De PvdA zit in zwaar weer. De verkiezingsnederlagen van de afgelopen jaren dreunen nog door. Toch hoeft dit niet te betekenen dat de sociaal-democratie geen toekomst heeft. Die toekomst ligt in een combinatie van vrees en hoop.
Eerst de vrees.
Nu is het honderd jaar later en we bestaan nog steeds. Optimisme krijgt echter weinig kans bij lezing van het erudiete boek van de Duitse historicus (met een Nederlandse moeder) Philipp Blom dat eveneens vorig najaar uitkwam, met als titel: Wat op het spel staat.
Nu is Philipp Blom Oswald Spengler niet, maar hier komen zij toch dicht bij elkaar, al ligt er honderd jaar tussen. Beiden hebben bovendien gemeen dat zij forse kanttekeningen zetten bij het vooruitgangsgeloof van de Verlichting. Het verlichtingsdenken, gebaseerd op de rede, heeft velen geëmancipeerd, maar deze liberale droom is in de loop van de tijd ‘gecompromitteerd’, zoals Blom zegt.
Kritiek op de Verlichting is natuurlijk niet nieuw. Het begon met de Romantiek en heeft later ook andere vormen aangenomen. Blom noemt er vele. Natuurlijk, het verlichtingsdenken heeft ook de democratische rechtsstaat opgeleverd en dat is een grote verworvenheid, maar het lag tegelijk aan de basis van een ‘verabsoluteerd’ marktdenken dat rijkdom concentreert in de handen van zeer weinigen en de natuur uitput.
Voor de sociaal-democratie, net als het liberalisme een kind van de Verlichting, zijn dergelijke sombere analyses natuurlijk niet hoopgevend.
Gelukkig was daar dan een nieuw boek over de PvdA! Van de journalist Wilco Boom, dat vlak voor Kerst 2017 werd gepubliceerd. Het bevat negentien interviews met sociaaldemocraten. Boeiend genoeg, maar het boek heet niets voor niets De neergang van de PvdA, ook al luidt de ondertitel: Prominente sociaaldemocraten over de crisis en de weg omhoog.
Zijn anekdotisch verhaal past in een trend, niet alleen in Nederland. Het wemelt van publicaties waarin de electorale achteruitgang van de sociaal-democratie wordt verbonden met het gevoel bij grote delen van de klassieke achterban dat zij in de steek gelaten zijn door de sociaal-democratie. Ook recente academische studies getuigen daarvan. Why the Left Loses is de titel van zo’n recente studie.
De huidige studies wijzen op iets anders. Demografische en maatschappelijk ontwikkelingen hebben de sociaal-democratie in een lastige positie gebracht. Volgens nogal wat publicaties zou zij onmogelijk nog tegelijk de belangen van de arbeidersklasse en die van de middenklasse kunnen behartigen. De sociaaldemocratie houdt die spagaat niet langer vol. En daar loopt de opkomende etnische scheidslijn nog eens dwars doorheen. Tegelijk is zij in de periode van de Derde Weg te veel meegegaan met liberale zelfontplooiingsidealen van de hogere middenklasse, waardoor ‘Tante Truus drie hoog achter’ zich niet meer herkende in de sociaal-democratie. De ‘moderniseringsverliezers’ voelden zich in de steek gelaten.
Het lijkt wel of de sociaal-democratie nu haar ‘1672-moment’ beleeft. Volgens vele commentaren is zij als beweging reddeloos, is haar leiding radeloos, die haar achterban vaak weer redeloos vindt. En toch gloort er hoop! Maar alvorens daarop in te gaan, eerst een kleine excursie terug in de tijd.
Historische lessen
We schrijven de tweede helft van de negentiende eeuw. Dankzij technologische vooruitgang vindt de Industriële Revolutie plaats, maar deze brengt ook diepe sociale ellende. De liberaal Thorbecke nam dat probleem waar, maar zag geen oplossing. Hij omarmde de vooruitgang, vernieuwde met zijn grondwet van 1848 het Nederlandse politieke bestel op een beslissende manier, maar stond met lege handen tegenover de dissonant van wat de ‘sociale kwestie’ is gaan heten. ‘Wie vindt den toon waarin deze dissonant zich oplost?’ vroeg hij zich enigszins vertwijfeld af.
Diepe sociale ellende leidde tot massale lethargie en drankgebruik. Het leek onafwendbaar. Natuurlijk: er werden pogingen ondernomen om het drankmisbruik tegen te gaan en om via de charitas het leed van de ergste armoede te verzachten. Maar de structurele technologische en economische ontwikkelingen werden als onvermijdelijk gezien, net als hun consequenties. Religieuze organisaties zagen er Gods hand in; fabrikanten zeiden dat zij door internationale concurrentie niet anders konden dan arbeiders lage lonen te betalen. Hogere lonen zouden tot faillissement leiden en dan zouden de arbeiders helemaal geen werk hebben.
Ook het vroege socialisme, hoe antikapitalistisch ook, leek zich lange tijd neer te leggen bij het onvermijdelijke. Het beriep zich daarbij op Karl Marx, die in hetzelfde jaar dat Thorbecke zijn grondwet opstelde in Europa een spook zag ronddolen: het spook van het communisme. Het lot van de arbeiders zou beter worden, maar pas nadat het kapitalisme door voortdurende kapitaalaccumulatie zijn eindstadium had bereikt, de rijkdom in handen van een kleine groep superrijken zou zijn gekomen, de middengroepen onvermijdelijk zouden zijn geproletariseerd, en de steeds grotere massa van proletariërs niets meer te verliezen zou hebben dan haar ketenen.
Tegen dit determinisme in het denken kwam aan eind negentiende eeuw verzet. Mensen die zich tegen de algemene opinie in niet neerlegden bij onvermijdelijk geachte ontwikkelingen. Die de strijd aangingen en tegenmacht probeerden te organiseren. Bijvoorbeeld door eigen inkoopcoöperaties en later ook woningcorporaties op te richten. Door vakorganisaties in het leven te roepen. Door ‘onderlinge’ verzekeringen in te richten. En door te proberen via wetgeving de ellende te bestrijden. Sociaal-liberalen, sociaal bewogen christenen en hervormingsgezinde socialisten.
De laatste groep vocht rond 1900 in eigen gelederen een strijd uit met revolutionaire marxisten. Zij herkenden het gevaar van kapitaalaccumulatie als strijdig met de belangen van de werkende klasse, maar achtten die niet onvermijdelijk. Van deze reformisten was de Duitse sociaal-democraat Eduard Bernstein de grote voorman. Bernstein achtte het kapitalisme niet onverenigbaar met sociale hervormingen.
Als een van de eerste sociaal-democraten beschouwde Bernstein de democratische rechtsstaat als doel en middel tegelijk. Om een sociaal rechtvaardige samenleving te krijgen waren democratie en gelijke rechten voor ieder noodzakelijk. Maar hij ging verder dan de liberalen, die vonden dat de democratie beperkt moest blijven tot een liefst zo klein mogelijke overheid. Bernstein wilde het bereik van de liberale democratie juist uitbreiden, om haar toekomst veilig te stellen. Want een democratische rechtsstaat kan niet stabiel zijn wanneer de maatschappelijke ongelijkheid te groot is en sociale rechtvaardigheid te zeer ontbreekt. Tegen uitwassen van het kapitalisme moest dan ook actief worden gestreden op basis van normatieve ideeën van sociale rechtvaardigheid en in de vorm van concrete maatregelen. Daar was politieke en maatschappelijke machtsvorming voor nodig. Het sluiten van compromissen hoorde daarbij, maar niet tegen elk prijs en moest altijd verdedigbaar zijn als een stap in sociale richting. Tegenhangen tegen het liberalisme van de bourgeois was een voortdurende noodzaak, maar dat betekende niet per se dat alle productiemiddelen aan een centrale staat moesten worden onderworpen. Dat zou niet alleen de eigen verantwoordelijkheid ondermijnen, het was ook niet nodig, mits de markt maar getemd zou worden door ingrijpen van de staat. Niet de afschaffing van het kapitalisme, maar de ‘breideling’, het inperken van het kapitalisme, was het doel.
Bernsteins ideeën werden destijds fel bestreden in zijn eigen SPD en in de internationale organisatie van sociaal-democratische partijen. In beide verloor hij het pleit. Zijn tegenstrevers, de revolutionair marxisten onder leiding van Karl Kautsky, moesten niets hebben van zijn revisie van Marx’ ideeën. Zij hielden vast aan het deterministisch marxistisch dogma dat een socialistische heilstaat beloofde. Dat heeft de SPD sterk verzwakt. Toen in 1929 de beurskrach plaatsvond stond zij met lege handen om de economische crisis te bestrijden. Volgens verschillende auteurs maakte die verzwakte positie van de SPD het mogelijk dat het nazisme zoveel aanhang kon verwerven.
In Nederland liep het anders. Daar verlieten de revolutionaire marxisten al in 1909 de SDAP.
Na de Tweede Wereldoorlog zou dat gedachtegoed een belangrijke rol spelen bij de opbouw van de verzorgingsstaat, ook in Nederland. Net als in andere westerse landen werd de noodzaak gevoeld van een compromis tussen kapitaal en arbeid. Bernstein kreeg alsnog gelijk: een stabiele democratie kan niet zonder een stevige sociale basis. De PvdA zette dat nog eens duidelijk uiteen in het dikke rapport uit 1951 De weg naar vrijheid, dat voortbouwde op het Plan van de Arbeid. Bestaans zekerheid stond hierin centraal, maar uit druk kelijk als middel om te komen tot een ‘gemeenschap van vrije mensen’.
De titel gaf al aan dat het de tegenhanger wilde zijn van The Road to Serfdom uit 1944 van Friedrich Hayek.
De verzorgingsstaat werd op- en uitgebouwd. De PvdA deed dit samen en soms in concurrentie met anderen, vooral de KVP. De electorale strijd om de katholieke arbeiders zorgde voor een ‘opwaartse rivaliteit’ die uitmondde in de ruimhartige verzorgingsstaat van de jaren zeventig.
Een paar lessen kunnen we trekken uit dit historisch uitstapje waarin Bernstein centraal is gezet:
► Les 1. Geen determinisme: ga niet uit van onvermijdelijkheden zoals zogenaamde historische wetten, maar heb een open oog voor nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.
► Les 2. Blijf wel steeds tegenhangen: ongewenste uitkomsten van ontwikkelingen in het kapitalistische systeem moeten worden tegengegaan, zoals de ondermijning van de collectieve sociale basis die noodzakelijk is voor een stabiele democratische rechtsstaat. Dit ideologisch debat moet gevoerd blijven worden.
► Les 3. Maak concrete plannen: formuleer op basis van het normatieve uitgangspunt van sociale rechtvaardigheid binnen een democratische rechtsstaat concrete plannen die de bestaanszekerheid bevorderen.
Deze lessen dienen als achtergrond voor een schets van de toekomst van de sociaal-democratie.
Hoop
Sinds de jaren zeventig heeft de wereld niet stilgestaan. Oliecrises, economische conjunctuur met pieken en dalen. Bezuinigingen op de voorzieningen van de verzorgingsstaat, migratie, electorale instabiliteit. De val de Muur. De uitbreiding van de Europese Unie. De digitale revolutie. De opwarming van de aarde. Te veel om op te noemen. Wat duidelijk is: links heeft sinds de jaren zeventig het initiatief verloren in het publieke debat. Dat leidt tot een aantal vaststellingen met betrekking tot de sociaal-democratie. Daarin probeer ik die historische lessen te verwerken.
Geen determinisme
De wereld verandert en dat is soms maar goed ook. Maar dat is iets anders dan die werkelijkheid tot norm verheffen. Dat gebeurde vanaf de jaren zestig op verschillende manieren. Met het bereiken van de verzorgingsstaat kwam in de jaren zestig en zeventig zeer sterk de nadruk te liggen op de individuele ontplooiing, waarbij de aandacht voor de daarvoor noodzakelijke collectieve sociale basis helaas op de achtergrond raakte. Hedonisme ging de boventoon voeren. Individualisering werd als een onontkoombare trend beschouwd die verder moest worden gestimuleerd en als uitgangspunt voor beleid moest dienen.
Let wel: individuele ontplooiing is en blijft voor de sociaal-democratie een na te streven doel en heeft ook veel goeds gebracht; maar het gaat wel om ‘verantwoordelijkheid voor de ontplooiing van eigen wezen’ gekoppeld aan ‘verantwoordelijkheid tegenover medemens en gemeenschap’, zoals De weg naar vrijheid het omschreef. Dan ook kan die gemeenschap tot bloei komen, zodat ontplooiing voor zoveel mogelijk mensen kan worden bereikt.
Dat is heel iets anders dan het doorgeslagen individualisme van het neoliberalisme, waarbij het individu heilig wordt verklaard en de samenleving er niet toe doet. Alles voor je zelf! Tony Judt noemde het ‘limitless personal advancement’.
Dat doorgeslagen individualisme is echter geen onvermijdelijk proces, maar is bewust politiek aangemoedigd. De uitspraak ‘There is no such thing as society’ van Margaret Thatcher is er het symbool van geworden. Door die heiligverklaring konden neoliberalen hun doel van een zo klein mogelijke overheid proberen te bereiken door zoveel mogelijk tot de verantwoordelijkheid van de individuele burger te verklaren. De markt waarop die individuen zich ‘rationeel’ begeven, zorgt wel voor het noodzakelijke evenwicht, zo was de redenering.
Die redenering van neoliberalen was vanaf Hayek in 1944 decennialang voorbereid,
De sociaal-democratie raakte, net als de Democratische Partij in de Verenigde Staten, in het defensief. Uit angst de boot te missen en waarschijnlijk ook door gebrek aan historisch besef ging men de ideeënstrijd niet vol aan, maar probeerde men mee te buigen. In Nederland was de econoom en voormalig PvdAfractie voorzitter in de Tweede Kamer Thijs Wöltgens een van de weinige sociaal-democratische politici die die strijd wel opzochten. Maar hij stond geïsoleerd; de Derde Weg overheerste. In de praktijk probeerde die Derde Weg wel de harde kanten van het neoliberalisme er wat af te vijlen en op het Europese continent zorgden gevestigde instituties van de verzorgingsstaat ervoor dat het doorgeslagen individualisme niet voluit tot gelding kwam. Maar in het politieke en publieke debat overheerste de gedachte van de onontkoombare individualisering van neoliberale snit.
Dat had grote gevolgen. Er ontstond een sfeer dat succes in het leven een individuele keuze is. Heb je het niet gemaakt, dan is dat je eigen schuld. Bezuinigingen in het sociale domein konden zo makkelijk worden verkocht door individuele burgers op hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ aan te spreken. Een nog grotere beroep op mantelzorg past daarbij. En als iemand in financiële problemen komt, is dat zijn eigen schuld. Ook hier weer: geen misverstand. Ook voor de sociaal-democratie hebben mensen een eigen verantwoordelijkheid en zijn er geen rechten zonder plichten. Maar daar houdt het niet bij op en hoeft het ook niet bij op te houden. De gemeenschap heeft eveneens een verantwoordelijkheid. En die kan wel degelijk ook nu worden georganiseerd, ook voor mensen als Dennis van het dierenwinkeltje in Amsterdam-Noord. Het door neoliberalen gepropageerde hyperindividualisme is niet onvermijdelijk. En dat geeft hoop.
Datzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de door neoliberalen omarmde globalisering. Met veel poeha werd beweerd dat ‘There is no alternative’ (TINA). Opnieuw een uitspraak van Margaret Thatcher, nu over het internationale kapitalisme. Bij ons sprak Bolkestein in dezelfde lijn: globalisering is het onvermijdelijke gevolg van economische krachten en je kunt je dus maar beter aanpassen. ‘In die zin ben ik een marxist’, zei Bolkestein, en dat is veelzeggend. Globalisering is op zichzelf geen verkeerde ontwikkeling, maar in de neoliberale bijbel komt het woord ‘bijsturing’ niet voor, alleen ‘aanpassen’. Bernstein zou zich in zijn graf omdraaien. Maar de ontwikkeling van het flitskapitalisme is niet zomaar ontstaan. Het was dezelfde Thatcher die de kapitaalmarkten dereguleerde. En het zijn politieke besluiten om regelingen – rulings – te treffen met bedrijven, zodat deze weinig belasting hoeven te betalen over winsten. Politieke besluiten kunnen ook weer worden teruggedraaid en daar ligt een rol voor de sociaal-democratie, zeker in Nederland bij dit onderwerp.
Sinds het neoliberalisme wereldwijd doorbrak is de ongelijkheid in de wereld enorm toegenomen. Daarover ging die krantenkop van de Volkskrant van 15 december. Het bericht was gebaseerd op het nieuwste rapport van een internationale groep economen, van wie Thomas Piketty de bekendste is.
Interessant in het rapport is de constatering dat in 1980 de ongelijkheid in de Verenigde Staten en die in Europa ongeveer even groot waren. Op beide continenten is die ongelijkheid sindsdien toegenomen, maar in de Verenigde Staten vele malen meer dan in Europa. Piketty verklaart dit door het bestaan van het Europese model van verzorgingsstaten, die dempend werken op de ongelijkheid. Het laat zien dat bijsturen mogelijk is als je het maar wilt. En ook dat biedt hoop. Piketty pleit dan ook voor politieke acties om de trend richting ongelijkheid tegen te gaan. De accumulatie van rijkdom moet worden bestreden. Piketty noemt Europese afspraken over hogere winst belasting als een voorbeeld om dit te bevorderen. De noodzaak van een krachtige sociaal-democratie kan niet beter worden aangetoond. Ook dat geeft hoop.
Tegenhangen
Maar dan moet de sociaal-democratie wel meer gaan tegenhangen en het ideologisch debat niet schuwen. Zij moet de ideeënstrijd met het kale marktdenken en het hyperindividualisme van het neoliberalisme voluit aangaan. De framing van zijn discours doorprikken.
Laten zien dat het deterministisch denken van neoliberalen ongegrond is. Dat kapitaalaccumulatie kan worden bestreden en aandeelhouderskapitalisme niet de enige vorm of norm is bij economische bedrijvigheid. Dat sociaal bijsturen wel degelijk een optie is. Dat neoliberale politiek niet alleen leidt tot een toename van ongelijkheid, maar daarmee ook de sociale onderbouw van de democratische rechtsstaat ondermijnt. Dat het neoliberalisme ondanks de naam juist een echte ‘gemeenschap van vrije mensen’ uit het zicht brengt. Dat juist sociale democratie een noodzakelijke voorwaarde is voor politieke democratie. Dat een ander soort samenleving mogelijk is, waarin utilitair rendementsdenken niet de boventoon voert, maar waar binnen de kaders van de democratische rechtsstaat de waarden van menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid centraal staan. Dat is zowel van inhoudelijk als symbolisch belang.
Concrete plannen
Hoe die sociale democratie te bereiken? Niet door naar vroeger terug te verlangen. Niet door alles collectief te willen regelen. Niet door elk compromis af te wijzen. Niet door je af te sluiten van de buitenwereld. Wel door zoveel mogelijk bestaanszekerheid weer voorop te stellen. Het beginselprogramma van de PvdA ging erop in; Jesse Frederik sprak erover; het Van Waarde-project van de WBS noemde het. Zij moet nu ook in het beleid herkenbaar zijn. Dat verwachten mensen van de sociaal-democratie. Daarom was Willem Drees destijds zo populair, ook buiten de kring van de PvdA.
Bestaanszekerheid, door concrete plannen te maken, vooral op gebieden van werkgelegenheid, sociale zekerheid, zorg en volkshuisvesting. Geen kleine, maar een actieve overheid op juist deze terreinen. Daarbij kan de sociaal-democratie de ogen niet sluiten voor forse uitdagingen. Dat was in de negentiende eeuw zo; dat is nog steeds zo.
Philipp Blom legt in Wat op het spel staat terecht de nadruk op het belang van de klimaatcrisis en de digitalisering van de arbeid. Ik zou daar nog ten minste twee uitdagingen aan toe willen voegen: migratie en de kloof tussen laag- en hoogopgeleiden. Ik loop die vier dadelijk één een één langs. Die nieuwe uitdagingen stellen de sociaal-democratie voor lastige keuzes. Juist de sociaal-democratie die wil bijsturen moet weten in welke richting zij wil bijsturen, ook al zijn de marges smal. En die richting moet altijd zijn het bevorderen van bestaanszekerheid.
Wat betreft de klimaatcrisis: zonder politiek ingrijpen zullen de gevolgen van zowel de opwarming van de aarde als van de maatregelen om die te bestrijden buitenproportioneel neerdalen bij armere landen en armere mensen. Actief klimaatbeleid is daarmee ook een sociaal-democratische opdracht. Dat zal veel overtuigingskracht vergen. Het stimuleren om minder vlees te eten of vliegreizen duurder maken zal niet iedereen gelijk bekoren. Dan helpt het wanneer mensen ervan kunnen worden overtuigd dat een duurzame economie ook, of misschien wel juist, een prettige manier van leven mogelijk maakt. Tegelijk kan innovatief milieubeleid een bijdrage leveren aan de werkgelegenheid. Groeien binnen de grenzen van wat onze planeet aankan, zoals Kate Raworth het in haar boek over de donuteconomie zegt.
Blom noemt verder de digitalisering en robotisering van de arbeid: hierdoor kunnen veel banen verdwijnen. Lodewijk Asscher vroeg hier eerder ook al aandacht voor. Over de effecten van robotisering op de arbeidsmarkt bestaat nog veel onzekerheid.
zou meevallen, is het niet uitgesloten dat in de toekomst veel mensen hun baan verliezen, zonder dat zij in nieuwe gecreëerde arbeidsplaatsen aan de slag kunnen, omdat zij daarvoor de capaciteiten missen. Nadenken over de mogelijke gevolgen daarvan is nodig.
Daarbij hoort het nadenken over vormen van een basisinkomen om het verlies aan inkomen uit werk te compenseren.
Voorwaarde voor een basisinkomen zou juist daarom moeten zijn dat het mensen in staat stelt een zinvol bestaan te leiden. Een combinatie van een basisinkomen met een basisbaan, misschien vooralsnog alleen voor bepaalde groepen, zou kunnen worden overwogen.
Ten derde de migratie: de integratie van nieuwe Nederlanders in de samenleving hoort voor sociaal-democraten vanzelfsprekend te zijn. Rechten en plichten horen daarbij, net als voor elke andere Nederlander. Maar er zijn grenzen aan de migratie. Nederland heeft geen onbeperkt absorptievermogen, zo staat het al in het beginselprogramma van de PvdA. Juist het behoud van de verzorgingsstaat stelt grenzen aan de immigratie. Andersom is ook waar: dat de Verenigde Staten als immigratieland lange tijd een relatief hoog aantal immigranten opnamen, was ook mogelijk door het lage niveau van de welfare state daar.
Het is een ongemakkelijke waarheid voor sociaal-democraten: verzorgingsstaten zijn gebaseerd op insluiting en uitsluiting. Dat kan niet anders. En dus kan niet elke migrant die hierheen wil komen, zich hier ook vestigen. Dat betekent onder meer de bewaking van de buitengrenzen van Europa, maar ook intensieve programma’s om de economieën en rechtsstaten in de landen van oorsprong sterker en inclusiever te maken. En, voeg ik daaraan toe: een fatsoenlijke behandeling van mensen in vluchtelingenkampen. Wat in dergelijke kampen in Griekenland plaatsvindt, is een schande
voor Europa.
Voor politieke vluchtelingen dient Nederland altijd open te staan. Dat houdt in dat onderscheid wordt gemaakt tussen politieke en economische migranten. Van de laatsten zijn alleen zij welkom die met hun talenten een bijdrage aan de Nederlandse samenleving leveren.
Wanneer statushouders zich in Nederland vestigen, moet worden voorkomen dat de oorspronkelijke bewoners zich verdrongen voelen op de woningmarkt. Dat vereist meer bouwen, meer sociale huisvesting. Een actieve overheid. Veel oorspronkelijke bewoners hebben de sociaal-democratie de rug toegekeerd. Sommigen stemmen nu op populistische partijen en huldigen daarbij soms standpunten over nieuwe Nederlanders die de sociaal-democratie niet voor haar rekening kan nemen. En toch kunnen die mensen worden overtuigd dat zij uiteindelijk beter af zijn met een sterke sociaal-democratie die zich hard maakt voor hun bestaanszekerheid. Dat zal een lang proces zijn, maar niet onmogelijk. Want de opkomst van het populisme is als de kanarie in de kolenmijn. Het is een signaal dat er iets mis is in de samenleving. Dat de bestaanszekerheid voor velen te zeer onder druk is komen te staan. Met René Cuperus zeg ik dat de opkomst van het populisme eigenlijk één grote roep is om méér sociaal-democratie.
Ten vierde: de tweedeling tussen hoog- en laagopgeleiden. Die scheiding lijkt steeds structureler te worden. De demograaf Jan Latten maakt dat in een recente studie glashelder aan de hand van partnerkeuze. NRC berichte erover in een artikel met als kop ‘Liefde leidt tot segregatie’.
Er bestaat echter geen spiegelbeeldige situatie bij laagopgeleiden. Latten geeft als voorbeeld: ‘Als een vrouw met een bijstandsuitkering gaat samenwonen met een laagopgeleide man met een flexibel contract, raakt zij die uitkering kwijt.’ Dan maar niet samenwonen. Laag opgeleiden zullen vaker alleen blijven. Contrasten tussen hoog- en laagopgeleiden zullen toenemen, aldus Latten. Een Randstedelijk gebied waar sociaal succesvolle mensen wonen, met veel vertrouwen in elkaar en in de politiek. En een periferie met achterblijvers: eenling, laagopgeleid, kwetsbaar. Tegenover Lattens analyse stellen anderen dat de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden zeker bestaat, maar ‘van alle tijden’ is.
Toch kan de sociaal-democratie er niet omheen dat deze tweedeling zich waarschijnlijk doorzet. Dat heeft directe gevolgen voor het klassieke meritocratische ideaal van sociaaldemocraten.Dat ideaal kwam tot uiting in het verzet tegen het gezegde: wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. Maar dat gezegde is ontstaan in de standenmaatschappij van de negentiende eeuw. Toen konden veel getalenteerde mensen niet ‘doorleren’, omdat er geen geld voor was. Terecht verzette de sociaal-democratie zich daartegen. En nog steeds hoort het bij haar gedachtegoed dat de gemeenschap moet helpen de talenten van alle jongeren te ontplooien. Maar de situatie is nu anders. De toegang tot het hoger onderwijs is sterk toegenomen, mede dankzij de sociaal-democratie. Het is zaak die toegang te blijven verdedigen.
Tegelijk weten wij dat voor veel jongeren het hoger onderwijs te hoog gegrepen is. En die moeten niet het gevoel worden gegeven dat zij eigenlijk mislukt zijn. Grotere waardering voor het vmbo en het mbo, voor praktische vaardigheden, is hard nodig. En minder nadruk op allerlei ‘excellentieprogramma’s’, waardoor de massa van leerlingen en studenten by default het etiket van ‘niet geslaagd’ krijgt opgeplakt. Het meritocratisch ideaal is gekaapt door de neoliberalen met hun nadruk op ‘succes is een keuze’. Sommige mensen zullen altijd laagopgeleid of op een andere manier kwetsbaar zijn. Niet elk dubbeltje wordt een kwartje, en toch hoort dat dubbeltje er helemaal bij.
Juist het sociaal-democratisch ideaal van ‘Niemand aan de kant’ biedt hier perspectief: soms door migrantenkinderen te steunen bij hun lange mars als ‘stapelaars’ door het onderwijs; dan weer door op te komen voor de ’kwartjes’ in de lagere middenklasse, ‘Melkertbanen’ te creëren of sociale werkplaatsen open te houden.
De schitterende toekomst van de sociaal-democratie
Tot nu toe is in dit artikel bewust gesproken over de sociaal-democratie en veel minder over de Partij van de Arbeid. Dat komt enerzijds omdat de problematiek veel breder is dan de PvdA. Vergelijkbare ontwikkelingen doen zich in veel Europese landen voor. Anderzijds omdat de sociaal-democratie in Nederland breder is dan de PvdA. Er zitten ook sociaal- democraten in andere partijen en organisaties, ook al is de PvdA bij uitstek de erfgenaam van het reformisme in de sociaal-democratie. Beroemd zijn de woorden van Joop den Uyl dat hij behoorde tot het ‘zondig ras der reformisten’. Maar juist Den Uyl wist dat te koppelen aan een visie op een andere samenleving. Een samenleving waar sprake is van spreiding van kennis, macht en inkomen.
Dit artikel heeft willen laten zien dat de noodzaak voor sociaal-democratische politiek door het neoliberalisme van de afgelopen vier decennia momenteel nog groter is dan in de tijd van het kabinet-Den Uyl. Dahrendorf had ongelijk: de sociaal-democratie is niet overbodig geworden. Ook de vraag naar sociaal-democratie is groot: zo kan de opkomst van het populisme worden verstaan, maar vooral de toegenomen onzekerheid bij vele groepen in de samenleving verklaart die vraag. En de mogelijkheden zijn aanwezig; op het gebied van milieu, sociale zekerheid, volkshuisvesting en bij de groeiende vermogensongelijkheid. Piketty wees daarop: Europese samenwerking kan de accumulatie van vermogen en daarmee van macht tegengaan en zo ook het voortbestaan van Europese verzorgingsstaten mogelijk maken. Het moet en het kan!
Wanneer de PvdA de ideeënstrijd met het neoliberalisme voluit aangaat en samenwerkt met andere sociaal-democraten in Europa en in andere Nederlandse partijen en organisaties, en wanneer tegelijk de noodzaak tot, de vraag om en de mogelijkheden voor sociaal-democratische politiek aanwezig zijn, dan kan het niet anders dan dat de sociaal-democratie met haar streven naar bestaanszekerheid in een democratische rechtsstaat een schitterende toekomst tegemoet gaat.