De neiging om wat je onaangenaam vindt niet serieus te nemen is algemeen. Dat onaangename gaat immers vaak gewoon over. Ook in politiek en samenleving ontstaan er bewegingen die als moerasgas naar boven komen borrelen, en dan wegwaaien. Dat is in een lang leven zo vaak het geval dat je, ook als ervaren waarnemer, soms niet in de gaten hebt wanneer het om uitzonderingen gaat.

Zo is het ook mij gegaan bij de opkomst van bepaalde gevoelens onder de kiezers die zich vertaalden in Kamerzetels, eerst voor de SP en later voor de PVV (die zich ‘partij’ noemt, maar dat niet is; een partij is immers een ledenvereniging). De SP bleek met kwaliteit van ideeën en mensen aan de politiek deel te gaan nemen, en kon daarom gaandeweg inderdaad serieus worden genomen. Maar de PVV heeft nooit een samenvatende politieke visie op tafel kunnen leggen. Tot op de huidige dag beperken de Tweede Kamerfractie en leider zich tot schimpscheuten op het bestaande bestel van rechtsstaat en democratie, op de daarbij behorende politieke elite, en op een aantal onderwerpen van politiek beleid (zoals het lidmaatschap van de EU, de toelating van vluchtelingen, te hoge belastingen en het betalen van ontwikkelingshulp). Dat is niet bepaald een lichtend visioen op een nieuwe, meer rechtvaardige samenleving.

Het is moeilijk om een dergelijk, alleen in negatieve zin zich profilerend, politiek sentiment serieus te nemen. Zeker als je ziet welke enorme vooruitgang onze samenleving sinds 1945 bereikt heeft voor iedereen, en dat negatieve sentiment dus moeilijk valt te begrijpen. En toch stemmen mensen er op.

Ik beken dat ik ook gedacht heb dat het wel over zou waaien, zoals de opvatingen van Boer Koekkoek, Janmaat en Fortuyn maar kort een rol speelden. Zelfs de kiene maatschappijanalist Henk Hofland sprak in 2008 over de PVV als een ‘eendagsvlieg’.

Een eerste indicatie dat het vanaf Fortuyn anders was geworden kreeg ik in 2005. Stad en land reisde ik af om te pleiten voor het verdrag dat een nieuwe ‘grondwet’ maakte voor de EU. Nergens kreeg ik serieuze tegenspraak bij mijn pleidooi om dit verdrag te aanvaarden, waarin immers vele goede dingen stonden, waaronder toekenning van grondrechten. En ik werd dus met stomheid geslagen toen bleek dat ook in de PvdA-achterban een meerderheid tegen stemde bij het in dat jaar gehouden referendum. Het bleek zelfs dat in mijn eigen PvdA-Eerste Kamerfractie drie leden tegen het verdrag hadden gestemd. Dit zonder dat in de fractie zulk een tegenstem was besproken, zodat mij duidelijk kon worden hoe de bezwaren dan wel luidden. Ik trad — verbijsterd — af als woordvoerder Europese Zaken van de fractie, een functie die ik tien jaar had vervuld.

Dat was toch een signaal dat ik onvoldoende in de gaten had wat vele, soms zelfs weldenkende, kiezers eigenlijk dachten. Daarin was ik niet alleen, maar toch. In mijn veertigjarige politieke leven, dat in 2007 eindigde, had ik mij steeds beijverd om goed op de hoogte te zijn van de standpunten en beweegredenen van andere politieke groepen. Maar deze nieuwe sentimenten waren mij ontgaan. Ik denk vooral omdat zij zich niet aandienden als samenhangende politieke ideologieën, die zich leenden voor bestudering.

Toen de auteurs van de beide boeken mij vroegen om op 2 december 2016 hun boeken ‘ten doop’ te houden, heb ik deze kans aangegrepen om mijn achterstand in te halen. Het lezen van de boeken heeft mij inzicht gegeven, dat ik al eerder had kunnen hebben.

Bij het boek van Fennema gaat het om de vierde, nu uitgebreide, druk sinds de eerste in 2010. Ik had dus kunnen weten hoe de PVV speelt op onderbuikgevoelens, en dit serieuzer kunnen nemen.

Cliteur vindt dat we moediger kritiek moet uitoefenen op het feit dat de islam, in haar leer zelf, gedrag propageert dat ondermijnend is voor onze democratische rechtsorde: zoals het doden van ‘ongelovigen’. Hij stelt dat we die kritiek ten onrechte ontmoedigen door strafprocessen te voeren tegen mensen die op krasse kritiek uiten, zoals in de vier genoemde gevallen. Ook het boek van Cliteur stemt dus tot nadenken.

Tovenaarsleerling

Terecht laat de kroniekschrijver van het verschijnsel Wilders het oordeel over zijn studieobject over aan de lezer. Een afgewogen oordeel over diens optreden lijkt hem vooralsnog onmogelijk, zo schrijft hij. Fennema draagt overzichtelijk feiten aan over de politieke Werdegang van Wilders. Hij heeft deze zo goed mogelijk op juistheid nagetrokken, zoals het hoort.

Normaal leg je het resultaat ook aan de betrokkene voor. Dat heeft Fennema gedaan, maar zijn studieobject heeft nooit op enig bericht van de auteur gereageerd.

Dit is het kernprobleem bij Wilders. Zijn tactiek is om nooit op argumenten of vragen van anderen in te gaan, anders dan scheldend. Hij schiet oneliners af over een veelheid van onderwerpen, maar vermijdt de discussie. In een democratie is juist de open gedachtenwisseling de kern van het politieke leven. Zo wordt de publieke opinie gevormd. In het Engels heeft politiek de meervoudsvorm, ‘politics’. In zijn nog altijd zeer leesbare klassieker In Defence of Politics (Pelican Books, 1964) legt Bernard Crick uit dat politics meervoudig zijn, omdat politiek bestaat uit een voortdurend onderling zoeken naar wat samen aanvaard kan worden. Het afschieten van oneliners levert daartoe geen positieve bijdrage. Wilders doet niet aan ‘politics’. Hij is dus niet een politicus, maar een actievoerder.

De subtitel van Fennema’s boek wordt in de eerste hoofdstukken waargemaakt. Uit niets tijdens diens eerste jaren in de VVD-politiek was te voorspellen dat Wilders zich aan ‘politics’ zou ontrekken. In tegendeel, hij nam daaraan acht jaar actief deel als intellectueel goed onderbouwde fractiemedewerker. Hij beschouwde zich als leerling van de voorziter, Frits Bolkestein. Vanaf 1997 lid van de Utrechtse gemeenteraad. Dit laatste bleek een opstap te zijn naar het Kamerlidmaatschap in 1998. Fennema heeft over deze periode velen kunnen raadplegen die hem in de VVDperiode, tot zijn uitreden, hebben leren kennen. Ofschoon hij sociale zaken in zijn portefeuille had gehad werd hij in 2004, toen VVD-staatssecretaris Annete Nijs tussentijds aftrad, gepasseerd. Mark Rute werd haar opvolger. Dat zete bij Wilders kwaad bloed.

Niet lang daarna kwam zijn breuk met de VVD-fractie en vond ook de laffe moord op Theo van Gogh plaats. Het is onmiskenbaar dat de tijden grimmiger werden, en daarop speelde Wilders vervolgens bekwaam in.

Fennema gebruikt een aantal kenmerkende episodes om de ontwikkeling van Wilders en zijn PVV te volgen: de film Fitna, en de forse reacties daarop; de verkiezingssuccessen in 2010 en 2013; het gedogen van het kabinetBalkenende II; botsingen binnen de PVV; de rol van Martin Bosma als ‘ideoloog’ van de PVV; de contacten met buitenlandse soortgenoten; het eerste strafproces tegen Wilders en de aanloop tot het tweede. Het boek heeft een sterk journalistiek karakter. Vooreerst omdat het eigentijdse geschiedschrijving betreft. Maar vooral omdat het moeilijk is om door te dringen in de innerlijke beweegredenen van zijn studieobject, en de wijze waarop hij zijn gesloten imperium bestiert. Er zijn immers weinig bronnen. Misschien is bij een vijfde druk analyse en terugblik mogelijk…

Vervolging van religiekritiek

In zijn boek laat Fennema Paul Cliteur behoren tot ‘de libertaire intellectuelen rond Hirsi Ali’, die — met Wilders — hebben gewaarschuwd tegen een ‘islamisering van Nederland’, maar zich in 2007 — met Hirsi Ali — van Wilders distantiëren. Dit omdat hij zich ook hierin overschreeuwt, en het resultaat daarvan de aandacht afleidt van de hoofdzaak. Zoals Cliteur in 2016 optreedt als getuige à decharge in het tweede proces Wilders, inzake de ‘minder Marokkanen’ uitspraak, omdat hij meent dat nu de overheid met zo’n proces zichzelf overschreeuwt.

Cliteur wil in zijn boek, dat de titel draagt van vier strafprocessen tegen bekende personen wegens religiekritiek, aantonen dat wat hij ‘theoterrorisme’ noemt (terrorisme met beroep op goddelijke openbaring) wel degelijk een gevaar voor de samenleving vormt. En dat dit moet worden onderkend. En dat dus kritiek daarop niet met strafprocessen moet worden bestreden. Voor zijn stelling is veel te zeggen.

Helaas gaat hij er vanuit dat ‘de politiek correcte, liberaal-progressieve intelligentsia of linkse elite’ bewust poogt het bestaan van theo-terrorisme te verdoezelen. Nu behoor(de) ik, onmiskenbaar tot deze elite, maar ik heb die neiging absoluut niet, en merk dat ook niet in mijn omgeving. Ook heb ik niets gemerkt van een ‘enorme lobby’ die zou bestaan om ‘islamofobie’ als strafrechtelijk delict erkend te krijgen’ (p.80).

Eerder is aan de orde het feit dat wij in dit land geen ervaring hebben met een religie die geweld niet schuwt tegen andersdenkenden. Christenen hebben dat al tijdens de Verlichting afgeleerd. Tevens hebben we geleerd om onze religieuze minderheden te respecteren, tot en met kosjer en halal slachten. Wel zijn we er bedacht op dat bepaalde vormen van religie-kritiek minderheden, als hele groep tegelijk, in de hoek zeten waar de klappen vallen.

Dat betekent geenszins dat er, zoals Cliteur veronderstelt, een ‘impliciete consensus’ zou bestaan ‘dat religiekritiek verwerpelijk, wellicht zelfs racistisch, of op zijn minst ongepast is’. En dat er een ‘taboe’ zou bestaan op godsdienstkritiek. Ik heb in een lang openbaar leven nooit iets van die consensus gemerkt.

Dat het in beschaafde kringen ongebruikelijk is om in een gesprek af te geven of elkaars godsdienst of levensovertuiging, wil niet zeggen dat je er geen forse kritiek op zou mogen hebben. ‘Katholieken fokken als konijnen’, werd mij vroeger voorgehouden. Dat tot midden vorige eeuw katholieken gemiddeld veel kinderen hadden, was onmiskenbaar. Ik antwoordde altijd dat we inderdaad graag meerderheid willen worden.

Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie en migratie-onderzoek in Berlijn, heeft onlangs uit onderzoek opgemaakt dat de helft van de miljard moslims in de wereld een intolerante vorm van de islam aanhangt. En dat daar weer 10 -% van bereid is om geweld te accepteren. NRC Handelsblad heeft dit bericht nagetrokken, en op 6 januari gemeld dat dit bericht als waar moet worden beoordeeld.

Als dit zo is, dan is kritiek daarop volop gerechtvaardigd, zeker ook op het feit dat het die religie zelf is die, kennelijk, een aanzienlijk aantal volgelingen aldus inspireert. De liberaal progressieve elite hanteert die kritiek volgens mij wel degelijk. Cliteur betoogt, met argumenten uit de gevallen die hij onderzocht, dat dit steviger moet. En dat de overheid daartegen niet met processen moet optreden.

Zelf heb ik inderdaad moeite met art. 137c Wetboek van Strafrecht. Dit stelt het beledigen van een groep mensen vanwege hun ras, geloof et cetera strafbaar. Art. 137d stelt vervolgens het aanzeten tot haat tegen deze groepen strafbaar, gek genoeg niet met strafverzwaring als die haat leidt tot gebruik van geweld.

Art. 137c past volgens mij niet meer in een samenleving waar we nogal openhartig ons uiten. Beledigd zijn zit ‘tussen de oren’, je kunt het ook van je laten afglijden. Ooit ben ik opgetreden als getuige à decharge in een proces tegen Gerrit Komrij. Hij had over de radio gezegd dat katholieken bij de communie ‘in reepjes gesneden abortus tot zich namen’. Ik getuigde dat ik deze opmerking hoogst smakeloos achte, maar dat ik mij als katholiek niet beledigd achte. ‘Beleidigter Leberwurst’, zeggen de Duitsers over hen die zich licht beledigd voelen. Islamieten zijn nog niet zover: elke opmerking over de Profeet geldt als ernstige belediging van de islam. Met forse gevolgen voor hen die dat doen. Islamieten zullen in ons land, en elders, moeten leren om zulke opmerkingen of cartoons van zich te laten afglijden. Oproepen tot haat, discriminatie en geweld tegen groepen uit de samenleving vallen daarentegen wel onder een strafbare categorie. Dat kunnen we niet aanvaarden, tegenover wie dan ook. Dat hebben we in de jaren 1933–1945 langs de harde weg geleerd. In dit kader is de studie van Cliteur interessant.

Brigite Bardot, de heldin van mijn jonge jaren, is dierenactiviste. Zij noemde het religieus voorschrift dat voor een islamitisch feest dieren onverdoofd worden geslacht immoreel. Dat kwam haar op strafvervolging te staan. Ook de journaliste Oriana Fallaci, en de schrijver Michel Houellebecq zijn door hun kritiek op religie strafrechtelijk vervolgd, net als Wilders. Cliteur beschrijft die gevallen.

Het boek van Cliteur getuigt van een grote belezenheid over zijn onderwerp. Terecht verdedigt hij, principieel, dat religiekritiek normaal is. Terecht stelt hij ook dat vrijheid van godsdienst niet gelijk is aan het recht om gevrijwaard worden van kritiek op je godsdienstige overtuiging.

Maar hij lijkt geobsedeerd door de gedachte dat het weldenkende deel van de natie het niet met hem eens zou zijn. De tolerantie in ons land, zegt hij, zou onder druk staan. Dit ‘vanwege het niet aflatende geklaag van de politieke en bestuurlijke elite over kritiek op het gewelddadig islamisme’ (p.-98) . Hoe komt het dat dit geklaag mij niet ter ore komt? Natuurlijk heeft terrorisme geïnspireerd door een jihad (‘theoterrorisme’) zijn wortels in de islam. Waar anders? En dat moet en mag gezegd en bestreden worden, liefst ook door gematigde islamieten zelf.

Het is niet waar dat ‘de struisvogels van de progressieve politiek’ (p.112) er niks van willen weten. Moeilijker is echter de vraag te beantwoorden wat we eraan kunnen doen. Strafrechtelijke vervolging van mensen die over religie krasse dingen zeggen, heeft in ieder geval geen zin, daarin heeft Cliteur gelijk.

Er bestaat echter geen onwil om op te treden, daarin vergist Cliteur zich grondig. Er is onmiskenbaar onzekerheid hoe we dan wel effectief kunnen optreden, zonder tevens wezenlijke elementen van onze rechtsstaat te ondermijnen.

Cliteur verdedigt zijn stelling met overtuiging, met vele boeiende verwijzingen naar de praktijk en naar andere literatuur. Maar hij stoot (potentiële) medestanders af — zeker die uit de door hem benoemde ‘linkse elite’ — door hen bij voorbaat voor struisvogels uit te maken.

Dat is jammer. De bestrijding van wat hij ‘theo-terrorisme’ noemt, vergt juist een nieuwe, brede consensus, die zich uitstrekt tot de lezers van S&D.

 

Auteur(s)

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.

 

Het tijdschrift S&D verschijnt zes keer per jaar en wordt uitgegeven door Van Gennep. Een los nummer kost € 17,50, en jaarabonnementen (vol tarief) € 91 (te bestellen via: info@vangennep-boeken.nl).

S&D digitaal

> U kunt zich abonneren op de (gratis) online S&D-nieuwsbrief.

Sinds 1939

S&D bestaat sinds 1939 en is het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting. Voluit luidt de titel Socialisme & Democratie. Oude nummers kunt u downloaden vanaf de website van de Rijksuniversiteit Groningen. Voor een overzicht per nummer, raadpleegt u het register van S&D (1939-2016)

Redactie

Redactieleden: Paul de Beer, Nik Jan de Boer, Meike Bokhorst, Klara Boonstra, Menno Hurenkamp [hoofdredactie], Ruud Koole, Marijke Linthorst

Redactieraadleden: Maurits Barendrecht, Marc Chavannes [voorzitter], Liesbeth Noordegraaf, Paul Tang

Redactieadres: Wiardi Beckman Stichting
Emmapark 12, 2595 ET Den Haag
Telefoon [070] 262 97 20
send@wbs.nl

Uitgever: Uitgeverij Van Gennep
Nieuwpoortkade 2a
1055 RX Amsterdam
info@vangennep-boeken.nl