De discussie over goed werk richt zich meestal op arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, maar ook de inhoud van werk verdient serieus aandacht.

Frank Pot
Emeritus-hoogleraar sociale innovatie, Radboud Universiteit Nijmegen

Tijdens de Covid-pandemie kwamen arbeidsmigranten die in de Nederlandse vleessector werkten in de schijnwerpers te staan. Ze bleken een groter risico te lopen op besmetting met het virus doordat ze dicht op elkaar werkten en woonden. Behalve het besmettingsgevaar voor deze werkenden, werd ook de economische uitbuiting waar zij dagelijks mee te maken hebben, opeens zichtbaar. Vanuit de politiek kwam hier meer aandacht voor, zie onder andere de notitie Waardevol werk – De economie van uitbuiting stoppen van PvdA en GroenLinks.[1]

Een probleem dat onderbelicht bleef is evenwel de aard van het werk in de vleessector, het repeterende karakter van de taken - van meestal minder dan een minuut. Geestdodend werk is het. De verwachting dat nieuwe technologieën dit soort eenvoudige werk zullen doen verdwijnen, komt keer op keer niet uit. Ook in andere sectoren blijft dit soort werk bestaan.

Wageningen Universiteit heeft onlangs nog geconstateerd dat kort-cyclische taken in de glastuinbouw blijven bestaan ondanks de robotisering en digitalisering.[2] Er verdwijnen wel kort-cyclische taken, maar er komen ook nieuwe bij. Bij de fabrieksproductie van vrijwel kant-en-klare woningen bijvoorbeeld, verdwijnt door vergaande automatisering veel werk van vakmensen en komen er meer kort-cyclische taken om de machines met materiaal te vullen en producten te verplaatsen.

In de distributiecentra leidt nieuwe technologie niet alleen tot productiviteitsverhoging maar ook tot intensivering; werkenden moeten nog meer producten in dezelfde tijd pakken als ze de instructies van de computer via een koptelefoon krijgen (audio picking) of geprojecteerd op een speciale bril (vision picking). Ook neemt daar door uitbreiding van het online bestellen de nachtarbeid toe.

In de European Working Conditions Survey van 2015 (de meest recente cijfers) gaf 15% van de respondenten in Nederland aan taken te hebben van minder dan een minuut. Niet Nederlandssprekende arbeidsmigranten zitten hier nog niet eens bij omdat ze niet in de steekproef zijn opgenomen. Dat percentage was in de tien jaar daarvoor ongeveer hetzelfde.[3]

Mensonwaardig werk

Zulke monotone, repeterende taken hebben een verhoogd risico op werk gebonden gezondheidsklachten, niet alleen aan het bewegingsapparaat, maar ook depressie en hart- en vaatziekten.[4] Voor degenen die het werk doen, valt weinig te leren zodat het werk ook niet bijdraagt aan hun duurzame inzetbaar op de arbeidsmarkt. Integendeel, er is sprake van onderbenutting van talent. Het stompt af. Het is mensonwaardig werk. Mogen we de term vervreemding weer gebruiken? De meeste mensen willen dat werk ook niet.

Paul de Beer schreef in S&D op basis van de Waarde van Werk Monitor dat de meeste mensen vooral inhoudelijk leuk werk belangrijk vinden en werk waar ze trots op kunnen zijn.[5] Nemen we er genoegen mee dat arbeidsmigranten tevreden zijn met mensonwaardig werk omdat ze hier meer verdienen dan in hun eigen land?

Arbeidstevredenheid is een lastig begrip. Het is immers bekend dat hoe mensen hun werk beoordelen mede een afspiegeling is van hun sociaaleconomische positie, hun werkverleden en de kansen die ze in de toekomst al dan niet zien. Dat mensen met geestdodend werk voor zichzelf en hun omgeving een verhaal maken om dat werk vol te houden en ‘de vernedering te ontlopen’ is schitterend en uitvoerig beschreven door Abram de Swaan op basis van zijn gesprekken met fabrieksarbeiders.[6]

Bij het vaststellen of werk waardevol, waardig, zinvol, betekenisvol of goed is kunnen we dus niet volstaan met de meningen van de betrokkenen, hoe belangrijk die ook zijn. Er zijn criteria nodig voor de objectieve kenmerken van werk, zoals gedefinieerd in ‘decent work’ van de ILO of in onze eigen Arbowet die in artikel 3 aangeeft dat tempo-gebonden en monotone arbeid ‘zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd’ vermeden moet worden.[7]

Waarom blijft dat soort werk bestaan?

Efficiency en productiviteit zijn de belangrijkste argumenten om werk nog steeds ongeveer zo te organiseren als tijdens de opkomst van de ‘wetenschappelijke bedrijfsvoering’ ruim honderd jaar geleden. Er wordt daarbij zelden een ethische afweging gemaakt. Toch zijn er voorbeelden waarin ervoor wordt gekozen het werk anders te organiseren. Het kan dus wel.[8] Bij fietsenfabriek Gazelle in Dieren duren de taken in de eindmontage 90 seconden, bij Koga in Heerenveen monteert een monteur een hele fiets. Beide ondernemingen hebben dezelfde technologische opties, maar kiezen voor een verschillende organisatie van het werk.

Waardevol werk ontstaat niet vanzelf, er liggen keuzes aan ten grondslag.[9] Waardevol werk moet dus ook een aandachtspunt zijn in het beleid ten aanzien van de digitale en groene transities. Want ook nieuwe technologieën leiden niet vanzelf tot beter werk. In het manifest De toekomst van werk in de zware industrie van de wetenschappelijke bureaus van GroenLinks en PvdA en in de genoemde notitie Waardevol werk van beide partijen is die aandacht er nog onvoldoende en gaat het vooral over vaste contracten en een eerlijk loon.[10] Het kan met nieuwe technologieën meerdere kanten op - richting functieverrijking of richting ontscholing - waarbij niet zozeer de technologie maar veeleer de manier waarop het werk wordt georganiseerd en de bijbehorende managementstijl bepalend zijn voor de kwaliteit van werk.

Mensen leren het meest op en door het werk. Het komt er dus op aan om de inhoud van functies en de daaruit voortvloeiende interne arbeidsverhoudingen zo vorm te geven dat daarvan kan worden geleerd. Denk aan autonomie of professionele ruimte en aan werkoverleg. De cao in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf geeft goed aan waar serieus werkoverleg over zou moeten gaan: werkdruk, werkafwisseling, preventieve maatregelen, verbetervoorstellen, werktijden, afspraken met de opdrachtgever, uitkomsten van controles en het proces van aanbesteding.

Wat kan de politiek doen?

Het zou helpen als politieke partijen hun voorstellen ten aanzien van de kwaliteit van werk en goede banen verbreden naar de inhoud van het werk en naar de interne arbeidsverhoudingen. Een SER-publicatie van maart 2023 over sociale innovatie geeft hier goede handvatten voor, onder andere met het advies dat de overheid samen met sociale partners een Platform Sociale Innovatie inricht en financiert.[11] Sociale innovatie gaat over het samen met werknemers vernieuwen van de organisatie van het werk, het personeelsbeleid en de arbeidsverhoudingen, ondersteund door technologische innovatie.[12] Uiteindelijk moet dat leiden tot hogere productiviteit, een groter innovatief vermogen en een betere kwaliteit van het werk.

Zo’n platform zou een uitwerking kunnen zijn van een programmatische aanpak voor goed werk binnen bedrijven en instellingen zoals ook bepleit in het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht.[13]

Ook de FNV formuleerde zinvolle adviezen, onder andere in de nota Een geniaal plan. Veilig en gezond werken in Nederland kan. Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan de kwaliteit van de arbeidsinhoud en van de interne arbeidsverhoudingen. Denk hierbij aan het recht op informatie over het werk, autonomie, leermogelijkheden, taakroulatie, sociaal veilige werkomgeving, de gelegenheid om problemen in het werk zelf op te lossen, contactmogelijkheden en geen kort-cyclisch en tempo-gebonden arbeid.[14]

Om de kwaliteit van de arbeid te bevorderen is volgens de FNV aanscherping nodig van artikel 3 van de Arbowet en stevige handhaving. Voorgestelde verbeteringen van artikel 3 Arbowet zijn om daarin ook autonomie, vakmanschap, contactmogelijkheden en informatie over doel en resultaten van het werk als criteria op te nemen.

Tot slot: als kort-cyclisch werk niet te vermijden is, moet de werkgever dit regelmatig afwisselen met andersoortige arbeid of met pauzes. Op naleving hiervan is meer controle nodig. Om te kunnen ‘handhaven met tanden’ hoort daar een uitbreiding van de capaciteit van de Arbeidsinspectie bij.

Noten

[1] PvdA en GroenLinks (2023). Waardevol werk. De economie van de uitbuiting stoppen.
[2] Pekkeriet, E., & Splinter, G. (2020). Arbeid in de toekomst; Inzicht in arbeid en goed werkgeverschap in de tuinbouw. Wageningen University & Research.
[3] Pot, F. (2018). Kortcyclische arbeid: sommigen zijn meer ongelijk dan anderen. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken 34(2), 187 – 199.
[4] Niedhammer, I., Bertrais, S., & Witt K. (2021). Psychosocial work exposures and health outcomes: a meta-review of 72 literature reviews with meta-analysis. Scand J Work Environ Health, 47(7), 489–508.
[5] Paul de Beer (2023). Krapte op de arbeidsmarkt: maak werk aantrekkelijker. S&D 2023/2.
[6] De Swaan, A. (1972). Een boterham met tevredenheid: Gesprekken met arbeiders. Van Gennep, p. 136.
[7] Pot, F. (2020) Vakbond en goed werk. In R. Kösters & W. Eshuis (red.). De vakbond en de werkvloer, op zoek naar nieuwe relaties (pp. 55-78 en 118–121). De Burcht.
[8] Pot, F. (2018). Kortcyclische arbeid: sommigen zijn meer ongelijk dan anderen. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken 34(2), 187 – 199.
[9] Rodrik, D., & Sabel, C.F. (2019). Building a good jobs economy. Harvard Kennedy School/Columbia Law School. Building a Good Jobs Economy by Dani Rodrik, Charles Sabel :: SSRN
[10] Wiardi Beckman Stichting en Wetenschappelijk bureau GroenLinks (2022). De toekomst van werk in de zware industrie. PvdA en GroenLinks (2023). Waardevol werk – De economie van uitbuiting stoppen.
[11] SER (2023). Naar verdere succesvolle toepassing van sociale innovatie.
[12] Zie voor voorbeelden Lerende en Innovatieve organisaties (kennisbanksocialeinnovatie.nl).
[13] Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2020). Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht.
[14] FNV (2023). Een geniaal plan. Veilig en gezond werken in Nederland kan, p. 4.

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

S&D bestaat sinds 1939 en verschijnt zes keer per jaar. Oude nummer kunt u doorzoeken via het register (1939-2023) of op thema. De redactie bestaat uit: Paul de Beer, Nik de Boer, Meike Bokhorst, Wimar Bolhuis, Josette Daemen, Patricia Dinkela [eindredactie], Janneke Holman [eindredactie], Tim 'S Jongers, Ruud Koole, Marijke Linthorst, Annemarieke Nierop [hoofdredactie], Arjan Reurink en Bram van Welie.

S&D wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 84,50 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

Een online abonnement kost € 2 per maand. U kunt zelf een account hiervoor aanmaken onder mijn S&D, of stuur een e-mail naar send@wbs.nl.

Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Voor een overzicht van auteurs per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2023)

Inzenden kopij

De redactie van S&D verwelkomt kopij. Artikelen kunnen worden gemaild naar send@wbs.nl. Artikelen aanleveren in Word, bronvermelding in eindnoten (apa). Richtlijn aantal woorden: 2000-2500. Idealiter vormen artikelen in S&D een mix van wetenschap, politiek en essay. De redactie van S&D beslist over plaatsing van binnengekomen kopij. Ze beoordeelt daarbij op basis van de volgende criteria:
- een heldere opbouw en schrijfstijl (geen jargon) en duidelijke vraagstelling
- een goede onderbouwing van standpunten met argumenten, weging van de tegenargumenten en bronvermelding
- vernieuwing van de gedachtevorming binnen de sociaal-democratie
- toegevoegde waarde t.o.v. bestaande inzichten/onderzoeken
- politieke relevantie

Redactie

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl

Documenten