Begin dit jaar zei de directeur van de Jan Pieterszoon Coenschool in Amsterdam een andere naam voor haar school te willen.
Er zou verder weinig aan de hand zijn geweest als Mark Rutte zich niet ook vergaloppeerd had, door daags na het Coengekibbel te ageren tegen het verwijderen van de buste van een andere echte Hollandse wereldveroveraar, Maurits.
Geen beeldenstormpje in een glas water dus, maar een enorm verhit debat waarin veel mensen zich gekwetst of bedreigd voelen. Linkse mensen willen dat rechtse partijen verboden worden. Ze demonstreren in Amsterdam tegen het Forum voor Democratie. Rechtse mensen willen dat geloof verboden wordt of dat ministers vervolgd worden. Zowel linkse als rechtse mensen willen dat het identiteitsdebat ophoudt, ofwel omdat het grootkapitaal de tegenstander moet zijn, ofwel omdat het afgelopen moet zijn met al die rare eisen van transgenders en wat niet al. Zo is er bijvoorbeeld een voetbalcommentator van RTL gekwetst dat hij geen andere mensen mag kwetsen. Al met al heeft het Nederlandse publieke debat tegenwoordig veel weg van het ‘wereldkampioenschap slachtoffertje spelen’, waarbij de echte winnaar natuurlijk zorgt dat-ie zilver haalt zodat-ie kan zeuren dat-ie geen goud heeft.
Omdat dit debat met een schoolnaam begon, bracht me dat in herinnering dat de school waarop ik vroeger zat ook van naam veranderde omdat deze niet deugde. Eind jaren zeventig werd mijn lagere school vernoemd naar een diertje dat leefde in het gebied waar de school en de nieuwbouwwijk gezamenlijk verrezen. Die wijk heette het Hooiland en in hooiland wonen sprinkhanen. Men vond het dus raadzaam de school ‘De Hooiwipper’ te noemen. Was het anarchie dat men zo’n seksueel geladen naam koos? Hoe dan ook was de staf het begin jaren negentig beu zich te moeten introduceren als leraar van wat klonk als ‘De Grasneuker’. En door te kiezen voor ‘Het Hof’ voegde men zich, zonder dat iemand zich roerde, in de lange rij van scholen die je met een snackbar kunt verwarren – Driehoek, Kruispunt, Schakel, Regenboog. Het geruisloze afscheid van die jaren-zeventignaïviteit onderstreept nog eens hoe verhit we nu tegenover elkaar staan.
Geen burgeroorlog
Dit debat krijgt nog net wat meer betekenis tegen de achtergrond dat een jaar geleden er een enorme paniek leek te heersen, althans als je de kranten las. Populisten zouden de macht grijpen in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Engeland. In verkiezingen over het hele continent zouden ‘gewone mensen’ de ‘elite’ aan de kant schuiven en zich bevrijden van dictatuur. Er zou, volgens de journalist Joost Niemöller op 4 februari 2017, een burgeroorlog uitbreken wanneer Geert Wilders geen minister-president werd.
Heel opiniemakend Nederland buitelde over elkaar heen om te ontdekken wat ‘de gewone man’ wilde voor het te laat was. En dat dreigen met een burgeroorlog was geen reden om deze Niemöller op kosten van de publieke zaak op vakantie naar de Malediven te sturen, maar een thema om hem in het Algemeen Dagblad over te interviewen.
Wilders verloor, natuurlijk ook omdat hij een concurrent had gekregen in Baudet. En wie nu de kranten leest, ziet dat er een Duitse regering van middenpartijen is gekomen, dat de Britten spijt hebben van hun beslissing om Europa te verlaten, dat de Franse president Macron het racistische Front National voorlopig weer naar de marge drukte. Natuurlijk is er nog altijd Donald Trump, is de sociaal-democratie een ijsschots op weg naar de zomer, en staat het vast dat Nederland flink naar rechts opschoof onder druk van die dreiging van het populisme. Maar: de politiek maakt plannen, onderhandelt, schiet plannen af en maakt weer nieuwe – kortom, men doet wat beschaafde mensen doen. Niks geen burgeroorlog.
Het is tegen die achtergrond dat de vraag rijst of er niet wat te veel emotie in de politiek is. Mijn opzet was dat te onderzoeken aan de hand van de Amerikaanse filosoof Michael Walzer, die goed is in uitleggen dat het niet veel zin heeft om tegenstellingen langdurig op de spits te drijven. Maar de tekst van Walzer die ik nodig had, stond in een boek dat ik ooit tweedehands bestelde en dat eigendom bleek te zijn geweest van de Groningse filosoof Lolle Nauta. Nauta, die overleed in 2006, was een gezaghebbend man. Een boek van hem hebben, is dat niet zoiets als voetballen met de schoenen van Cruijff aan je voeten? Je denkt dat iets van de brille van de ster op je overgaat. Nauta schreef bijvoorbeeld het werkelijk razend linkse beginselprogramma van de PvdA uit 1977. Dat was een ongelukkige tekst. Niet alleen omdat deze een tweede kabinet-Den Uyl hielp voorkomen. Vooral ook omdat deze de sociaal-democraten de jaren tachtig inleidde met een beeld van de jaren zeventig, zonder een hedendaags verhaal over de verzorgingsstaat.
Het relevante punt is dat ik Nauta eens interviewde en hij toen vertelde over zijn leermeester Helmuth Plessner. De Duitse filosoof Plessner maakte naam in Duitsland tot hij in 1933 vanwege de rassenwetten moest maken dat hij wegkwam. Plessner belandde daarop met hulp van de Nederlandse psycholoog Buitendijk in Groningen. Maar, zo vertelde Nauta, er was geen geld hem een fatsoenlijke leerstoel te bieden. Toch was redding in zicht. Buitendijk had net geld van de Universiteit Groningen gekregen om twee gorilla’s te huisvesten, en hij stelde daarop de universiteit voor om het budget van een van die gorilla’s te besteden aan de aanstelling van de gevluchte Duitser. Het is een vorm van internationalisering die je tegenwoordig minder treft. Een van de kernthema’s uit een beroemd boek van Plessner is: pas op met het verlangen naar de intimiteit van de gemeenschap, koester de anonieme maatschappij.
In zijn tijd waren dat fascisme en communisme, bewegingen waarin men de mens definieert aan de hand van één kenmerk bloed of bezit – en waarin de gedachte sterk is dat er ooit een tijd was waarin de perfecte gemeenschap daadwerkelijk bestond, toen er nog geen machines waren en niemand zelf dacht. Plessner gebruikt daarvoor nogal abstracte taal over de mens als ‘afstand nemend wezen’. Het radicalisme dat hij op het oog had, komt mooi naar voren in De man zonder eigenschappen van Robert Musil, dat oorspronkelijk in 1930 verscheen. Hoofdpersoon Ulrich treft daarin regelmatig Hans Sepp, die met zijn jeugdbeweging streeft naar een ‘gemeenschap van volmaakt ik-lozen’ waarin burgerlijkheden als volwassenheid en huwelijk zijn uitgebannen en ‘het Germaanse bloed’ uiteindelijk zegeviert.
Wat de voor een gorilla ingeruilde Duitse geleerde laat zien is dat jezelf worden onder vreemden niet makkelijk is maar wel fijn. Onder mensen die je niet kent, uit de grote stad, uit de moderne maatschappij, loop je de kans belachelijk gemaakt te worden, om je geloof of je huidskleur of je kleren of je taal. Je moet dus je best doen om je waardigheid te bewaren, je moet erover nadenken hoe je je presenteert en hoe anderen jou benaderen. Zonder geweld te gebruiken moet je ruimte scheppen om je inkomen te verdienen zoals je dat het liefste zou doen, te wonen zoals je dat het liefste zou, de partner te vinden die je het liefst wilt hebben. Het ontbindt je en dat maakt je mens, of burger.
Ontbinding is een – niet dé – manier van kijken naar politiek. Politiek gaat ook om de strijd tussen partijen, om macht, om het gevecht tussen elites of om de strijd om gelijkheid. Maar dat is voor een andere keer. De politiek heeft een warme of emotionele kant en een koude of rationele kant en goed burgerschap is dan de thermostaat. Het is behaaglijk warm om je eigen clubje op te zoeken, te loven en te prijzen: eigen volk eerst. Als het te warm onder je voeten wordt, omdat soortgenoten je muzieksmaak of je seksuele voorkeur afwijzen of je een huwelijkspartner opdringen, dan word je een cliché van je gemeenschap. Dan moet je dus je verstand laten spreken en de intimiteit van het dorp verruilen voor de anonimiteit van de grote stad.
Beschaving is op die manier te begrijpen als afkoeling: naarmate de hitte van de menselijke nabijheid afneemt kunnen mensen meer eigen afwegingen maken, en is er dus meer ruimte voor creativiteit en vooruitgang. Minimaliseren van het gevoel was de essentie van de verzorgingsstaat en de wet was het middel.
Schaamte niet voelen, was wat de zeer veel nagevolgde Engelse socioloog Thomas Marshall centraal stelde.
Onderwijs, huurwoningen, bijstand en ouderdomspensioen waren het middel om die uitbanning van vernedering te bereiken. Minder gevoel over je arme of rijke ouders, minder gevoel over je dorp of je afkomst: de regels moesten uitmaken wie erbij hoorde. Voorzieningen, wetten, internationale afspraken moesten zorgen dat dit geregeld werd, ambtenaren moesten ze verzinnen, politici moesten ze goedkeuren, rechters moesten ze controleren en journalisten moesten er lastig over doen. Die afkoeling werkte bevrijdend, in de hele twintigste eeuw konden veel meer mensen op veel meer manieren veel meer hun eigen gang gaan, zichzelf worden onder vreemden.
Weg met het gevoel, dat voelt goed. Het is nog niet makkelijk met die kennis evenwichtig om te gaan. Sentimentaliteit en pedanterie liggen permanent op de loer.
Op je klompen
In de overtuiging dat de burgers het te koud hebben gekregen, pogen politici tegenwoordig de stalwarmte van de natie flink op te schroeven. Dat zijn veelal nogal sentimentele pogingen en dat komt omdat men zich gedraagt als dominee voor de kudde. De politicus meent de gemeenschap te verzinnebeelden en wil niet dat anderen zich onder zijn gezag uit worstelen. Want ieder moet aanvoelen dat luisteren geboden is – de samenleving staat op het spel. Er zijn de makkelijke voorbeelden. Wilders en Baudet die telkens naar het politiebureau rennen voor aangifte, die hun eigen partijgelederen telkens reinigen. Mark Rutte, die tijdens een economische crisis zegt: ‘Laat mij mijn werk doen en koopt u gewoon die auto’, en die tijdens de verkiezingscampagne zegt: Doe normaal of ga weg’. Buma die wil dat we het volkslied zingen.
Het sentimentele schemerde bijvoorbeeld ook door in de manier waarop ook wij, fatsoenlijke mensen, spraken over het schilderij ‘Hylas en de nimfen’ van John William Waterhouse, dat in het kader van een actie verwijderd werd uit de Manchester Art Gallery. Wie was er niet verontwaardigd dat het schilderij met blote meisjes uit een museum werd gehaald? Wie had er niet het idee dat het nu weleens genoeg was? Want dit rook toch wel erg naar een actie van doorgedraaide feministen die samenzweren met radicale moslims. ‘Despotisch’, in de woorden van Afshin Ellian, maar die schrijft in Elsevier, misschien dus minder verrassend.
De kunst is vooral de sentimentaliteit in eigen kring te betrappen. Als het verplichten van het Wilhelmus voor het CDA de manier is om te zeggen: luister naar mij in plaats van me tegen te spreken, dan is de zwakke poging tot modernisering van de arbeidsmarkt dat misschien wel voor de PvdA op een economische manier. ‘Ons soort mensen’ zegt graag: wat nou trots op Nederland, we zijn trots op onszelf. Maar, het is in het verlengde van de studie van Arlie Hochschild al vaak gezegd, er zijn ook mensen die wat minder met hun carrière bezig zijn en die trots zijn op een leven in regelmaat.
Pedant
We hebben, zo schrijft Michael Walzer in het eerdergenoemde stuk dat ik van de weeromstuit bijna vergat, onszelf nagenoeg afgeleerd om emotie in de politiek als iets waardevols te zien.
Elke opstand waarvan we de resultaten nu redelijk vinden, van slaven tot vrouwen tot arbeiders, had in de ogen van tijdgenoten iets onzindelijks, iets emotioneels. Het rationele van de socialistische beweging bracht ook concentratiekampen, zoals de emotioneel gedreven identiteitsclaims van vrouwen of etnische minderheden de moraal behoorlijk verzakelijkten. Het zijn allemaal omkeringen van jewelste. De moraal dáárvan is dat je zakelijk om moet gaan met emotie, want het is een reuze productief en vooral ook niet te vermijden ding.
Dat is nog niet zo makkelijk. Veel van wat verstandig bedoeld is om ‘boze burgers’ blij te krijgen, pakt nogal pedant uit. Pedant betekent: zo slim dat anderen het er benauwd van krijgen. De oorzaak van de politieke spanning wordt dan niet bij burgers zelf gezocht, maar bij de commercie, internet of geloof, dat zijn allemaal oorzaken van domheid. Waarop het zeer rationele, steevast met zeer gezaghebbende cijfers onderbouwde advies is: beperk de hoeveelheid televisie of op zijn minst de commerciële televisie, leg Facebook aan banden, tem de islam en als dat allemaal niet lukt, laat dan de scholen onderwijzen dat tv, internet en geloof je dom maken. Zodat de mensen slimmer worden, en uiteindelijk gaan zien dat wij het beste met ze voor hebben.
Dit soort denken is natuurlijk sterk bij de PvdA, maar ook bij zelfbenoemde erfopvolgers van Drees die problemen, oorzaken en oplossingen graag bij de islam zoeken, zoals Wierd Duk of Eddy Terstall of Martin Bosma. Of neem de hautaine manier waarop Hillary Clinton sprak over de achterban van Donald Trump als ‘a basket of deplorables’.
Promovendum
Verstandig zijn, afkoeling brengen, kan ook zonder vals bewustzijn, dus met geloof in de individuele kracht van mensen. Maar dan is het dus een keuze om boos te zijn, waardoor het niet makkelijker wordt mensen serieus te nemen. Sommige politici ontpoppen zich met deze gedachte als een soort ‘Promovendum’- pedanten: wie dom is betaalt meer premie. Wie elke dag McDonalds eet, moet zijn maagverkleining zelf betalen en verder zijn mond houden. In de beste van alle werelden vond je deze mensen bij de VVD, maar de ontwikkeling van bijvoorbeeld het inburgeringsbeleid door de jaren heen laat zien dat ook de PvdA er niet vies van is: wie niet toegeeft dat wij het beste land van de wereld hebben, komt er niet in.
Of neem het 1015-Groen-D66-Links-achtig idee dat de dialoog de hoogste vorm van samenleven is en dat na een goed gesprek iedereen het altijd eens wordt. Het antwoord op de moeizame verhouding tussen maatschappij en politiek is in het perspectief van deze mensen veelal: méér politiek. Burgertoppen, burgerinitiatieven, G1000s, inspraak, referenda, deliberatie en andere vormen van permanente dialoog moeten wat er ook leeft aan onvrede temmen. Zaaltjes in, zaaltjes uit, praten met de mensen. Maar niet iedereen houdt van ‘politiekje spelen’, omdat ze geld verdienen of sporten of televisiekijken leuker vinden, en daarom was er de representatieve democratie. Dat er grote maatschappelijke problemen zijn waar mensen boos over zijn zoals de Europese Unie die maar doordendert en waar je geen zier aan doet op deze manier, maakt hier geen indruk. Dat iedere vorm van gesprek intimiderend is voor mensen die niet zo van praten houden of er niet goed in zijn, tja. Jacques Wallage legt ze nog wel een keertje uit dat ze het verkeerd zien, dat ze hun belangen uit het oog verliezen.
Te voorspellen valt dat in het kader van de verdere opwarming van de politiek Thierry Baudet binnenkort van de Jac. P. Thijsse-school eist dat deze van naam verandert. Want zo’n milieuactivist mag toch niet het straatbeeld bezoedelen? Het afkoelende antwoord is dan allicht dat er scholen zijn die achterstand reproduceren en scholen die voorsprong reproduceren, die van de titel ROC of vmbo af willen omdat daar een stigma aan kleeft, en dat je daar amper iemand boos over hoort. Belangrijker is te zien dat er inderdaad een behoorlijk koude kant aan vrijheid en gelijkheid zit. Sterker, dat dit goed is en dat dit met passie verdedigd moet worden, omdat pedanterie en sentimentaliteit permanent op de loer liggen. Waar wil je ruzie over zoeken, en welk conflict laat je liever rechts liggen? Of anders gezegd, aan het gymnasium kleeft helemaal geen stigma, integendeel – dus waarom niet alle middelbare schooltypen gewoon gymnasium niveau 1, 2, 3 en 4 genoemd?