De opwarming van de aarde is alleen af te remmen als we minder groeien, minder kopen en minder werken. Technologie en innovatie alleen gaan ons niet redden. Sommige sectoren moeten grotendeels verdwijnen en dat maakt mensen kwetsbaar. Maar als we welzijn en zekerheid tot speerpunten maken van een ‘groene agenda’ kunnen we met minder nationaal inkomen duurzamer én gelukkiger worden.

Door: Hendrik Noten
Beleidsadviseur en onderzoeker, auteur van ‘Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder’ (samen met Sander Heijne, Business Contact, juni 2020)

Het is halverwege augustus wanneer ik in de achtertuin van een goede vriend in een uitgeklapte tuinstoel neerzijg. Het is warm, al de hele week. De hele buurt is buiten, zo lijkt het wel. Er klinkt een doorlopend gezoem van stemmen en boven de schuttingen hangen donkere toefjes barbecuerook.

De afgelopen dagen sneuvelde het ene na het andere weerrecord. Terwijl zijn eenjarige zoontje druk brabbelend tussen ons door scharrelt, vragen we ons af wanneer er voor het laatst géén weerrecord sneuvelde. Het droogste jaar, het warmste jaar, de langste hittegolf: een doorlopend haasje-over.

Weggestopt in de vele nieuwsberichten van die dag stond bovendien een verontrustende ontdekking. De ijskappen op Groenland zijn in een onherstelbaar proces van afbraak terecht gekomen, zo ontdekten wetenschappers.[1] De kappen storten jaarlijks 280 biljoen kilo ijs in het water en zijn daarmee een van de grootste veroorzakers van een stijgende zeespiegel. Aan het eind van deze eeuw kan die een meter hoger liggen: Amersfoort Beach, dat soort beelden.

Gek genoeg was dat niet het gesprek van de dag. Diezelfde ochtend presenteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) namelijk de cijfers van de Nederlandse economie. De economie kromp in het tweede kwartaal van het jaar met 8,5%.[2] Dat wisten we natuurlijk al; van de Europese Commissie tot het IMF hadden economen dieprode cijfers voorspeld. Toch kon de woordvoerder het niet laten om te spreken van een ‘catastrofale krimp’.

Gezegend is het land dat economische krimp als catastrofaal ziet en het onherstelbaar verdwijnen van ijskappen een nieuwsberichtje toewijst. Maar vervloekt zijn haar kinderen. Een groeiende groep wetenschappers denkt namelijk dat we niet méér, maar juist mínder economische groei nodig hebben. En dat als gevolg daarvan een aantal van de sectoren die we nu zo hard proberen te redden zullen moeten verdwijnen. Samen behoren deze denkers tot de degrowth-beweging. Hun werk is van belang voor de sociaal-democratie.

Don’t shoot the messenger

Jeremy Grantham is geen milieuactivist. Hij is niet verbonden aan Extinction Rebellion en heeft zich nog nooit namens Greenpeace aan een olieplatform vastgeketend. Sterker nog, Grantham was in de ogen van velen waarschijnlijk lange tijd het kwaad zelve. Hij begon zijn carrière als econoom bij Shell en stond later aan het hoofd van een investeringsfonds met meer dan honderd miljard dollar aan vermogen in beheer. Niet bepaald een vriend van linkse idealisten. Tot hij op een dag een onverwacht essay schreef.[3]

Daarin schotelde hij zijn lezers een simpel gedachte-experiment voor. Dat gaat als volgt: stel dat de bezittingen van de oude Egyptenaren in het jaar 3000 voor Christus precies waren op te bergen in een ruimte van één kubieke meter. En stel nu dat die bezittingen jaarlijks met 4,5% groeiden – zo’n beetje het economische groeipercentage uit de ‘gouden’ jaren negentig. Hoeveel opslagruimte zouden de Egyptenaren dan nodig hebben gehad tegen de tijd dat Jezus het levenslicht zag?

Een piramide? Tien? Een heel land vol? Het antwoord: 2,5 miljard miljard zonnestelsels. Die dubbele miljard is geen fout. Omdat de bezittingen exponentieel groeien bereikt hun omvang op een gegeven moment duizelingwekkende afmetingen. Wat Grantham aan zijn lezers probeerde uit te leggen was het simpele feit dat oneindige materiële groei, op een materieel eindige planeet, zowel biologisch als ruimtelijk, onmogelijk is.

Het gedachte-experiment van Grantham krijgt steeds meer wetenschappelijk bewijs achter zich. Afgelopen jaar dook een groep wetenschappers in een berg aan publicaties, op zoek naar de verbanden tussen groei en duurzaamheid. Hun conclusies zijn hard en ontnuchterend: onze manier van leven is onhoudbaar en technologie gaat ons niet redden. Zonder een verandering in levensstijl, minder consumptie en minder materiële groei zal het onmogelijk blijken binnen de ecologische grenzen van de aarde te blijven.[4] Er is geen enkel bewijs voor een ander scenario.

Hoe komt dat?

Die bevindingen staan mijlenver af van de politieke realiteit. Haagse instituten zoals het Centraal Planbureau bestaan bij de gratie van de zoektocht naar groei. De OECD heeft het als eerste missiepunt opgeschreven. Groei is goed, zonder onderscheid tussen sectoren of industrieën. En daar gaat het fout.

Wanneer we praten over ‘de economie’ bedoelen we namelijk de optelsom van alle producten en diensten waar we een prijs voor rekenen. De uitkomst daarvan noemen we het bruto binnenlands product (bbp). Als de economie groeit produceren we dus meer. Maar om meer te produceren hebben we meer energie nodig en moeten we meer grondstoffen uit de aarde opgraven, met alle schadelijke gevolgen van dien. In de geest van Jeremy Grantham: hoe lang houd je dat vol?

Daar hadden economen lange tijd een oplossing voor. Het kapitalisme zou er namelijk voor zorgen dat de economie steeds efficiënter wordt. Dankzij innovatie en technologische ontwikkeling zijn er op den duur minder grondstoffen nodig terwijl de economie wél doorgroeit. Wie weet lukt het uiteindelijk zelfs om ons grondstofgebruik af te bouwen, terwijl we wel meer produceren, zo was de gedachte. In dat geval is er een ‘ontkoppeling’ tussen economische groei en grondstofverbruik.[5]

Het is een prachtoplossing die voorkomt dat het systeem fundamenteel moet veranderen. Een belangrijke proponent van deze school is MIT-professor Andrew McAfee, die de stelling verdedigt in zijn vorig jaar verschenen boek More From Less: The Surprising Story of How We Learned to Prosper Using Fewer Resources—and What Happens Next.[6]

Er is alleen één probleem met het boek van McAfee: zijn data kloppen niet.[7] Recent onderzoek laat zien dat er geen enkele sprake is van een ontkoppeling tussen economische groei en grondstofverbruik. Sterker nog, de resultaten suggereren dat we de afgelopen jaren steeds meer verbruiken om groei uit de economie te persen.[8] Het lijkt erop dat zoiets als ‘groene groei’ op de lange termijn niet bestaat. Het is tot op heden vooral een politieke term, niet gebaseerd op enig bewijs.

Waar ging McAfee de mist in?

Het is waar dat bepaalde landen en sectoren een daling van grondstofverbruik kennen. Helaas heeft de verklaring daarvoor weinig te maken met vooruitgang. In deze specifieke gevallen is een deel van het gebruik ‘geëxporteerd’. Dalend verbruik ontstaat omdat een groot deel van productie en vervuiling in andere landen plaatsvindt. De positieve resultaten zijn vooral boekhoudkundige trucage. Wanneer wetenschappers die effecten meetellen ontstaat een compleet ander beeld.

In dat geval zijn de feiten als volgt: (1) exponentiële economische groei op een eindige planeet is logischerwijs onmogelijk, tenzij we (2) die groei loskoppelen van haar fysieke impact. Die ontkoppeling vindt (3) op dit moment niet plaats, er is zelfs enig bewijs voor het tegendeel en (4) we hebben nog een klein decennium om de ergste effecten van klimaatverandering tegen te gaan.[9]

De conclusie is als volgt: om de grenzen van de aarde niet te overschrijden is er geen andere keus dan ons gebruik van grondstoffen en energie te verminderen en te limiteren. In de manier waarop we vandaag de dag de economie definiëren zal dat bijna zonder twijfel betekenen dat we het moeten doen met minder of geen groei. En in onze huidige samenleving maakt dat een heleboel mensen kwetsbaar.

Het is belangrijk te benadrukken dat die afwezige groei (of krimp) voor degrowth-denkers niet het doel op zich is. Waar het om draait is het verminderen van de negatieve impact die onze economie nu heeft door het verbruik te verminderen. Dat betekent dat de centrale vraag niet is hoe we de economie laten stoppen met groeien. De vraag is hoe we stoppen extra grondstoffen en energie te gebruiken terwijl we het menselijk welzijn toch vergroten. Het is wel aannemelijk dat het gevolg daarvan is dat de economie niet langer – of veel minder - zal groeien. Daar zullen we ons op moeten aanpassen.

Dit wordt duidelijker wanneer we kijken naar sectoren zoals cultuur of het onderwijs. Waarom zouden deze niet eeuwig mogen groeien? Hun impact is toch veel kleiner? Dat klopt. Maar hier is de causaliteit andersom: een groter aandeel van dit soort sectoren zal waarschijnlijk juist leiden tot minder materiële groei. Veel diensten kennen niet de productiviteitsverbeteringen die we in de maakindustrie wel kennen. Het is lastig om er jaar op jaar meer geld mee te verdienen. Een kapper kan nou eenmaal niet heel veel meer mensen per uur knippen. Een docent kan zijn of haar tijd niet voor eeuwig efficiënter besteden aan leerlingen. In plaats van geld uitgeven aan een nieuwe auto kunnen we vaker naar het theater gaan. Maar we kunnen niet jaar op jaar vaker naar het theater gaan. Dat is eindig. Dit soort sectoren mogen met andere woorden op de lange termijn blijven groeien, het is alleen niet waarschijnlijk dat het gebeurt. Zoals we straks zullen zien vormt precies deze eigenschap een belangrijk onderdeel van de oplossing.

In de politiek is dit nog een moeilijk gesprek. Zo staat het nieuwe Nationaal Groeifonds dat het kabinet begin september presenteerde volledig in het teken van het vergroten van economische groei, zonder al te veel extra eisen. In Den Haag is het ter discussie stellen van de groeilogica blijkbaar nog ingewikkeld. Waarom eigenlijk?

Leidt groei ook tot een beter leven?

Zoals gezegd is economische groei de optelsom van de marktprijs van alles wat we met elkaar produceren. De aanname is vervolgens dat meer productie en meer geld dus leidt tot meer welzijn en een beter bestaan. Het is niet zo moeilijk om voorbeelden te verzinnen waarin dat moeilijk voorstelbaar is. Als we bijvoorbeeld meer sigaretten produceren en verkopen stijgt het bbp. Maar is dat goed voor menselijk welzijn? Het lijkt er niet op.[10]

Geld maakt wel degelijk gelukkig, aldus onderzoekers. Maar: er is een duidelijk plafond. Wie arm is en meer geld gaat verdienen, wordt in eerste instantie veel gelukkiger. Plotseling verdwijnt de angst voor honger en onzekerheid. Mensen beoordelen hun eigen welzijn steeds hoger. Na een bepaald inkomen vlakt die tevredenheid af. Voor iedere extra euro die mensen ter beschikking hebben ervaren ze minder verbetering. Bovendien is het geen wet van Meden en Perzen. Costa Ricanen hebben slechts een derde van het inkomen van een land als de Verenigde Staten ter beschikking, maar waarderen hun eigen welzijn hoger. Het is dus aannemelijk dat andere factoren een even grote rol spelen.[11]

Een andere manier om naar het welzijn van een samenleving te kijken is de zogeheten Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW). Deze index neemt als uitgangspunt het bbp, maar brengt vervolgens defensie-uitgaven, milieuschade en het verdwijnen van natuurlijk kapitaal in mindering. Wie die berekening voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten maakt, ziet dat er ondanks enorme economische groei geen enkele ISEW-vooruitgang is geweest.[12] Dit laat zien dat veel van de economische groei tamelijk betekenisloos is geweest voor de levens van mensen. De gigantische kosten van de vele oorlogen die de Verenigde Staten hebben uitgevochten dragen bijvoorbeeld bij aan de economie. Maar of het leven van de gemiddelde Amerikaan er ook maar iets beter van werd is maar zeer de vraag.

Een derde manier om naar vooruitgang te kijken is de Human Development Index (HDI) van de Verenigde Naties. Dit meetinstrument kijkt onder andere naar het bbp, levensverwachting, geletterdheid en toegang tot onderwijs. Daar zien we hetzelfde patroon als bij de tevredenheid met het eigen leven. Bij een groeiend inkomen stijgt de HDI in eerste instantie spectaculair. Maar vanaf een bepaald inkomen - ongeveer $ 20.000 per hoofd van de bevolking - vlakt de curve even spectaculair snel af. Ter vergelijking: het Nederlandse inkomen per hoofd van de bevolking bedroeg in 2019 $ 55.600. Met de helft van ons nationale inkomen zouden we grofweg evenveel welzijn kunnen hebben.

Zo bezien brengt een groot deel van onze welvaart ons maar zeer weinig in termen van welzijn en vooruitgang. Tegelijkertijd is dat deel van het inkomen wél verantwoordelijk voor de schade die we aanrichten aan de planeet.

De oplossing: minder en beter werken

Gezien de vele miljarden die de overheid spendeert aan het stutten van de economie is een van de grote vragen hoe deze er post-corona uit komt te zien. Wanneer we niet oppassen zadelen we onze kinderen op met een ‘dubbele schuld’: de restanten van een nog af te lossen staatsschuld en een economie die niet toekomstbestendig is omdat de benodigde grondstoffen en energie oncontroleerbaar blijven groeien. In dat geval gaven we het geld van onze kinderen uit om ze een economie door te geven waar ze niet bij gebaat zijn. Hoe zou het wel kunnen?

Wanneer we economische groei loslaten als leidraad voor vooruitgang heeft dat consequenties voor meerdere sectoren. De degrowth-denkers zoeken hun heil in een aantal oplossingen. Een van de belangrijkste is minder en vooral ook beter werken.[13] Het uitgangspunt is zoals gezegd dat de ecologische impact niet kan groeien terwijl menselijk welzijn wel stijgt. Er zijn veel sectoren die niet aan die uitgangspunten voldoen. Een deel van het werk dat we op dit moment doen is nou eenmaal zeer vervuilend terwijl het maar de vraag is of het menselijk welzijn verhoogt.[14]

Dit geldt natuurlijk voor de olie-industrie, die al jaren onder stevig maatschappelijk vuur ligt. In de financiële wereld beginnen de zorgen over het investeren in dergelijke bedrijven (eindelijk) toe te nemen.[15] Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat fondsen tamelijk schadeloos hun investeringen in oliebedrijven kunnen afbouwen.[16]

Dezelfde vragen zijn te stellen bij een deel van de landbouw en veehouderij. De stikstofcrisis is een veelkoppig monster maar wordt in de kern veroorzaakt doordat onze hang naar groei – intensivering van sectoren – botst met menselijk welzijn. Meer willen produceren gaat ten koste van een bloeiende natuur. De titel van de adviescommissie die zich boog over oplossingen spreekt dan ook boekdelen: Niet alles kan overal. Bovendien moet een deel van de landbouw steeds verder zoeken voor goedkope arbeidskrachten en grijpen uitzendbureaus daarbij terug op omstreden constructies.[17] De vraag is wat de toegevoegde waarde dan nog is en of het einde van de groei niet allang in zicht is.

Of wat te denken van de grote blokkendozen die overal in het Zuid-Nederlandse landschappen verrijzen als distributiecentra? Voor gemeenten is het aantrekkelijk omdat het de gemeentekas stevig spekt. Maar de aan- en afrijdende vrachtwagens drukken vaak op de leefomgeving van omwonenden. Ondertussen wordt het fysiek zware werk in de reusachtige hallen vaak gedaan door arbeidsmigranten, laagbetaald, en met velen onder één dak gehuisvest in vakantiebungalows of krappe appartementen.

In de vleessector werkte corona als een blacklight-lamp in een goedkope hotelkamer. We wisten al dat onze vleesconsumptie tot zeer hoge CO2-uitstoot leidt. Daarnaast kreeg het grote publiek plotseling haarscherp te zien hoe het er voor de werknemers in de sector aan toegaat. Medewerkers bij de vleesverwerker Van Rooi Meat raakten besmet met het virus en werden desondanks onder druk gezet om toch te gaan werken. Ook zij wonen vaak met velen in te kleine appartementen en huisjes zodat het virus gemakkelijk over kon springen. Ze durfden zich bovendien niet ziek te melden uit angst niet meer te worden opgeroepen voor werk.[18]

Het is slechts een slordige en onvolledige greep uit de voorbeelden in sectoren die vanuit een degrowth-perspectief niet langer kunnen groeien, omdat ze enerzijds een grote impact op het milieu hebben en tegelijkertijd weinig welzijn toevoegen. Maar uiteindelijk is het niet aan wetenschappers of technocraten om daarover te beslissen. De samenleving zal moeten formuleren wat daadwerkelijk van waarde is, met als doel het totale verbruik van de economie niet langer te doen groeien.

Welke sectoren zijn groot genoeg? Welke sectoren mogen nog groeien? En met welke bedrijvigheid moeten we stoppen? Deze laatste zal plaats kunnen maken voor activiteiten die minder impact hebben en ons welzijn verhogen, zoals de zorg, het onderwijs, cultuur of andere soorten dienstverlening.

Dit lijkt wellicht een onmogelijke taak, maar eigenlijk hebben we het al succesvol gedaan. Aan het begin van de coronacrisis hadden we weinig tijd nodig om cruciale beroepen te formuleren en er luidruchtig voor te applaudisseren. Klaarblijkelijk voelen we – geconfronteerd met de gevolgen van een crisis – heel goed dat sommige activiteiten nu eenmaal belangrijker zijn dan andere voor ons welzijn.[19]

Van werkgelegenheid naar zekerheid

Gewoon roepen dat bepaalde sectoren moeten krimpen is niet voldoende zonder het beantwoorden van de onvermijdelijke vervolgvraag: en de bestaanszekerheid van mensen dan? Wanneer we minder economische activiteit willen is er op veel plekken ook minder vraag naar arbeid. En dat alles vervangen door activiteiten zonder milieu-impact leidt waarschijnlijk tot minder of zelfs geen economische groei. Bovendien is dat zomaar ‘vervangen’ een oplossing die op de tekentafel werkt, maar in de echte wereld veel tijd en moeite zal kosten.

Zonder ons aan te passen is dat slecht nieuws: oplopende werkloosheid, onzekerheid, armoede et cetera. Maar in zichzelf is het niet erg als dit werk verdwijnt. Er valt veel aan te merken op het soort werkgelegenheid dat Van Rooi Meat biedt. Dat laat zien dat de ‘groene agenda’ niet zonder de sociaal-democratie kan. De PvdA heeft de afgelopen tijd al de juiste aanknopingspunten geformuleerd. Een draai van werkgelegenheid naar zekerheid biedt een basis om op verder te bouwen. Publicist en degrowth-onderzoeker Jason Hickel formuleert drie oplossingsrichtingen die hierbij aansluiten.[20]

Ten eerste zouden we de werkweek kunnen verkorten. Wanneer de economie niet meer groeit is er wellicht minder werk te doen. Dat is niet erg wanneer we het bestaande werk goed verdelen. We weten bovendien dat een kortere werkweek leidt tot veel grotere tevredenheid over het eigen leven.

Aanvullend kunnen we scholingsprogramma’s aanbieden om mensen vanuit de sectoren die krimpen te verplaatsen naar de plekken waarvan we juist willen dat ze groeien. Neem wederom bijvoorbeeld de zorg, waar grote personeelstekorten spelen, het werk sterk bijdraagt aan ons welzijn en dat bovendien niet vervuilend is. We kunnen die transitie aanvullen met basisbanen voor diegenen die de stap niet kunnen maken.

Ten tweede kan een eventuele daling van inkomen voor een deel worden opgevangen door het terugdringen van ongelijkheid. Ook in Nederland heeft de factor arbeid de afgelopen jaren haar aandeel in het inkomen stevig zien dalen.[21] De inkomensongelijk liep in algemene zin slechts voorzichtig op, maar de verschillen tussen de onderste en bovenste groepen stegen wel degelijk aanzienlijk.[22] Het probleem met ongelijkheid zit in Nederland bovendien niet alleen bij de inkomens, maar vooral ook bij de vermogens.

Recent onderzoek van het ministerie van Financiën toonde aan dat de toch al hoge vermogensongelijkheid in Nederland veel hoger is dan gedacht. Onder anderen Bas van Bavel en Coen Teulings berekenden dat de rijkste één procent van huishoudens over een derde van al het private vermogen beschikt.[23]

Een derde oplossing om zonder economische groei toch tot stijgend welzijn te komen is het toegankelijker maken van publieke voorzieningen die daadwerkelijk het verschil maken in onze levens. Dat kan gaan om het onderwijs of de gezondheidszorg, maar de meest urgente publieke voorziening van dit moment is waarschijnlijk de huizenmarkt. Al voor de coronacrisis was er in Nederland een tekort aan honderdduizenden woningen.[24] Het aantal daklozen is de laatste tien jaar verdubbeld en in de grote steden kunnen de wachtlijsten voor een sociale huurwoning oplopen tot tien jaar.[25] Dat alles ondanks een langdurige periode van economische groei.

Een van de hete hangijzers betreft de gevolgen voor de consumptie. Is het zo dat mensen in een wereld zonder groei niet langer ieder jaar méér kunnen consumeren? Het antwoord daarop is ja én nee. Het is aan de ene kant zeer waarschijnlijk dat het beperken van materiële productie niet kan zonder het beperken van materiële consumptie (en vice versa). Dat betekent simpelweg minder spullen kopen en gebruiken. Wellicht geen twee auto’s voor de deur, maar één.

Daar staat tegenover dat de immateriële consumptie kan stijgen: meer vrije tijd, meer contact met vrienden en familie, meer zorg voor elkaar, meer tijd voor het theater, onderwijs, sport en meer bestaanszekerheid. Dingen die ons welzijn aantoonbaar verhogen. Dat hoeft helemaal geen achteruitgang te zijn, mits we het op een rechtvaardige manier vormgeven.

Ook zonder groei kunnen we met de juiste interventies het welzijn van mensen verbeteren. En andersom leidt de aanwezigheid van groei helemaal niet altijd tot betere, mooiere of waardige levens.

Tot slot

Terug naar de achtertuin en de zomer van 2020. Wanneer ik uit mijn tuinstoel opsta is het al donker. De meeste mensen zijn naar binnen. Mijn vriend en ik praten gedempt in de groeiende avondstilte. Zijn zoontje slaapt. Ik zeg tegen hem dat het wel goedkomt. Dat is toch altijd zo?

Een mens kan zich in veel bochten wringen. We zijn biologisch geprogrammeerd om onszelf lang en goed voor de gek te houden. Maar een wereld waarin economische krimp catastrofaal is en het onherstelbaar verdwijnen van gletsjers een nieuwsberichtje blijkt, stelt niet de juiste vragen. Het wordt tijd dat we onze prioriteiten omdraaien. Liever gisteren dan vandaag.

Noten

  1. Claypool, M., & Miller, B. (2020, 14 augustus). Greenland’s ice sheet has melted to a point of no return, study finds. CNN.
  2. Centraal Bureau voor de Statistiek. (2020, 14 augustus). Economie krimpt met 8,5 procent in tweede kwartaal 2020. cbs.nl.
  3. Hagens, N. (2011, 29 april). Time to Wake Up: Days of Abundant Resources and Falling Prices are Over Forever. The Oil Drum.
  4. Wiedmann, T., Lenzen, M., Keyßer, L., & Steinberger, J. K. (2020). Scientists’ warning on affluence. Nature communications, 11(3107), pp. 1-10.
  5. Kallis, G. (2018). Degrowth. Newcastle upon Tyne: agenda publishing.
  6. McAfee, A. (2019). More From Less. New York: Scribner.
  7. Ahmen, N. (2020, 16 juli). Green Economic Growthis a myth. Vice.
  8. Vadén, T., Lähde, V., Majava, A., e.a. (2020). Decoupling for ecological sustainability: A categorisation and review of research literature. Environmental Science & Policy, 112, pp. 236-244.
  9. IPCC. (2018). Special report on global warming of 1,5C. International Panel on Climate Change.
  10. Ibid.
  11. Kallis, G. (2018). Degrowth. Newcastle upon Tyne: agenda publishing. p. 89.
  12. Ibid. p. 93.
  13. Degrowth New Roots Collective. (2020, 13 mei). Degrowth: new roots for the economy. openDemocracy.
  14. Hickel, J. (2020). Less is more. London: Penguin Random House. p. 217.
  15. DNB. (2020, 18 juni). DNBulletin: Biodiversiteit en de financiële sector: een kruisbestuiving? De Nederlandsche Bank.
  16. Plantinga, A., & Scholtens, B. (2020). The financial impact of fossil fuel divestment. Climate Policy. pp. 1-13.
  17. Mesters, H. (2020, 27 augustus). Goedkope arbeidsmigrant komt van steeds verder. ABN AMRO.
  18. Rijn, G. (2020, 2 augustus). Vleesbedrijf zet werknemers onder druk om corona te verzwijgen. De Volkskrant.
  19. Hickel, J. (2020). Less is more. London: Penguin Random House. p. 218.
  20. Ibid.
  21. DNB. (2018, 1 februari). DNBulletin: Flexibilisering arbeidsmarkt gaat gepaard met arbeidsinkomensquote. De Nederlandsche Bank.
  22. WID. Income inequality, Netherlands, 1950-2017. World Inequality Database.
  23. Dekker, W. (2020, 1 juli). Experts: selecte groep van rijkste Nederlanders bezit nóg meer dan gedacht. De Volkskrant.
  24. Rijksoverheid (2020, 15 juni). Staat van de woningmarkt 2020. Rijksoverheid.
  25. Hulsman, B. & De Voogt, S. (2020, 16 april). Hoe de overheid zelf de woningnood creëerde. NRC Handelsblad.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2020)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Klara Boonstra, Ruud Koole, Wiljan Linders [eindredactie], Marijke Linthorst, Kiza Magendane, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Bram van Welie

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl