Eén van de voordelen van vakanties (in dit geval de meivakantie) is dat je op een andere manier naar de wereld kijkt. Je ziet soms verbanden die je in de hectiek van het dagelijks bestaan ontgaan. Althans, dat is bij mij zo.

De afgelopen twee weken viel mij een aantal overeenkomsten op tussen de zorg en ons pensioenstelsel. Het zijn allebei stelsels die gekenmerkt worden door verplichte deelname en solidariteit. De meeste werknemers zijn verplicht aangesloten bij een pensioenfonds en iedere ingezetene van Nederland is verplicht verzekerd tegen ziektekosten. Binnen de ziektekostenverzekering is sprake van ruime solidariteit: van jongeren met ouderen, van gezonde mensen met (chronisch) zieken en van hoge met lage inkomens. En ook het pensioenstelsel bestaat bij de gratie van solidariteit. Het pensioen betreft weliswaar een persoonlijk opgebouwde pensioenaanspraak, maar het is geen particulier spaarpotje. Van degenen die minder oud worden vloeien de gespaarde premies terug in de gezamenlijke kas. Degenen die ouder worden dan verwacht blijven hun pensioen ontvangen, ook als ze hun ‘eigen’ kapitaal al hebben opgesoupeerd.

Er zijn ook minder aangename overeenkomsten. Beide stelsels staan onder druk; zij zouden op termijn niet houdbaar en betaalbaar zijn. De harde pensioengaranties bleken na de economische crisis van 2008 niet nagekomen te kunnen worden. Pensioenen werden niet geïndexeerd (het bedrag werd niet aangepast aan de gestegen prijzen) en sommige pensioenfondsen zagen zich zelfs gedwongen tot het verlagen van de pensioenuitkeringen. En in een aantal gevallen werd de pensioenpremie verhoogd. Voor wat betreft de ziektekosten wordt vooral voor de toekomst zwaar weer verwacht. Als gevolg van technologische vernieuwingen, een langere levensduur en het beschikbaar komen van (steeds) duurdere medicijnen zullen de kosten sterk toe kunnen nemen. En die zijn al fors. In 2016 werd gemiddeld 23% van het inkomen besteed aan zorg. Bij ongewijzigd beleid verwacht het Centraal Planbureau (CPB) dat dit in 2040 gestegen zal zijn tot 36%. Gesuggereerd wordt dat dit opgelost zal moeten worden door een hogere premie, snijden in het basispakket of het verleggen van kosten naar het individu (hoger eigen risico en eigen bijdrage). Grofweg dezelfde oplossingen als tot nu toe bij de pensioenen zijn toegepast.

Een belangrijke factor bij de financiële druk die op beide stelsels ligt, is de wijze waarop het beheer van het vermogen is gereguleerd. Het vermogen is via premies, werkgeversbijdragen en (in het geval van de ziektekosten) belastingen voor het leeuwendeel door de burgers opgebracht. Maar zij hebben hier geen enkele zeggenschap over. (Omroep Max liet onlangs in een mooie reportage zien hoe individuele pensioengerechtigden de aanwezigheid bij vergaderingen van pensioenfondsbesturen wordt geweigerd. Vragen worden evenmin beantwoord.) Het beheer wordt gevoerd door de besturen van de pensioenfondsen, respectievelijk de zorgverzekeraars, gecontroleerd door hun Raad van Commissarissen, binnen de kaders die de Nederlandse Bank (DNB) vaststelt. En de kaders van DNB laten nauwelijks ruimte voor eigen beleid, laat staan voor eigenzinnig beleid. Zo moeten de zorgverzekeraars (zeer) hoge buffers aanhouden en zijn pensioenfondsen verplicht hun benodigde kapitaal te bepalen aan de hand van de zogenaamde risicovrije rekenrente: het bedrag dat de pensioenfondsen in kas moeten hebben als zij het pensioengeld volkomen risicovrij zouden beleggen.

In een gedegen artikel toont econoom Paul de Beer aan dat risicovrije beleggingen, waarmee de pensioenuitkering gegarandeerd zouden kunnen worden, onmogelijk zijn. Op de termijn waarop pensioenfondsen de toekomst zouden moeten kunnen overzien (vijftig jaar of meer) is deze fundamenteel onzeker.1Tegelijkertijd laat de Beer zien dat wat begon als een debat over de vraag hoe meer zekerheid zou kunnen worden gecreëerd over het uiteindelijk te ontvangen pensioen, in de loop der jaren is veranderd in een discussie over wijziging van het pensioenstelsel. Het komt er kort gezegd op neer dat er een belangentegenstelling bestaat tussen gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden. De huidige gepensioneerden zijn gebaat bij een zo hoog mogelijk pensioen op dit moment, de toekomstige gepensioneerden hebben baat bij een beperking van de huidige uitkeringen, zodat zij later een goed pensioen genieten. De werkenden vinden dat hun belangen onvoldoende behartigd worden door de besturen van de pensioenfondsen. Namens de werknemers maken de vakbonden deel uit van het bestuur. Maar deze vertegenwoordigen vooral oudere werknemers en gepensioneerden. Als oplossing wordt een nieuw stelsel voorgesteld met meer individuele aanspraken, al dan niet gecombineerd met collectieve dekking van risico’s.

De Beer gaat uitvoerig in op de tekortkomingen en risico’s van een dergelijke beleidswijziging, maar de kern van zijn analyse is dit: als het vertrouwen in de besluitvorming over de pensioenen geschokt is, maar vriend en vijand zijn het erover eens dat we één van de beste pensioenstelsels ter wereld hebben, dan moeten we niet het stelsel overboord zetten maar de besluitvormingsprocedure veranderen. Op zo’n manier dat democratisch wordt beslist hoe om te gaan met veranderde omstandigheden, met zeggenschap van alle (toekomstige) belanghebbenden.

Tot nu toe is de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel vooral een onderonsje van ‘deskundigen’. Het is taaie kost en voor veel mensen is het een ‘ver van mijn bed show’. Datzelfde geldt voor de zorg. Maar de voorstellen die door de deskundigen ontwikkeld worden zijn niet waardevrij. Aan ons huidige pensioen- en zorgstelsel ligt een visie ten grondslag hoe we tegenslagen opvangen. Het is hoog tijd dat we ons als burgers gaan roeren over de vraag hoe we willen dat deze visie er in de toekomst uit ziet. Zowel voor wat betreft de pensioenen als voor wat betreft de zorg. Het is ons geld, daar mogen wij ook iets over te zeggen hebben.

  • 1. Paul de Beer: Behoud ons pensioenstelsel, maar democratiseer de besluitvorming. In: Socialisme&Democratie, nr.5, 2016.