In de blog van 4 september schreef ik over de ‘mismatch’ tussen het aantal basisartsen en het aantal beschikbare opleidingsplaatsen. Er zouden zich méér artsen willen specialiseren dan dat er plaatsen beschikbaar zijn. En deze mismatch zal de komende jaren groeien: het aantal opleidingsplaatsen is gedaald van 1446 in 2011 naar 1228 in 2017. Voor 2018 wordt een daling verwacht tot 1175.

Nu is het altijd moeilijk om te voorspellen waar in de toekomst behoefte aan zal zijn en dat geldt zeker voor specialisten: de opleiding vergt al gauw zes tot zeven jaar. Je moet dus een inschatting maken waar over zeven jaar behoefte aan zal zijn.

Een aantal ontwikkelingen is te voorzien. Zo nemen gespecialiseerde verpleegkundigen steeds meer taken over van specialisten, neemt de verpleegduur in ziekenhuizen af, worden sommige persoonlijke contacten vervangen door e-health en wordt zorg in toenemende mate verplaatst van de 2e naar de 1e lijn (van klinieken naar zorgaanbieders als huisartsen en diëtisten). Dat lijkt te wijzen op een afnemende behoefte aan specialisten.

Een ontwikkeling op een ander terrein zou eveneens in deze richting kunnen wijzen: de toenemende administratieve lasten zijn steeds meer partijen een doorn in het oog. Dat geldt niet alleen voor zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars en de nieuwe minister van Zorg. Uit een gezamenlijk onderzoek van Het Roer Moet Om en de VvAA naar regeldruk blijkt dat 40% van de tijd in de zorg wordt besteed aan administratie. Een afzonderlijk onderzoek van de Federatie van Medisch Specialisten komt tot hetzelfde resultaat. Ook specialisten zijn 40% van hun werktijd kwijt aan administratie. Vermindering van de regeldruk zou dus tot méér tijd voor zorg (en daarmee minder benodigde specialisten) kunnen leiden. De constatering is niet nieuw, maar het lijkt er ditmaal op dat er ook daadwerkelijk actie ondernomen gaat worden.

De presentatie van de onderzoeksresultaten op 18 november jl. ging gepaard met een ‘schrapsessie’ (het schrappen van regels, richtlijnen en protocollen) onder het motto: ‘Vertrouw elkaar, schrappen maar’. Minister Bruins (Medische Zorg) juichte dit toe en hoopt op een eerste tussenstand aan mogelijkheden in maart volgend jaar.

Maar er zijn ook ontwikkelingen die juist een andere kant op wijzen. Het is natuurlijk mooi als complexe zorgtaken kunnen worden overgedragen aan gespecialiseerde verpleegkundigen, maar dan moeten die er wel zijn. En dat is niet het geval. Er is een groot tekort aan verpleegkundigen, zowel ‘gewone’ als gespecialiseerde. Veel ziekenhuizen, maar ook ambulancediensten en verpleeghuizen, slagen er niet in hun vacatures te vervullen. Hierdoor neemt de druk op de rest van het personeel toe. Soms zien ziekenhuizen zich zelfs gedwongen om patiënten te weigeren en afdelingen te sluiten. De Volkskrant rapporteerde op 4 november jl. over de werkdruk in het Amsterdamse OLVG. De teamleider oncologie: ”Tot anderhalf jaar geleden hadden we nooit een beddenstop. Nu hebben we dat heel vaak: wekelijks. We moeten dus zieke mensen weigeren.”

Daarnaast hebben sommige ontwikkelingen effecten die ingaan tegen het effect van andere ontwikkelingen. De kortere verpleegduur heeft geleid tot minder bedden, maar de bezettingsgraad van bedden per afdeling is niet afgenomen. Eenvoudig gezegd: per afdeling liggen er nog net zoveel patiënten als tien tot vijftien jaar geleden. Alleen zijn deze veel zieker dan de gemiddelde patiënt van vroeger en hebben zij dus ook meer verzorging en behandeling nodig.

En tenslotte zijn er externe ontwikkelingen. Zoals het feit dat een toenemend aantal specialisten (in opleiding) in deeltijd werkt, meestal 80%. Dat zullen de meesten na het voltooien van hun opleiding blijven doen. Als specialisten een dienstverband van 80% aangaan, heb je meer specialisten nodig. Dat plaatst het terugbrengen van het aantal opleidingsplaatsen in een iets ander daglicht. Mijn verbazing werd nog groter toen ik hoorde dat het aantal opleidingsplaatsen niet in fte’s, maar in plekken wordt berekend. Of een plaats voor 100% wordt ingevuld of voor 80% maakt niet uit voor het aantal plaatsen. Als we aannemen dat van de 1175 plekken die er in 2018 beschikbaar zijn, er 700 in deeltijd worden ingevuld, dan hebben we het in feite niet over een bezetting van 1175, maar van 1035. Zouden alle opleidingsplaatsen voor 80% worden bezet dan gaat het zelfs om een bezetting van 940.

Specialisten in opleiding volgen niet alleen een opleiding, zij verlenen ook zorg. Meestal hebben zij een arbeidscontract van 38 uur plus 10 uur opleiding. De keuze die nu gemaakt wordt is dat het werk eenvoudig over minder mensen verdeeld wordt. Zij moeten harder werken. De specialisten die de opleiding in deeltijd volgen, doen daar langer over en blijven dus ook langer tijdens hun opleiding werkzaam. Na een jaar of zes wordt het tekort dan ingelopen. Maar intussen wordt er roofbouw gepleegd. Je zou ook een andere keuze kunnen maken en het aantal beschikbare plaatsen omrekenen naar fte’s. In het onderwijs, waar ook veel in deeltijd wordt gewerkt, is dat de gewoonste zaak van de wereld.

> Lees de eerdere blogs die Marijke Linthorst schreef over de zorg
> Volg Marijke Linthorst op haar zoektocht langs huisartsen, specialisten, zorgverzekeraars en bestuurders van ziekenhuizen en ontvang iedere week haar blogs via e-mail.