomp’. Ook gewone burgers waren ontsteld. De hashtag #SorryJohan, waarmee persoonlijke verhalen over alledaagse homofobie in beeld werden gebracht, werd trending topic op Twitter. Later zou Derksen erkennen dat hij als hetero makkelijk praten heeft. Toch ging hij verder in de aanval door te stellen dat de gedeelde verhalen op Twitter ‘huilverhalen’ zijn. Zijn verdediging? ‘Het is voetbalkantinehumor die niet kwaadaardig bedoeld is. Daar moeten homo’s tegen kunnen.’ De Jonges collega-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Ingrid van Engelshoven (D66), die zijn opmerking ‘pijnlijk’ vond en hem uitnodigde voor een gesprek, noemde Derksen een ‘hittepetit’.

Twee jaar later zou Derksen weer in opspraak raken omdat hij racisme in Nederland bagatelliseerde en rapper Akwasi met Zwarte Piet vergeleek. Als gevolg van de verontwaardiging die daarop volgde, verloor het voetbalprogramma tijdelijk een paar adverteerders en dreigde het van de buis te verdwijnen. Maar wederom hield Derksen voet bij stuk. Een flauw grapje moest kunnen, minderheidsgroepen moesten niet zo overgevoelig doen.

Het is een patroon, seksistische, homofobe, racistische en transfobe grappen en moppen passeren regelmatig de revue aan de tafel van de voetbalcommentatoren (Johan Derksen en zijn collega’s). De succesformule van het voetbalprogramma is dat de heren voetbalkennis hebben én de taal van de voetbalkroeg hanteren. Het enige probleem is dat de voetbalkroeg een specifieke cultuur in Nederland vertegenwoordigt die niet per se verenigbaar is met de wenselijke normen in de publieke ruimte. Onder het mom van ‘voetbalkantinehumor’ worden gemarginaliseerde groepen door Veronica Inside op de hak genomen. Dit correspondeert op geen enkele manier met de gedachte dat de publieke ruimte inclusief moet zijn. Een plek waar iedereen zich thuis en veilig moet voelen, ongeacht etnische achtergrond, leeftijd, seksuele voorkeur, klasse en geslacht. Om deze publieke ruimte zo inclusief mogelijk te maken is het dus onwenselijk dat de taal en de humor van de voetbalkantine de overhand nemen.

Omdat de Nederlandse publieke ruimte Nederlanders uit verschillende binnenkamers met elkaar verenigt, is het vrij logisch dat het door botsende perspectieven wordt gekenmerkt. Zo heb je een groep Nederlanders die ervoor kiest verschijnselen als seksisme, racisme en homofobie in Nederland ter discussie te stellen. Ze eisen ook dat de dominante cultuur rekening houdt met hun beleving. Daartegenover is er een andere groep die stelt dat minderheden zich dienen aan te passen, en niet zoveel moeten zeuren over hoe het huis Nederland is ingericht. Wees niet zo overgevoelig. Anders ga je toch lekker weg? Kortom, de publieke ruimte is een plek waar de voetbalkantinehumor in botsing komt met mensen die daar aanstoot aan nemen; en waar (religieuze en culturele) minderheden geconfronteerd worden met het feit dat de meerderheid niet per se rekening houdt met hun praktijken.

Denk maar aan de zomer van 2017, toen ophef ontstond naar aanleiding van een rechter die een islamitische moeder die de school van haar kind had aangeklaagd in het gelijk had gesteld. De Haagse Maria Montessorischool had besloten een schoolfotograaf een klassenfoto te laten maken uitgerekend op de dag dat islamitische kinderen vrij waren in verband met het Offerfeest. De advocaat van de moeder zag dit als discriminatie. De rechtbank in Den Haag besloot dat de moeder uiteindelijk € 500 schadevergoeding van de school zou krijgen. Uit de ontstane consternatie rondom deze zaak bleek dat sommige Nederlanders van mening zijn dat etnische en religieuze minderheden zich aan de dominante normen moeten aanpassen en niet andersom. Er werd vanuit radicaalrechtse kringen gesteld dat Nederland ‘verislamiseert’.

Een jaar na deze affaire bracht een ander islamitisch feest de voltallige Nederlandse ministerraad in verlegenheid. Jaïr Ferwerda ging voor het televisieprogramma Jinek langs bij de ministers met de vraag: ‘Welke feestdag is het eigenlijk vandaag?’ Geen enkele minister wist dat het op die dag Suikerfeest was, een belangrijke dag voor vijf procent van de Nederlandse bevolking die het islamitische geloof aanhangt.

Beide affaires laten zien dat de publieke ruimte niet altijd rekening houdt met de specifieke praktijken die sommige Nederlanders in hun binnenkamers eropna houden. Een groeiende stem stelt dat het roer om moet. Er moet meer aandacht komen voor het slavernijverleden in het curriculum, en de Nederlandse overheid moet zich actiever inspannen om de inclusie van minderheidsgroepen zowel in de publieke als private sector te bevorderen. Ook stelt dezelfde groeiende stem dat de manier waarop Nederland zijn oorlogsverleden herdenkt, inclusiever moet. Zo moest de hashtag #Geen4MeiVoorMij aandacht vragen voor het feit dat de nationale herdenking op 4 mei een eurocentrisch karakter heeft en met een ‘witte blik’ wordt ingevuld. De slachtoffers van de Nederlandse koloniën, niet-witte soldaten die voor Nederland hebben gevochten, worden bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten.

Je kunt je terecht afvragen waarom de meerderheid zich moet aanpassen omdat een kleine groep zich niet herkent in de manier waarop er invulling wordt gegeven aan een collectieve herdenkingscultuur. Toch is het niet vreemd dat je te maken krijgt met mensen die weliswaar deel uitmaken van de natie maar zich niet herkennen in de manier waarop de publieke ruimte wordt ingevuld wanneer je het hebt over een ‘nationale’ dodenherdenking of historische canon. Dat lijkt op het eerste oog inderdaad overdreven. Want een kleine minderheid in de publieke ruimte zou de meerderheid een eigen feestje of herdenkingsmoment moeten gunnen. Maar het probleem is dat mensen geen robots zijn. Daarom draait de slag om Nederlanderschap niet om de juridische maar om de emotionele invulling van burgerschap.

In de publieke ruimte draait de strijd om Nederlanderschap om erkenning, de vraag of alle Nederlanders en de sociale groepen zich kunnen herkennen in de manier waarop er invulling wordt gegeven aan een ‘nationale’ belevenis. Naast erkenning willen minderheidsgroepen ook respect, en eisen ze dat hun identiteit of sociale groepen niet genegeerd of geridiculiseerd worden bij de invulling van een collectieve identiteit. Dus stellen ze de Nederlandse herdenkingscultuur ter discussie, en daarmee de nationale canon, waardoor bijvoorbeeld zoiets als Zwarte Piet radicaal bevraagd wordt. Dus moeten standbeelden van omstreden historische helden verdwijnen, straatnamen inclusiever en de ministerraad en talkshowtafels ‘diverser’.

Kortom – als Nederland een multiculturele samenleving is, dan is het niet verwonderlijk dat minderheidsgroepen zich willen herkennen in de manier waarop de publieke ruimte wordt ingevuld. En dat gaat er soms heftig aan toe. Heilige huisjes moeten worden gesloopt, feestjes moeten worden verstoord – alles kan en moet veranderen, stellen minderheden.

Toch blijft het van cruciaal belang dat de dominante regels in de publieke ruimte niet de overhand nemen in de private kringen. Want, wat heb je nog aan een privéruimte als je een deel van jezelf volledig moet inleveren? Wat onderscheidt jou dan nog van de rest van de bewoners? Het erkennen van verschillen vormt de basis voor een politieke gemeenschap. Totalitaire samenlevingen vormen een uitzondering op deze regel door de overdominantie van de staat als norm te stellen. Zulke regimes vinden het gerechtvaardigd zelfs het privéleven van hun bewoners volledig te controleren en naar hun hand te zetten. Maar er is een reden waarom totalitaire regimes vaak van korte duur zijn – ze hebben namelijk geen gezonde binnenkamers.

Zowel de tirannie van de minderheid als die van de meerderheid vormt een bedreiging voor een harmonieuze samenleving, waar bewoners zich bewust zijn van hun verschillen en op basis daarvan elkaar minstens respecteren, tolereren en accepteren. Wie de slag om Nederlanderschap wil begrijpen, dient goed te kijken naar de verhouding tussen de Nederlandse binnenkamers en de publieke ruimte. Opdat mensen hun safe spaces kunnen hebben, maar tegelijkertijd rekening houden met anderen. Deze balans maakt samenleven onder dezelfde Nederlandse vlag mogelijk.

Terug naar de prangende vraag: op welk fundament is het huis Nederland gebouwd? Hoe goed is het bestand tegen superkrachten die het heen en weer schudden? Het antwoord schuilt in twee woorden die de bovenstaande analyse samenvatten: afspraken en verhalen. Oftewel, de grondwet en het geweten. Door elkaar nieuwe verhalen te vertellen over wie we zijn (waar we vandaan komen, waar we staan en waar we naartoe gaan), zorgen wij ervoor dat wij als collectief, voorbij onze onderlinge verschillen, een gezamenlijke identiteit ontwikkelen. Een identiteit die ons eigen maakt en onderscheidt van de buren om ons heen. Deze nieuwe mythes bepalen hoe wij met elkaar omgaan in de publieke ruimte, hoe wij elkaar accepteren, tolereren en respecteren.

Maar aan verhalen heb je niet genoeg om een samenleving te laten slagen. Daarom hebben wij de grondwet en formele politieke instituties nodig. Verhalen moeten ervoor zorgen dat wij een gezamenlijke identiteit ontwikkelen, terwijl de grondwet en politieke instituties ervoor zorgen dat wij ons aan de gemaakte afspraken houden. Kortom, om ervoor te zorgen dat Nederland zich staande houdt in een veranderende wereld moeten die twee elementen aanwezig zijn – anders valt het huis uiteen. Hetzelfde geldt voor mijn poging een Nederlander te worden. Naast de papieren werkelijkheid moet ik leren mijzelf te verhouden tot dominante normen en waarden, mythes en verhalen.

Dit is een voorpublicatie uit: Kiza Magendane (2021). Met Nederland in therapie, hoofdstuk 6.

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

S&D bestaat sinds 1939, verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Een online abonnement kost € 2 per maand. U kunt zelf een account hiervoor aanmaken onder mijn S&D, of stuur een e-mail naar send@wbs.nl.

Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2020)

Inzenden kopij

De redactie van S&D verwelkomt kopij. Artikelen kunnen worden gemaild naar send@wbs.nl. Artikelen aanleveren in Word, bronvermelding in eindnoten (apa). Richtlijn aantal woorden: 2500-3000. Idealiter vormen artikelen in S&D een mix van wetenschap, politiek en essay. De redactie van S&D beslist over plaatsing van binnengekomen kopij. Ze beoordeelt daarbij op basis van de volgende criteria:
- een heldere opbouw en schrijfstijl (geen jargon) en duidelijke vraagstelling
- een goede onderbouwing van standpunten met argumenten, weging van de tegenargumenten en bronvermelding
- vernieuwing van de gedachtevorming binnen de sociaal-democratie
- toegevoegde waarde t.o.v. bestaande inzichten/onderzoeken
- politieke relevantie

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Wiljan Linders [eindredactie], Marijke Linthorst, Kiza Magendane, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Bram van Welie

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl