Begin dit jaar zei de directeur van de Jan Pieterszoon Coenschool in Amsterdam een andere naam voor haar school te willen.1 Dit omdat vanuit het perspectief van de Amsterdamse wijk waar de school staat, de bijdrage van kolonisator Coen aan de Nederlandse identiteit ambigu was. Dat bleef niet zonder gevolgen. De Telegraaf sprak van een ‘beeldenstorm’. ‘Dadelijk veranderen we zeker ook de naam van de Coentunnel’, was de voorspelbare retoriek die vanuit de populistische hoek oprees, waarbij men eraan voorbijging dat die bron van files amper een trots bezit is.

Er zou verder weinig aan de hand zijn geweest als Mark Rutte zich niet ook vergaloppeerd had, door daags na het Coengekibbel te ageren tegen het verwijderen van de buste van een andere echte Hollandse wereldveroveraar, Maurits.2 Wat een onzinverhaal bleek. Maar de premier van alle Nederlanders gaf een duidelijk signaal af, namelijk dat-ie feiten minder belangrijk vond dan concurrentie met Geert Wilders en Thierry Baudet.

Geen beeldenstormpje in een glas water dus, maar een enorm verhit debat waarin veel mensen zich gekwetst of bedreigd voelen. Linkse mensen willen dat rechtse partijen verboden worden. Ze demonstreren in Amsterdam tegen het Forum voor Democratie. Rechtse mensen willen dat geloof verboden wordt of dat ministers vervolgd worden. Zowel linkse als rechtse mensen willen dat het identiteitsdebat ophoudt, ofwel omdat het grootkapitaal de tegenstander moet zijn, ofwel omdat het afgelopen moet zijn met al die rare eisen van transgenders en wat niet al. Zo is er bijvoorbeeld een voetbalcommentator van RTL gekwetst dat hij geen andere mensen mag kwetsen. Al met al heeft het Nederlandse publieke debat tegenwoordig veel weg van het ‘wereldkampioenschap slachtoffertje spelen’, waarbij de echte winnaar natuurlijk zorgt dat-ie zilver haalt zodat-ie kan zeuren dat-ie geen goud heeft.

Omdat dit debat met een schoolnaam begon, bracht me dat in herinnering dat de school waarop ik vroeger zat ook van naam veranderde omdat deze niet deugde. Eind jaren zeventig werd mijn lagere school vernoemd naar een diertje dat leefde in het gebied waar de school en de nieuwbouwwijk gezamenlijk verrezen. Die wijk heette het Hooiland en in hooiland wonen sprinkhanen. Men vond het dus raadzaam de school ‘De Hooiwipper’ te noemen. Was het anarchie dat men zo’n seksueel geladen naam koos? Hoe dan ook was de staf het begin jaren negentig beu zich te moeten introduceren als leraar van wat klonk als ‘De Grasneuker’. En door te kiezen voor ‘Het Hof’ voegde men zich, zonder dat iemand zich roerde, in de lange rij van scholen die je met een snackbar kunt verwarren – Driehoek, Kruispunt, Schakel, Regenboog. Het geruisloze afscheid van die jaren-zeventignaïviteit onderstreept nog eens hoe verhit we nu tegenover elkaar staan.

Geen burgeroorlog

Dit debat krijgt nog net wat meer betekenis tegen de achtergrond dat een jaar geleden er een enorme paniek leek te heersen, althans als je de kranten las. Populisten zouden de macht grijpen in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Engeland. In verkiezingen over het hele continent zouden ‘gewone mensen’ de ‘elite’ aan de kant schuiven en zich bevrijden van dictatuur. Er zou, volgens de journalist Joost Niemöller op 4 februari 2017, een burgeroorlog uitbreken wanneer Geert Wilders geen minister-president werd.3

Heel opiniemakend Nederland buitelde over elkaar heen om te ontdekken wat ‘de gewone man’ wilde voor het te laat was. En dat dreigen met een burgeroorlog was geen reden om deze Niemöller op kosten van de publieke zaak op vakantie naar de Malediven te sturen, maar een thema om hem in het Algemeen Dagblad over te interviewen.

Wilders verloor, natuurlijk ook omdat hij een concurrent had gekregen in Baudet. En wie nu de kranten leest, ziet dat er een Duitse regering van middenpartijen is gekomen, dat de Britten spijt hebben van hun beslissing om Europa te verlaten, dat de Franse president Macron het racistische Front National voorlopig weer naar de marge drukte. Natuurlijk is er nog altijd Donald Trump, is de sociaal-democratie een ijsschots op weg naar de zomer, en staat het vast dat Nederland flink naar rechts opschoof onder druk van die dreiging van het populisme. Maar: de politiek maakt plannen, onderhandelt, schiet plannen af en maakt weer nieuwe – kortom, men doet wat beschaafde mensen doen. Niks geen burgeroorlog.

Het is tegen die achtergrond dat de vraag rijst of er niet wat te veel emotie in de politiek is. Mijn opzet was dat te onderzoeken aan de hand van de Amerikaanse filosoof Michael Walzer, die goed is in uitleggen dat het niet veel zin heeft om tegenstellingen langdurig op de spits te drijven. Maar de tekst van Walzer die ik nodig had, stond in een boek dat ik ooit tweedehands bestelde en dat eigendom bleek te zijn geweest van de Groningse filosoof Lolle Nauta. Nauta, die overleed in  2006, was een gezaghebbend man. Een boek van hem hebben, is dat niet zoiets als voetballen met de schoenen van Cruijff aan je voeten? Je denkt dat iets van de brille van de ster op je overgaat. Nauta schreef bijvoorbeeld het werkelijk razend linkse beginselprogramma van de PvdA uit 1977. Dat was een ongelukkige tekst. Niet alleen omdat deze een tweede kabinet-Den Uyl hielp voorkomen. Vooral ook omdat deze de sociaal-democraten de jaren tachtig inleidde met een beeld van de jaren zeventig, zonder een hedendaags verhaal over de verzorgingsstaat.4 Naar omvang en functie doet die verzorgingsstaat het nog altijd redelijk, maar het voelt allang niet meer zo en dat komt mede doordat linkse mensen al decennia remmen en nog maar zelden sturen. Een van de verklaringen is dat links mede dankzij dat veel te radicale plan van Nauta niet uit de voeten kon met de rechtse kritiek op de verzorgingsstaat. Misschien moet ik het toevallige bezit van een boek uit diens boekenkast eerder vergelijken met het hebben van de schoenen van Clarence Seedorf, een heel erg goede voetballer die nog weleens een penalty miste. 

Het relevante punt is dat ik Nauta eens interviewde en hij toen vertelde over zijn leermeester Helmuth Plessner. De Duitse filosoof Plessner maakte naam in Duitsland tot hij in 1933 vanwege de rassenwetten moest maken dat hij wegkwam. Plessner belandde daarop met hulp van de Nederlandse psycholoog Buitendijk in Groningen. Maar, zo vertelde Nauta, er was geen geld hem een fatsoenlijke leerstoel te bieden. Toch was redding in zicht. Buitendijk had net geld van de Universiteit Groningen gekregen om twee gorilla’s te huisvesten, en hij stelde daarop de universiteit voor om het budget van een van die gorilla’s te besteden aan de aanstelling van de gevluchte Duitser. Het is een vorm van internationalisering die je tegenwoordig minder treft. Een van de kernthema’s uit een beroemd boek van Plessner is: pas op met het verlangen naar de intimiteit van de gemeenschap, koester de anonieme maatschappij.5 Hij betrok die stelling contra het op dat moment furore makende boek van de socioloog Ferdinand Tönnies, Gemeinschaft und Gesellschaft. Daarin zet Tönnies uiteen dat de vooruitgang misschien welvaart opleverde (Gesellschaft) maar daarmee nog geen warmte (Gemeinschaft). Plessner vond die analyse niks. Hij maakte zich zorgen om de Duitse jeugd, die zich uitleverde aan anti-individualistische bewegingen. 

In zijn tijd waren dat fascisme en communisme, bewegingen waarin men de mens definieert aan de hand van één kenmerk bloed of bezit – en waarin de gedachte sterk is dat er ooit een tijd was waarin de perfecte gemeenschap  daadwerkelijk bestond, toen er nog geen machines waren en niemand zelf dacht. Plessner gebruikt daarvoor nogal abstracte taal over de mens als ‘afstand nemend wezen’. Het radicalisme dat hij op het oog had, komt mooi naar voren in De man zonder eigenschappen van Robert Musil, dat oorspronkelijk in 1930 verscheen. Hoofdpersoon Ulrich treft daarin regelmatig Hans Sepp, die met zijn jeugdbeweging streeft naar een ‘gemeenschap van volmaakt ik-lozen’ waarin burgerlijkheden als volwassenheid en huwelijk zijn uitgebannen en ‘het Germaanse bloed’ uiteindelijk zegeviert.6 Plessner zegt daarom, contra de nostalgie: wég met de gemeenschap, alleen in de maatschappij heb je de ruimte om individu te worden. In een gemeenschap kun je nooit iets worden, want de groep bepaalt wat je moet zijn. Mensen hóuden van afstand, zei Plessner, van eenzaamheid desnoods, als ze maar niet permanent onder zogenaamd gelijken hoeven te zijn. Een beetje gemeenschap is goed, maar het is al snel te veel. 

Wat de voor een gorilla ingeruilde Duitse geleerde laat zien is dat jezelf worden onder vreemden niet makkelijk is maar wel fijn. Onder mensen die je niet kent, uit de grote stad, uit de moderne maatschappij, loop je de kans belachelijk gemaakt te worden, om je geloof of je huidskleur of je kleren of je taal. Je moet dus je best doen om je waardigheid te bewaren, je moet erover nadenken hoe je je presenteert en hoe anderen jou benaderen. Zonder geweld te gebruiken moet je ruimte scheppen om je inkomen te verdienen zoals je dat het liefste zou doen, te wonen zoals je dat het liefste zou, de partner te vinden die je het liefst wilt hebben. Het ontbindt je en dat maakt je mens, of burger.

Ontbinding is een – niet dé – manier van kijken naar politiek. Politiek gaat ook om de strijd tussen partijen, om macht, om het gevecht tussen elites of om de strijd om gelijkheid. Maar dat is voor een andere keer. De politiek heeft een warme of emotionele kant en een koude of rationele kant en goed burgerschap is dan de thermostaat. Het is behaaglijk warm om je eigen clubje op te zoeken, te loven en te prijzen: eigen volk eerst. Als het te warm onder je voeten wordt, omdat soortgenoten je muzieksmaak of je seksuele voorkeur afwijzen of je een huwelijkspartner opdringen, dan word je een cliché van je gemeenschap. Dan moet je dus je verstand laten spreken en de intimiteit van het dorp verruilen voor de anonimiteit van de grote stad.

Beschaving is op die manier te begrijpen als afkoeling: naarmate de hitte van de menselijke nabijheid afneemt kunnen mensen meer eigen afwegingen maken, en is er dus meer ruimte voor creativiteit en vooruitgang. Minimaliseren van het gevoel was de essentie van de verzorgingsstaat en de wet was het middel. 

Schaamte niet voelen, was wat de zeer veel nagevolgde Engelse socioloog Thomas Marshall centraal stelde.7 Uitbanning van vernedering was cruciaal: niet meer je hand op hoeven houden wanneer je pech had door werkloosheid of ziekte. De priesters zaten al in het hok, en nu moest de markt erachteraan. 

Onderwijs, huurwoningen, bijstand en ouderdomspensioen waren het middel om die uitbanning van vernedering te bereiken. Minder gevoel over je arme of rijke ouders, minder gevoel over je dorp of je afkomst: de regels moesten uitmaken wie erbij hoorde. Voorzieningen, wetten, internationale afspraken moesten zorgen dat dit geregeld werd, ambtenaren moesten ze verzinnen, politici moesten ze goedkeuren, rechters moesten ze controleren en journalisten moesten er lastig over doen. Die afkoeling werkte bevrijdend, in de hele twintigste eeuw konden veel meer mensen op veel meer manieren veel meer hun eigen gang gaan, zichzelf worden onder vreemden.

Weg met het gevoel, dat voelt goed. Het is nog niet makkelijk met die kennis evenwichtig om te gaan. Sentimentaliteit en pedanterie liggen permanent op de loer.

Op je klompen

In de overtuiging dat de burgers het te koud hebben gekregen, pogen politici tegenwoordig de stalwarmte van de natie flink op te schroeven. Dat zijn veelal nogal sentimentele pogingen en dat komt omdat men zich gedraagt als dominee voor de kudde. De politicus meent de gemeenschap te verzinnebeelden en wil niet dat anderen zich onder zijn gezag uit worstelen. Want ieder moet aanvoelen dat luisteren geboden is – de samenleving staat op het spel. Er zijn de makkelijke voorbeelden. Wilders en Baudet die telkens naar het politiebureau rennen voor aangifte, die hun eigen partijgelederen telkens reinigen. Mark Rutte, die tijdens een economische crisis zegt: ‘Laat mij mijn werk doen en koopt u gewoon die auto’, en die tijdens de verkiezingscampagne zegt: Doe normaal of ga weg’. Buma die wil dat we het volkslied zingen. 

Het sentimentele schemerde bijvoorbeeld ook door in de manier waarop ook wij, fatsoenlijke mensen, spraken over het schilderij ‘Hylas en de nimfen’ van John William Waterhouse, dat in het kader van een actie verwijderd werd uit de Manchester Art Gallery. Wie was er niet verontwaardigd dat het schilderij met blote meisjes uit een museum werd gehaald? Wie had er niet het idee dat het nu weleens genoeg was? Want dit rook toch wel erg naar een actie van doorgedraaide feministen die samenzweren met radicale moslims. ‘Despotisch’, in de woorden van Afshin Ellian, maar die schrijft in Elsevier, misschien dus minder verrassend.8 Maar ook Labour-huiskrant The Guardian brak er de staf over, en noemde het autoritarisme.9 Het is, excuus, sentimenteel gezeur van oude mannen die vasthouden aan een wereld die voorbijgaat. Wanneer minderheden wat te zeggen krijgen over wat meerderheden mooi vinden, is het beschaving, ook al voelt het niet zo. Sterker, juist omdat het niet zo voelt. En dat schilderij hangt weer waar het hing. 

De kunst is vooral de sentimentaliteit in eigen kring te betrappen. Als het verplichten van het Wilhelmus voor het CDA de manier is om te zeggen: luister naar mij in plaats van me tegen te spreken, dan is de zwakke poging tot modernisering van de arbeidsmarkt dat misschien wel voor de PvdA op een economische manier. ‘Ons soort mensen’ zegt graag: wat nou trots op Nederland, we zijn trots op onszelf. Maar, het is in het verlengde van de studie van Arlie Hochschild al vaak gezegd, er zijn ook mensen die wat minder met hun carrière bezig zijn en die trots zijn op een leven in regelmaat.10 Uit angst dat de economie het begeeft wordt tamelijk behoedzaam omgesprongen met multinationals en krijgen bijvoorbeeld mensen in de sociale werkvoorzieningen te horen dat ze eigenlijk een échte baan moeten willen. Waarbij er de afgelopen jaren amper omheen gedraaid is dat het anders te duur wordt, lees: dat de onderkant er een beetje gevoel voor moet hebben dat de samenleving anders grote risico’s loopt. Stel je voor dat er een conflict komt, met werkgeversen grote ondernemers, die misschien hun gedrag moeten aanpassen. Dan zijn de gevolgen niet te overzien, dat voel je op je klompen aan. 

Pedant

We hebben, zo schrijft Michael Walzer in het eerdergenoemde stuk dat ik van de weeromstuit bijna vergat, onszelf nagenoeg afgeleerd om emotie in de politiek als iets waardevols te zien.11 We slaan scepsis en ironie hoger aan dan dogmatiek en orthodoxie, uit angst in de greep van retoriek en geweld te raken. Maar wat we de juiste verhouding tussen de twee vinden, is een product van de tijd. Het gevoel of de emotie waar we nu mee worstelen, dat was drie eeuwen geleden het domein van de aristocratie, die op zoek naar ‘eer’ en ‘glorie’ het land verdedigde terwijl de burgers zich ‘vrij voelden’ en dat vertaalden naar lekker centjes tellen. Maar halverwege de negentiende eeuw ziet het beeld er heel anders uit, dan is het vooral ‘rationeel’ hoe de arbeidersbeweging haar belangen verdedigde, en ‘passie’, ‘emotie’ en religie vooral iets voor het lompenproletariaat, het plebs.

Elke opstand waarvan we de resultaten nu redelijk vinden, van slaven tot vrouwen tot arbeiders, had in de ogen van tijdgenoten iets onzindelijks, iets emotioneels. Het rationele van de socialistische beweging bracht ook concentratiekampen, zoals de emotioneel gedreven identiteitsclaims van vrouwen of etnische minderheden de moraal behoorlijk verzakelijkten. Het zijn allemaal omkeringen van jewelste. De moraal dáárvan is dat je zakelijk om moet gaan met emotie, want het is een reuze productief en vooral ook niet te vermijden ding.

Dat is nog niet zo makkelijk. Veel van wat verstandig bedoeld is om ‘boze burgers’ blij te krijgen, pakt nogal pedant uit. Pedant betekent: zo slim dat anderen het er benauwd van krijgen. De oorzaak van de politieke spanning wordt dan niet bij burgers zelf gezocht, maar bij de commercie, internet of geloof, dat zijn allemaal oorzaken van domheid. Waarop het zeer rationele, steevast met zeer gezaghebbende cijfers onderbouwde advies is: beperk de hoeveelheid televisie of op zijn minst de commerciële televisie, leg Facebook aan banden, tem de islam en als dat allemaal niet lukt, laat dan de scholen onderwijzen dat tv, internet en geloof je dom maken. Zodat de mensen slimmer worden, en uiteindelijk gaan zien dat wij het beste met ze voor hebben. 

Dit soort denken is natuurlijk sterk bij de PvdA, maar ook bij zelfbenoemde erfopvolgers van Drees die problemen, oorzaken en oplossingen graag bij de islam zoeken, zoals Wierd Duk of Eddy Terstall of Martin Bosma. Of neem de hautaine manier waarop Hillary Clinton sprak over de achterban van Donald Trump als ‘a basket of deplorables’.12 Minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren gebruikte niet de woorden van Clinton om de afschaffing van het referendum te verdedigen, maar wel haar sfeer: sommige mensen verdienen gewoon niet beter. Men wéét dingen over ‘de gewone man’ die anderen niet weten, en kan zich er niet bij neerleggen dat die gewone man de verkéérde dingen eet of doet of zegt of gelooft. Wat er hier sluimert is het idee dat Marx toch gelijk had met zijn analyse over vals bewustzijn: mensen zien hun échte belangen niet, gelijkheid komt pas in beeld wanneer de massa wordt wakker geschud, en dan laat men hoofddoek en hamburger wel staan en is het referendum niet nodig. Maar eerst even luisteren naar de meester, want die heeft ervoor geleerd.

Promovendum

Verstandig zijn, afkoeling brengen, kan ook zonder vals bewustzijn, dus met geloof in de individuele kracht van mensen. Maar dan is het dus een keuze om boos te zijn, waardoor het niet makkelijker wordt mensen serieus te nemen. Sommige politici ontpoppen zich met deze gedachte als een soort ‘Promovendum’- pedanten: wie dom is betaalt meer premie. Wie elke dag McDonalds eet, moet zijn maagverkleining zelf betalen en verder zijn mond houden. In de beste van alle werelden vond je deze mensen bij de VVD, maar de ontwikkeling van bijvoorbeeld het inburgeringsbeleid door de jaren heen laat zien dat ook de PvdA er niet vies van is: wie niet toegeeft dat wij het beste land van de wereld hebben, komt er niet in.

Of neem het 1015-Groen-D66-Links-achtig idee dat de dialoog de hoogste vorm van samenleven is en dat na een goed gesprek iedereen het altijd eens wordt. Het antwoord op de moeizame verhouding tussen maatschappij en politiek is in het perspectief van deze mensen veelal: méér politiek. Burgertoppen, burgerinitiatieven, G1000s, inspraak, referenda, deliberatie en andere vormen van permanente dialoog moeten wat er ook leeft aan onvrede temmen. Zaaltjes in, zaaltjes uit, praten met de mensen. Maar niet iedereen houdt van ‘politiekje spelen’, omdat ze geld verdienen of sporten of televisiekijken leuker vinden, en daarom was er de representatieve democratie. Dat er grote maatschappelijke problemen zijn waar mensen boos over zijn zoals de Europese Unie die maar doordendert en waar je geen zier aan doet op deze manier, maakt hier geen indruk. Dat iedere vorm van gesprek intimiderend is voor mensen die niet zo van praten houden of er niet goed in zijn, tja. Jacques Wallage legt ze nog wel een keertje uit dat ze het verkeerd zien, dat ze hun belangen uit het oog verliezen.13

Te voorspellen valt dat in het kader van de verdere opwarming van de politiek Thierry Baudet binnenkort van de Jac. P. Thijsse-school eist dat deze van naam verandert. Want zo’n milieuactivist mag toch niet het straatbeeld bezoedelen? Het afkoelende antwoord is dan allicht dat er scholen zijn die achterstand reproduceren en scholen die voorsprong reproduceren, die van de titel ROC of vmbo af willen omdat daar een stigma aan kleeft, en dat je daar amper iemand boos over hoort. Belangrijker is te zien dat er inderdaad een behoorlijk koude kant aan vrijheid en gelijkheid zit. Sterker, dat dit goed is en dat dit met passie verdedigd moet worden, omdat pedanterie en sentimentaliteit permanent op de loer liggen. Waar wil je ruzie over zoeken, en welk conflict laat je liever rechts liggen? Of anders gezegd, aan het gymnasium kleeft helemaal geen stigma, integendeel – dus waarom niet alle middelbare schooltypen gewoon gymnasium niveau 1, 2, 3 en 4 genoemd?14

  • 1. Dit is een bewerking van een lezing die Menno Hurenkamp op 18 februari 2018 hield voor de ‘Bilthovense Kring voor Wijsbegeerte en Psychologie’.
  • 2. Zie onder meer Het Parool, nieuwsberichten en achtergrondinterviews van 15, 16, 17 januari en De Telegraaf van 17 en 18 januari, allemaal via de website; Mark Rutte in het radioprogramma Oog op Morgen van 19 januari; de vermeldingen op het Twitter-account van PVV-Kamerlid Martin Bosma rond deze tijd.
  • 3. Algemeen Dagblad, 4 februari 2017, ‘Onvrede die kan omslaan in haat’, terug te vinden via de website.
  • 4. Mede-auteur Wouter Gortzak draait er niet echt omheen dat het programma de plank missloeg. Vgl. Wouter Gortzak, ‘De politieke lading van beginselen. Een terugblik op 1977 zonder gene’, in: S&D 2001/2, pp. 44-48. Ook Bart Tromp breekt er fors de staf over, maar geeft zich ook bloot als iemand die het erg leuk vindt om eeuwig te twisten door Nauta te prijzen dat hij als enige het vermaledijde programma wél is blijven verdedigen. Vgl. Bart Tromp, Het sociaal-democratisch programma. De beginselprogramma’s van SDB, SDAP en PvdA 1878-1977, Bert Bakker, Amsterdam 2002, p. 399.
  • 5. Plessner, H., The limits of community: A Critique of social radicalism, Humanity Books 1999 (Vertaling van Plessner, H. [1924]. Grenzen der Gemeinschaft. F. Cohen).
  • 6. Robert Musil, De man zonder eigenschappen, Meulenhoff, 1988, pp. 719-724. Vertaald door Ingeborg Lesener.
  • 7. Thomas Marshall, Citizenship and social class, Cambridge University Press, Londen 1963; Menno Hurenkamp, Met opgeheven hoofd. Sociaal burgerschap aan het begin van de 21e eeuw, Van Gennep, Amsterdam 2017.
  • 8. Afshin Ellian schreef in Elsevier, 7 februari 2018: ‘Het nieuwe reactionaire conformisme verzamelt diverse -ismen om de geschiedenis te herschrijven. We hebben het hier dus niet alleen over het feminisme. Ook het egalitarisme is in het geding. Alle boeken, schilderijen, naamboorden [sic], standbeelden, films, muziek en artiesten moeten langs de meetlat van dit conformisme worden gelegd.’
  • 9. Jonathan Jones schreef in The Guardian op 31 januari 2018: ‘Creativity has never been morally pure. Not so long ago, in the 90s, art was deliberately shocking and some were duly shocked to visit galleries and be shown Myra Hindley, unmade beds and toy Nazis. Now the tables have turned, and it’s cool to be appalled by – in this case – art made over a century ago. I can’t pretend to respect such authoritarianism. It is just the spectre of an oppressive past wearing new clothes – and if we fall for the disguise we sign away every liberal value.’
  • 10. Arlie Hochschild, Strangers in the Land: Anger and Mourning on the American Right, a Journey to the Heart of Our Political Divide, The New Press, New York 2016.
  • 11. Michael Walzer, Politics and Passion, Yale University Press, New Haven 2004.
  • 12. Hillary Clinton zei op 9 september 2016: ‘You know, to just be grossly generalistic, you could put half of Trump’s supporters into what I call the basket of deplorables. Right? They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic – Islamophobic – you name it. And unfortunately, there are people like that. And he has lifted them up. He has given voice to their websites that used to only have 11,000 people – now have 11 million. He tweets and retweets their offensive hateful mean-spirited rhetoric. Now, some of those folks – they are irredeemable, but thankfully, they are not America. But the “other” basket – the other basket – and I know because I see friends from all over America here – I see friends from Florida and Georgia and South Carolina and Texas – as well as, you know, New York and California – but that “other” basket of people are people who feel the government has let them down, the economy has let them down, nobody cares about them, nobody worries about what happens to their lives and their futures; and they’re just desperate for change. It doesn’t really even matter where it comes from. They don’t buy everything he says, but – he seems to hold out some hope that their lives will be different. They won’t wake up and see their jobs disappear, lose a kid to heroin, feel like they’re in a dead-end. Those are people we have to understand and empathize with as well.’
  • 13. Jacques Wallage, ‘De politiek kan het niet alleen’, S&D 2017/6.
  • 14. Ik meen dat het voorbeeld van voormalig voorzitter van de MBO-raad Jan van Zijl komt.

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP). Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2018)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [eindredactie]

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl